Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3138

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
18/00030, 18/00031, 18/00032
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank de heffingsambtenaar ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door belanghebbende in bezwaar gemaakte proceskosten. Nu het Hof in het jaar 2018 overgaat tot correctie van de beslissing van de rechtbank, dient het Hof in zoverre de in dit jaar geldende waarde per punt tot uitgangspunt te nemen.

Gelet op de omstandigheden dat (i) weliswaar sprake is van een kennelijke en evidente vergissing door de rechtbank maar die vergissing slechts (vrijwel) onmiddellijk kenbaar is voor iemand met enige kennis van het bestuursprocesrecht, en (ii) het met de fout gemoeide bedrag niet zeer gering is, is het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand voor het instellen van hoger beroep en het in dit verband maken van kosten niet onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-09-2018
FutD 2018-2381
V-N Vandaag 2018/1878
V-N 2018/59.20.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 18/00030, 18/00031 en 18/00032

21 augustus 2018

vierde meervoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[X], te [woonplaats], belanghebbende(gemachtigde G. Gieben)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerken AMS 17/283, 17/404 en 17/405 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar

inzake de uitspraak op bezwaar betreffende een aan belanghebbende met dagtekening 31 januari 2016 opgelegde gecombineerde aanslag en kennisgeving waardebeschikkingen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hen door het Hof op de voet van artikel 8:57 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht geboden gelegenheid te verklaren dat zij op een zitting willen worden gehoord. Hierop heeft het Hof het onderzoek gesloten en mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank doch uitsluitend voor zover het de beslissing omtrent de kosten betreft;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de (proces)kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.739;

  • -

    bepaalt dat het voor het instellen van hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 door de griffier wordt terugbetaald.

Gronden

1. De rechtbank heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“12. Tot slot veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de door [X] gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 990 (1 punt voor indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).”

2. Belanghebbende voert in hoger beroep – zoals ook de heffingsambtenaar onderkent – terecht aan dat de rechtbank de heffingsambtenaar ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door belanghebbende in bezwaar gemaakte proceskosten. Nu het Hof in het jaar 2018 overgaat tot correctie van de beslissing van de rechtbank, dient het Hof in zoverre de in dit jaar geldende waarde per punt van € 249 voor bezwaar tot uitgangspunt te nemen met een wegingsfactor 1.

3. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) opgenomen tarief. Het Hof begroot de kosten in bezwaar derhalve op € 498 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting).

4. In hoger beroep is – zo begrijpt het Hof - de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde vergoeding voor de door belanghebbende in beroep gemaakte kosten niet in geschil. Niet is gebleken dat de vergoeding van de rechtbank onjuist berekend is. Het Hof stelt de vergoeding voor de in beroep gemaakte kosten, overeenkomstig het onder 1 genoemde oordeel van de rechtbank, derhalve vast op € 990.

5. Gelet op de omstandigheden dat (i) weliswaar sprake is van een kennelijke en evidente vergissing door de rechtbank maar die vergissing slechts (vrijwel) onmiddellijk kenbaar is voor iemand met enige kennis van het bestuursprocesrecht, en (ii) het met de fout gemoeide bedrag niet zeer gering is, is het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand voor het instellen van hoger beroep en het in dit verband maken van kosten – anders dan het geval was in de zaak bekend als Hof Amsterdam, 18 januari 2018, nr. 17/00017, ECLI:NL:GHAMS:2018:96 – niet onredelijk.

6. Belanghebbende heeft derhalve recht op vergoeding van de in hoger beroep gemaakte kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. Het Hof gaat daarbij uit van een wegingsfactor van 0,5 omdat het de zaak waarin uitsluitend nog de kosten in geschil zijn, kwalificeert als licht. Het Hof begroot de kosten in hoger beroep derhalve op 0,5 (gewicht) x 1 (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift) x € 501 = € 251.

7. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, voor zover het de beslissing omtrent de proceskosten betreft. Belanghebbende heeft recht op een (proces)kostenvergoeding van € 498 (bezwaar) + € 990 (beroep) + € 251 (hoger beroep) = € 1.739.

8. Belanghebbende heeft voorts recht op vergoeding van het voor het instellen van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 124). Het Hof zal, nu het hoger beroep is opgeroepen door een fout van de rechtbank, gebruik maken van de mogelijkheid op de voet van artikel 8:114 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat het voor het instellen van hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier wordt terugbetaald.

9. Er dient te worden beslist als hiervoor (onder “Beslissing”) is weergegeven.

De mondelinge uitspraak is gedaan op 21 augustus 2018 door mrs. N. Djebali, voorzitter en F.J.P.M. Haas en C.J. Hummel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.N. Oosterom als griffier. De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.