Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3139

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
23-000423-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal met braak in vereniging. Bevestiging vonnis behalve ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000423-18

datum uitspraak: 8 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-702909-17 en 13-741149-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

GBA-adres: [adres 1],

ter zitting opgegeven postadres: [adres 2].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken waarvan 3 weken voorwaardelijk met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak in een pizzeria, waarbij zij onder andere een kluis met inhoud, sleutels en telefoons hebben weggenomen. Daarbij hebben zij een grote ravage achtergelaten en forse schade veroorzaakt. Door dit alles hebben de verdachte en zijn medeverdachten veel frustratie en ongemak bezorgd aan de gedupeerde ondernemer, die aan het opruimen van de ontstane chaos en de verdere afhandeling van de inbraak de nodige tijd kwijt moet zijn geweest. Met hun handelwijze hebben de verdachte en zijn medeverdachten er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Meer in het algemeen veroorzaken dergelijke misdrijven in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid.

Bij de strafoplegging heeft het hof tevens acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten en de straffen die in de zaken van de medeverdachten zijn opgelegd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juli 2018 is hij als jeugdige voor een groot aantal strafbare feiten veroordeeld waarbij hem tevens een PIJ-maatregel is opgelegd. Bovendien is de verdachte in oktober 2015 veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf ter zake van een poging tot inbraak. Bij diezelfde uitspraak is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, opgelegd bij vonnis van november 2014 wegens een soortgelijk misdrijf (parketnummer 741112-14). Uit de rapportage van Reclassering Nederland van 10 januari 2018 blijkt dat deze taakstraf in december 2016 is voltooid. Dat brengt mee dat de artikelen 14g en 22b van het Wetboek van Strafrecht eraan in de weg staan om de ten uitvoer te leggen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

Uit de reclasseringsrapporten van Reclassering Nederland van 10 januari 2018 en 2 juli 2018 komt naar voren dat de verdachte geen stabiele huisvesting, geen structurele dagbesteding en geen inkomen heeft. Er is sprake van een geschiedenis van antisociale gedragingen. Zijn zelfinzicht lijkt beperkt en hij is geneigd om de schuld van zijn problemen bij anderen te leggen. Anders dan in het verleden zegt de verdachte nu open te staan voor gedragsbeïnvloeding in een gedwongen kader. De reclassering heeft een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf geadviseerd, met als bijzondere voorwaarden een verplicht reclasseringscontact, een behandelverplichting bij FAZ Inforsa gericht op delictpreventie en de behandeling van zijn gokverslaving. Daarnaast dient de verdachte mee te werken aan begeleid wonen en aan het realiseren van een dagbesteding en inkomen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij met zijn vriendin, met wie hij al drie jaar een relatie heeft en die hem steunt, aan zijn toekomst wil werken. Hij realiseert zich dat daarvoor gedragsverandering is vereist en hij ziet in dat hij daarbij hulp van de reclassering nodig heeft. In de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering kan hij zich vinden. Hij zou graag zo spoedig mogelijk daarmee willen beginnen en hernieuwde detentie zou daaraan in de weg staan.

Ter terechtzitting heeft het hof de indruk gekregen dat de verdachte lijkt in te zien dat het tijd wordt voor verandering. Gezien de door de reclassering geconstateerde problematiek zal dit niet eenvoudig voor hem zijn. Het hof zal de verdachte daarom de kans geven om met hulp van de reclassering aan zijn toekomst te gaan werken. Om die reden zal het hof op de vordering tenuitvoerlegging beslissen als hieronder vermeld en de verdachte (in de hoofdzaak) naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf ook een taakstraf opleggen, opdat een begin kan worden gemaakt met het aanbrengen van enige regelmaat en structuur in zijn leven.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof acht, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen en hierboven in het kader van de strafmotivering zijn besproken, termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Veroordeelde moet zich melden bij Reclassering Nederland, [adres 3], zodra hij opgeroepen wordt voor een gesprek. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Daarbij moet veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft.

- Veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen, gericht op delictpreventie en zijn gokgedrag, bij FAZ Inforsa of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

- Veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan begeleid wonen of ambulante begeleiding vanuit HVO Querido of soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

- Veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan het realiseren/behouden van een legale dagbesteding en inkomen, eventueel met hulp vanuit WPI (afdeling detentie & terugkeer) of soortgelijke instantie, indien en zolang de reclassering dit nodig acht.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 21 november 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2015, parketnummer 13-741149-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. W.F. Groos en mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 augustus 2018.