Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3143

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
23-003937-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek OVAR, want vte had ten tijde van het plegen van het strafbare feit een stoornis waardoor zijn oordeelsvorming werd belemmerd. Hof: kan niet vastgesteld worden dat het feit niet in zijn geheel niet toegerekend kan worden. Belaging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003937-16

datum uitspraak: 26 april 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-003491-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 11 juli 2015 te Haarlem [slachtoffer 4] heeft mishandeld door met kracht met zijn (beide) hand(en) tegen het lichaam van die [slachtoffer 4] te duwen, waardoor deze ten val is gekomen;

2:
hij in de periode van 21 april 2015 tot en met 30 juli 2015 te Haarlem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door:

- dagelijks, een of meermalen, in/bij de winkel te komen waar die [slachtoffer 1] toen werkzaam was en haar (vervolgens) in/bij die winkel aan te (blijven) staren en/of

- in de vakantie van die [slachtoffer 1] aan de teamleidster te vragen of die [slachtoffer 1] ziek was en/of

- die [slachtoffer 1] een of meermalen/telkens naar haar huis te volgen en/of

- rozenblaadjes, bedoeld voor die [slachtoffer 1] op de toonbank van de winkel te gooien;

3:
hij in de periode van 16 juni 2015 tot en met 4 augustus 2015 te Haarlem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door:

- met regelmaat voor de winkel te gaan staan waar [slachtoffer 2] werkzaam is/was en haar vervolgens telkens/een of meermalen aan te (blijven) staren en/of

- telkens/een of meermalen tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: "Ik wil jou, ik wil dat je van mij houdt en meer";

4:
hij in de periode van 10 juli 2015 tot en met 4 augustus 2015 te Haarlem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 3], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door:

- aan die [slachtoffer 3], werkzaam in een bloemenzaak, aldaar te vragen welke bloemen hij voor haar moet kopen om haar het bed in te krijgen" en/of

- in of buiten de winkel plotseling dicht achter die [slachtoffer 3] te staan en/of

- telkens/een of meermalen die [slachtoffer 3] aan te (blijven) staren en/of

- meermalen per dag langs de winkel, waar die [slachtoffer 3] werkzaam was, te lopen en naar binnen te kijken;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover thans nog aan de orde zal worden vernietigd, omdat het hof respondeert op een door de verdediging gevoerd verweer en tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 11 juli 2015 te Haarlem [slachtoffer 4] heeft mishandeld door met kracht met zijn beide handen tegen het lichaam van die [slachtoffer 4] te duwen, waardoor deze ten val is gekomen;

2:
hij in de periode van 21 april 2015 tot en met 30 juli 2015 te Haarlem wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden, door

 meermalen in/bij de winkel te komen waar die [slachtoffer 1] toen werkzaam was en haar vervolgens in/bij die winkel aan te (blijven) staren, en

 die [slachtoffer 1] naar haar huis te volgen;

3:
hij in de periode van 16 juni 2015 tot en met 4 augustus 2015 te Haarlem wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] met het oogmerk die [slachtoffer 2] te dwingen iets te dulden, door:

 met regelmaat voor de winkel te gaan staan waar [slachtoffer 2] werkzaam was en haar vervolgens aan te (blijven) staren, en

 tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: "Ik wil jou, ik wil dat je van mij houdt en meer";

4:
hij in de periode van 10 juli 2015 tot en met 4 augustus 2015 te Haarlem wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3] met het oogmerk die [slachtoffer 3] te dwingen iets te dulden, door:

 aan die [slachtoffer 3], werkzaam in een bloemenzaak, aldaar te vragen welke bloemen hij voor haar moet kopen om haar het bed in te krijgen, en

 die [slachtoffer 3] aan te (blijven) staren, en

 meermalen per dag langs de winkel, waar die [slachtoffer 3] werkzaam was, te lopen en naar binnen te kijken;

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde levert telkens op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman is gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de strafbare feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Bij de verdachte is sprake van een stoornis waardoor zijn oordeelsvorming ten tijde van het delict dermate was belemmerd, dat hij als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 11 januari 2018 ten aanzien van de verdachte een voorlopige machtiging heeft verleend tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis. Redengevend werd geacht dat de verdachte lijdt aan schizofrenie en door deze stoornis gevaar veroorzaakte. Het hof heeft van de raadsman vernomen dat de verdachte thans geschorst is en verblijft bij een familielid, maar nog wel medicatie krijgt.

Gelet hierop alsmede op de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken, staat voldoende vast dat de verdachte ook ten tijde van de bewezen geachte feiten kampte met een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Aannemelijk is ook dat de geestestoestand van de verdachte op enigerlei wijze van invloed is geweest op de totstandkoming van zijn gewraakte handelingen. Op basis van de beschikbare informatie is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat het bewezen verklaarde de verdachte in het geheel niet kan worden toegerekend. In dat verband is met name van belang dat de verdachte niet heeft willen meewerken aan de totstandkoming van een Pro-Justitiarapportage, zodat de gedragsdeskundigen niet de mate van toerekenbaarheid van de feiten aan de verdachte hebben kunnen beoordelen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op kwalijke wijze en gedurende een periode van drie maanden een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van drie vrouwen. Hij heeft deze vrouwen geregeld, en in bepaalde gevallen gedurende een periode zelfs dagelijks, opgezocht op hun werkplek. Blijkens de aangiftes heeft de handelwijze van de verdachte angst bij hen ingeboezemd en zij voelden zich daardoor beknot in hun vrijheid. Dit geldt in het bijzonder ook voor [slachtoffer 1]. De verdachte is haar op enig moment gevolgd naar haar huis. Uit de onderbouwing van haar vordering tot schadevergoeding volgt dat zij bang was om naar buiten te gaan en elke dag angstig was om de verdachte tegen te komen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 4]. De verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer pijn berokkend en aldus inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Het hof rekent de verdachte een en ander aan.

Vanwege de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten en gezien de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd. In strafmatigende zin houdt het hof er rekening mee dat, zoals al bleek, aannemelijk is dat het bewezen verklaarde in enigerlei mate is beïnvloed door de geestestoestand van de verdachte. Ook is duidelijk geworden dat de verdachte thans wordt behandeld voor zijn stoornis. Het hof acht het onwenselijk dat deze behandeling wordt doorkruist doordat de verdachte opnieuw gedetineerd zou raken en zal om die reden de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding, ter hoogte van € 300,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep derhalve te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de vordering geen onevenredige belasting van het strafproces vormt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 617,20, bestaande uit € 117,20 aan materiële schade en € 500 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 317,20. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat een deel van de vordering geen onevenredige belasting van het strafproces vormt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding gehouden van een bedrag van € 117,20 aan materiële schade en van een bedrag van € 200 aan immateriële schade, zodat de vordering tot deze bedragen zal worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële kosten voor een gevolgde zelfverdedigingscursus overweegt het hof dat deze, nu de cursus kort na de belaging is gevolgd en deze nodig was voor de benadeelde partij om haar van angsten te bevrijden, in causaal verband staan met het bewezenverklaarde.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

2 (twee) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 11 juli 2015.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 317,20 (driehonderd en zeventien euro en twintig cent) bestaande uit € 117,20 (honderdzeventien euro en twintig cent) aan materiële schade en

€ 200,00 (tweehonderd euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 1], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 317,20 (driehonderdzeventien euro en twintig cent) bestaande uit € 117,20 (honderdzeventien euro en twintig cent) aan materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 26 augustus 2015 en voor de immateriële schade op 30 juli 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 april 2018.