Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3155

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
23-003150-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003150-17

Datum uitspraak: 18 mei 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 augustus 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 13-091526-17 en 13-182172-15 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
7 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer zes wikkels, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring en een andere oplegging van straf dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de staandehouding en de daaropvolgende aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest. De verdachte is staande gehouden omdat hij gesignaleerd zou staan voor een openstaande gevangenisstraf van 13 dagen, maar uit de Justitiële Documentatie van de verdachte blijkt niet dat deze straf openstond.

Er is sprake van een vormverzuim dat moet leiden tot uitsluiting van het - aldus na aanhouding - verkregen bewijs, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer nu dit feitelijke grondslag mist. Uit de door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde uitdraai van de politiesystemen volgt immers dat op het moment van staandehouding de verdachte gesignaleerd stond. De staandehouding en aanhouding waren derhalve niet op deze grond onrechtmatig.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad zes wikkels met daarin een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van zes wikkels cocaïne. Harddrugs leveren gevaar op voor de gezondheid van de gebruikers ervan en overlast voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 maart 2018 is hij eerder meermalen voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Uit dit uittreksel blijkt tevens dat de verdachte op 6 augustus 2015 is veroordeeld tot een taakstraf ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en heeft de verdachte deze taakstraf uitgevoerd. Aldus is aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het hier bewezen verklaarde feit een taakstraf opgelegd voor een soortgelijk misdrijf, welke taakstraf ook door de verdachte is verricht. Gelet daarop is artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (het zogeheten taakstrafverbod) van toepassing en kan aan de verdachte geen taakstraf worden opgelegd. Gelet op de geringe hoeveelheid harddrugs en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht het hof het thans niet passend een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen, zodat zal worden volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof acht, alles afwegende, rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 november 2015, onder parketnummer 13-182172-15, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de vordering zal afwijzen omdat uit het uittreksel Justitiële Documentatie volgt dat deze straf al is ten uitvoer gelegd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat bij beslissing van de rechtbank van Amsterdam van 15 augustus 2017 de gehele tenuitvoerlegging is gelast van de in de zaak met parketnummer 13-182172-15 opgelegde voorwaardelijke straf, welke beslissing onherroepelijk is geworden op 30 augustus 2017. Gelet hierop zal het hof het openbaar ministerie in de vordering tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 13-182172-15.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. P. Greve en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van

mr. C. Schenker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
18 mei 2018.

Mr. G.M. Boekhoudt is buiten staat dit arrest te ondertekenen.