Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3215

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
23-004070-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004070-17

datum uitspraak: 28 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer

15-139336-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te distrikt [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 juli 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 6009 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair:
hij op of omstreeks 22 juli 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een koffer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken aangezien hij geen opzet had op het in Nederland brengen van de in de koffer aangetroffen cocaïne. De verdachte kende de inhoud van de koffer niet. Voorts kan geen sprake zijn van het binnen het grondgebied van Nederland brengen door de verdachte, nu hij geen concrete activiteiten verricht heeft die in tijd te plaatsen zijn vóór het tijdstip van inbeslagname van de hoeveelheid cocaïne in de kelder van het vliegveld. Tot slot valt uit de bewijsmiddelen niet af te leiden dat sprake is geweest van medeplegen, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij de opdracht had gekregen om de betreffende koffer te stelen van de bagageband op Schiphol. Hiervoor zou hij een bedrag van € 3.000,00 krijgen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij onder meer verklaard dat hij niet wist wat er precies in de koffer zat, maar dat hij dacht dat er geld, goud of diamanten in zaten. Het hof begrijpt hieruit dat de verdachte er vanuit ging dat zich in de koffer in elk geval goederen bevonden met een aanzienlijke marktwaarde met de kennelijke bedoeling deze naar Nederland te smokkelen.

Ook heeft de verdachte verklaard dat het hem niet uitmaakte wat er in de koffer zat, dat hij geld wilde verdienen en daarom de koffer van de band heeft gepakt.

Door zo te handelen heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de betreffende koffer een (gelet op de hoogte van de hem toegezegde vergoeding: aanzienlijke) hoeveelheid cocaïne zou bevatten en deze kans ook aanvaard. Het hof overweegt daarbij dat het een feit van algemene bekendheid is dat vanuit Suriname naar Nederland veelvuldig verdovende middelen worden gesmokkeld via de lucht.

De verdachte heeft een koffer afkomstig uit Suriname van de bagageband in Schiphol gepakt, nadat hij (in Suriname) daartoe de opdracht had gekregen. De foto van de koffer, die gemarkeerd was met een blauwe doek, is vooraf aan hem in Suriname getoond.

Uit onderzoek van de onder de verdachte en onder de medeverdachte [naam 1] in beslaggenomen telefoons blijkt onder andere dat in de periode tussen 4 juli 2017 en het moment van aanhouding op 22 juli 2017 vele malen contact is geweest tussen deze telefoons. Er worden verschillende whatsapp-berichten aangetroffen die de verdachte naar de medeverdachte [naam 1] heeft verstuurd. Op 13 juli 2017 heeft de verdachte een sms-bericht naar de medeverdachte [naam 1] gestuurd waarin staat dat ene ‘[naam 2]’ heeft gezegd dat hij (verdachte) een koffer moet kopen om spullen voor hem mee te nemen.

De verdachte heeft dezelfde vlucht genomen als de koffer. Hij heeft hierbij gebruik gemaakt van een ticket dat hij per e-mail heeft ontvangen van iemand die hij niet kende. Gelet op de waarde van de aangetroffen cocaïne is het bovendien niet goed voorstelbaar dat de invoer van de cocaïne in Nederlands grondgebied op dat moment doorgang zou hebben gevonden indien de verdachte zich niet had gecommitteerd aan het oppikken van de koffer van de bagageband. De verdachte heeft aldus een belangrijke rol gespeeld bij de invoer van de betreffende cocaïne in Nederland. Dat de cocaïne zich niet meer bevond in de koffer op het moment dat de verdachte deze van de bagageband pakte, doet aan het vorenstaande niet af. Het hof betrekt in dit oordeel ook dat de verdachte in de dagen voorafgaand aan het oppikken van de koffer reeds veelvuldig (telefonisch) contact heeft gehad met de medeverdachte [naam 1], die eveneens betrokken was bij het ophalen van de koffer op Schiphol.

Gelet op het veelvuldige telefonische contact voorafgaand aan 22 juli 2018 met deze medeverdachte en de contacten en samenwerking met hem nadat de koffer feitelijk binnen het grondgebied van Nederland was gebracht, zoals deze blijken uit de bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat het medeplegen van dit feit met de medeverdachte [naam 1] wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op 22 juli 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 6009 gram cocaïne.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen aan de invoer van circa zes kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich hierbij uitsluitend heeft laten leiden door zijn eigen geldelijk gewin, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep wederom heeft laten blijken.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 juli 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, waaronder ter zake van handelen in strijd met de Opiumwet.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. M.J.G.B. Heutink, in tegenwoordigheid van

mr. K. van der Togt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

28 augustus 2018.

Mr. J.D.L. Nuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.