Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3197

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
23-002375-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens meineed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002375-17

datum uitspraak: 26 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-674045-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 9 december 2014 te Amsterdam bij de raadsheer-commissaris bij het Gerechtshof, een getuigeverhoor, zijnde een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling en persoonlijk en opzettelijk de volgende valse verklaring onder ede heeft afgelegd: "Ik sliep die dag bij [naam 1]. Op zaterdag moest ik werken. haar moeder [naam 2] bracht mij naar mijn werk, de Albert Heijn aan [locatie]. De moeder zat achter het stuur. [naam 1] zat ernaast. Ik zat linksachter de moeder. We kwamen aan bij mijn werk. Het was een doodlopende weg en ik stapte uit. Toen keek ik. Ik zag dat de moeder achteruit reed en dat er iemand plotseling tussen de auto's kwam. Toen stond de auto van de moeder stil. Ik ging er naar toe. [naam 1] en de moeder gingen uit de auto. De moeder bukte bij de aangereden vrouw. [naam 1] ging huperventileren. Ik was ook een beetje in shock. Het regende die dag, dus ik heb haar bij de Albert Heijn onder een dak gezet. daar wachtten wij op de politie. Ik heb de politie gezien. [naam 1] heeft een hoofddoek om. Haar moeder niet. De moeder heeft geblondeerd haar".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 9 december 2014 te Amsterdam bij de raadsheer-commissaris bij het Gerechtshof in een getuigenverhoor, zijnde een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling en persoonlijk en opzettelijk de volgende valse verklaring onder ede heeft afgelegd: "Ik sliep die dag bij [naam 1]. Op zaterdag moest ik werken. Haar moeder [naam 2] bracht mij naar mijn werk, de Albert Heijn aan het [locatie]. De moeder zat achter het stuur. [naam 1] zat ernaast. Ik zat linksachter de moeder. We kwamen aan bij mijn werk. Het was een doodlopende weg en ik stapte uit. Toen keek ik. Ik zag dat de moeder achteruit reed en dat er iemand plotseling tussen de auto's kwam. Toen stond de auto van de moeder stil".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat zoals door de rechtbank uitgewerkt en neemt deze derhalve over. Het vonnis van de rechtbank wordt daarom aan dit arrest gehecht en maakt in zoverre hiervan deel uit. Het hof voegt daarnaast als aan de bewezenverklaring ten grondslag liggend bewijsmiddel toe:

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik beken dat ik op 9 december 2014 bij de raadsheer-commissaris bij het gerechtshof Amsterdam, toen ik als getuige in de strafzaak van mijn vriendin [naam 1] onder ede werd gehoord, niet naar waarheid heb verklaard. Ik heb toen verklaard dat haar moeder [naam 2] de auto bestuurde ten tijde van de aanrijding op 27 augustus 2011 in Amsterdam. De raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof heeft van die verklaring een proces-verbaal opgemaakt. De inhoud van mijn verklaring is niet juist. [naam 1] zat namelijk achter het stuur en zij heeft de vrouw aangereden, niet [naam 2]. Ik heb gelogen om [naam 1] te beschermen omdat zij geen rijbewijs had.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meineed. Ze heeft bij de politie in strijd met de waarheid verklaard dat de moeder van haar vriendin de bestuurder van de auto was toen een aanrijding plaatsvond. Gedurende een periode van drie jaar heeft de verdachte vastgehouden aan deze verklaring en zij heeft tijdens een getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof onder ede in deze leugen volhard.

Het afleggen van de eed of belofte dient er toe om de betrouwbaarheid van een verklaring te versterken. Door opzettelijk en zonder respect voor de eed, die zij had afgelegd, in strijd met de waarheid te verklaren, heeft de verdachte niet alleen dit vertrouwen geschonden, maar ook de waarheidsvinding ondermijnd en de rechtsgang in ernstige mate belemmerd. Meineed is een ernstig strafbaar feit, waaraan in de strafrechtspleging zwaar wordt getild en waarop in beginsel een forse straf zou moeten volgen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep toegegeven dat zij in strijd met de waarheid heeft verklaard. Zij was ten tijde van het afleggen van haar verklaring tegenover de politie minderjarig. Het hof kan zich voorstellen dat zij binnen een constellatie van langdurige en hechte vriendschappen tussen haar en de vriendin voor wie zij valselijk heeft verklaard en hun beider families zich ertoe heeft laten brengen in strijd met de waarheid te verklaren. De medeverdachte in deze zaak, de moeder van de vriendin van de verdachte, heeft de verdachte geïnstrueerd valselijk tegenover de politie te verklaren. Desondanks heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep zichzelf daarvoor volledig verantwoordelijk geacht en er ook blijk van gegeven het kwalijke van haar handelen in te zien. De verdachte heeft overigens een blanco strafblad. Dit alles weegt mee in haar voordeel. Het hof acht het gelet hierop passend om aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan aan de medeverdachte. Het hof acht gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde gekomen, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden en is van oordeel dat met deze strafoplegging in dit geval kan worden volstaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 207 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. J.L. Bruinsma en mr. M.C.A.E. van Binnebeke, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

26 juli 2018.

Mr. M.C.A.E. van Binnebeke is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.