Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3136

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
07-08-2019
Zaaknummer
17/00583, 17/00587
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1232
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank terecht zelf in de zaak heeft voorzien. Daaraan doet niet af dat (1) belanghebbende thans klaarblijkelijk op zijn bij de rechtbank gedane verzoek is teruggekomen, en dat (2) er omtrent de feiten in de bezwaarfase verschil van mening was. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-06-2019
NTFR 2019/2173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 17/00583 en 17/00587

21 augustus 2018

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , te [woonplaats] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. A. van Velsen

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 16/2058 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 met dagtekening 1 mei 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd (hierna de Aanslag IB 2013), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.170. Bij afzonderlijke beschikking is een verzuimboete opgelegd van € 226 (hierna de Boete).

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 1 mei 2015 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 4.033 (hierna de Aanslag Zvw 2013).

1.3.

De inspecteur heeft bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 4 maart 2016 de Aanslag IB 2013 alsmede de Boete en de Aanslag Zvw 2013 gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 20 oktober 2017 als volgt beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor wat betreft de kostenvergoeding;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de uitspraken op bezwaar voor het overige in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 741; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.”

1.5.

De tegen deze uitspraken door belanghebbende ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 5 december 2017. De gronden in hoger beroep zijn door belanghebbende aangevuld bij brief van 1 februari 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op 2 augustus 2018 heeft het Hof van belanghebbende een nader stuk ontvangen.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2018. Belanghebbende is daar verschenen. Namens de inspecteur zijn verschenen D.A. van Rijn en mw. mr. S.J.J. Spinhof-Majoewskij. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiser is geboren op [geboortedatum] . Hij is ongehuwd en heeft twee kinderen: [kind 1] en [kind 2] , beiden geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser is op [oprichtingsdatum] samen met de gemachtigde een onderneming gestart met de naam “ [Y] ”. De activiteiten bestaan onder andere uit incassoverrichtingen en het geven van juridisch advies.

3. Eiser heeft in 2011 met zijn onderneming een resultaat behaald van -/- € 2.282. De aangegeven omzet voor de omzetbelasting bedraagt nihil en de verschuldigde omzetbelasting is -/- € 33.

4. Eiser heeft in 2012 met zijn onderneming een resultaat behaald van € 5.398. De aangegeven omzet voor de omzetbelasting bedraagt € 1.335 en de verschuldigde omzetbelasting is € 7.

5. Eiser heeft in 2013 een bedrag van € 10.967 inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking ontvangen van [werkgever] . Hierover is € 1.712 loonheffing ingehouden.

6. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 28 februari 2014 een uitnodiging tot het doen van aangifte ib/pvv 2013 uitgereikt.

7. Op verzoek van eiser is twee maal uitstel verleend voor het indienen van de aangifte ib/pvv 2013, uiteindelijk tot 1 november 2014.

8. Wegens het uitblijven van een aangifte heeft verweerder bij brief van 24 november 2014 een herinnering tot het doen van de aangifte ib/pvv 2013 verzonden. Vervolgens heeft verweerder bij brief met dagtekening 30 januari 2015 een aanmaning verzonden waarin eiser in de gelegenheid is gesteld om uiterlijk 13 februari 2015 de aangifte ib/pvv 2013 in te dienen. Eiser heeft voor deze datum geen aangifte gedaan. Verweerder heeft de onderhavige aanslagen met dagtekening 1 mei 2015 ambtshalve vastgesteld.

9. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser op 16 juni 2015 ontvangen. Verweerder heeft eiser met dagtekening 4 januari 2016 een voornemen tot afwijzen van het bezwaarschrift gezonden en gelegenheid geboden voor een reactie. Verweerder heeft bij brief van 29 januari 2016 gerappelleerd. Eiser heeft niet gereageerd. Bij uitspraken op bezwaar van 4 maart 2016 zijn de onderhavige aanslagen gehandhaafd.

10. Hangende het beroep hebben partijen geprobeerd een compromis te bereiken. Verweerder heeft eiser onder andere voorgesteld de aangifte alsnog in te dienen en jaarstukken te overleggen. Hierbij heeft verweerder te kennen gegeven dat hij, indien hij akkoord gaat, de aanslagen zal verminderen en de proceskosten zal vergoeden, of dat, indien hij niet akkoord gaat, de rechtbank uitspraak kan doen. Eiser heeft dit voorstel geaccepteerd.

11. Eiser heeft op 15 februari 2017 aangifte over 2013 gedaan naar een verzamelinkomen van -/- € 2.886, bestaande uit loon uit dienstbetrekking van € 10.967 en belastbare winst van -/- € 13.853. Eiser heeft daarbij geen jaarstukken overgelegd.

12. Per e-mailbericht van 2 maart 2017 heeft verweerder verzocht om een urenstaat en overige stukken waaruit blijkt dat hij in 2013 meer dan 1.225 uur aan zijn onderneming heeft besteed, en om facturen betreffende de aangegeven kosten van grond- en hulpstoffen / inkoopprijs van de verkopen en bankafschriften die zien op de betalingen van deze facturen. Eiser heeft per e-mailbericht van 14 maart 2017 een Excelbestand met betrekking tot de inkoopkosten toegezonden. Daarbij heeft eiser verzocht aan te geven welke facturen verweerder wenst te ontvangen. Tevens heeft eiser verzocht om uitstel voor het indienen van de urenstaat.

13. Verweerder heeft in reactie hierop bij e-mailbericht van 15 maart uitstel verleend tot 29 maart 2017. Hij heeft daarbij opgemerkt:

“De bewijslast om te voldoen aan het urencriterium betreft een vrije bewijsleer en de bewijslast ligt bij u. U mag dus met alle mogelijke middelen die u heeft aantonen dat de heer [X] in 2013 meer dan 1225 uur heeft besteedt aan zijn onderneming. Echter omdat de heer [X] geen aangifte heeft ingediend geldt ook nog de verzwaarde bewijslast. U moet dus niet aannemelijk maken dat er meer dan 1225 uur aan de onderneming is besteedt, maar het moet blijken uit de stukken die u meestuurt.

Daarnaast bedraagt de omzet in 2013 slechts € 2.244. Als de omzet zo laag is, wordt het erg lastig om aan te tonen dat er meer dan 1225 uur aan de onderneming is besteed.

[…]

Verder ontvang ik graag de nota’s en bankafschriften inzake de huur van het kantoor en de Raad van State.

Laatste voorstel

De aanslag wordt opgelegd volgens de door u ingediende aangifte, behalve de starters- en zelfstandige aftrek. En u trekt uw beroepschrift in en wenst geen hoorgesprek of inzage in de stukken; u ontvangt een proceskostenvergoeding conform besluit proceskosten bestuursrecht ter grootte van € 788,-”

14. Eiser heeft bij brief van 29 maart 2017 urenverantwoordingsstaten, nota’s en bankafschriften overgelegd. Hij heeft daarbij niet gereageerd op het laatste voorstel van verweerder.

15. Verweerder heeft eiser bij brief van 31 maart 2017 meegedeeld voornemens te zijn de aanslagen te handhaven. Ter toelichting heeft hij opgemerkt dat eiser niet heeft onderbouwd wanneer hij welke werkzaamheden heeft verricht en hoe lang hij hiermee bezig is geweest, dat geen aansluiting is gemaakt tussen de omzet en de directe uren, dat niet blijkt hoeveel uren eiser per opdracht heeft besteed, dat geen inzage is gegeven in de opdrachten en het aantal afnemers, dat geen onderbouwing is gegeven van de studie-uren en dat hij het aantal aan de administratie bestede uren niet aannemelijk acht gezien de beperkte omzet en kosten. Verweerder heeft eiser in deze brief in de gelegenheid gesteld om stukken in te komen zien en te worden gehoord op 5, 7 of 11 april 2017 aan de [locatie] . Eiser heeft in reactie hierop bij brief van 5 april 2017 te kennen gegeven geen gebruik te zullen maken van deze gelegenheid omdat de termijn te kort is, er slechts pro forma bezwaar is gemaakt, de locatie niet acceptabel is en verweerder niet heeft aangegeven welke bewijsstukken hij verlangt. Eiser verzoekt om opgave van specifieke bewijsstukken, een redelijke termijn van tenminste zes weken voor het indienen van aanvullende gronden en stukken en een hoorlocatie binnen 10 kilometer van zijn woonadres.

16. Voorafgaand aan de zitting van de rechtbank heeft eiser aanvullende gronden van het beroep ingediend, onder meer vergezeld van een overzicht van verkoopnota’s en een opstelling van totale inkopen en verkopen en een kassaldo per 31 december 2013, uitgedrukt in euro’s.”

2.2.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de feitenvaststelling door de rechtbank opgemerkt dat hij daarmee kan instemmen; met uitzondering van hetgeen de rechtbank onder 2 vaststelt dat hij “op [oprichtingsdatum] samen met de gemachtigde een onderneming (is) gestart”. Volgens belanghebbende is er sprake van een eenmanszaak die uitsluitend door hem wordt gedreven.

De inspecteur is - voor het overige - ook akkoord met de feitenvaststelling van de rechtbank. Derhalve zal het Hof van dezelfde feiten als de rechtbank uitgaan; met uitzondering van het feit dat belanghebbende de onderneming samen met de gemachtigde is gestart en drijft.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep het volgende in geschil:

  1. Welke gevolgen moeten worden verbonden aan de schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb?

  2. Zijn de Aanslagen IB 2013 en Zvw 2013 naar de juiste bedragen opgelegd?

  3. Is de Boete terecht vastgesteld?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

“Hoorplicht en toezending uitspraak op bezwaar

20.1.

Eiser heeft in bezwaar verzocht om te worden gehoord en verweerder heeft geen beroep gedaan op een van de omstandigheden als genoemd in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat een hoorzitting niet achterwege had mogen blijven. De grief van eiser slaagt derhalve in zoverre.

20.2.

Er is ook geen grond om aan dit gebrek voorbij te gaan. Verweerder heeft immers erkend dat er voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar geen overeenstemming was over de feiten. Het moet er daarom voor worden gehouden dat eiser door de schending van de hoorplicht is benadeeld.

20.3.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. Verweerder heeft terecht erkend dat de omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar niet aan de gemachtigde is gezonden een vormverzuim oplevert. Het is juist dat daaraan in casu geen consequenties moeten worden verbonden. Anders dan verweerder betoogt is de reden niet dat eiser in de gelegenheid is geweest de uitspraak op bezwaar zelf aan de gemachtigde door te sturen of verweerder te verzoeken dit te doen, aangezien verweerder op grond van het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb gehouden was dit uit eigen beweging te doen nu hem bekend was dat eiser zich door de gemachtigde liet vertegenwoordigen. De reden is dat eiser door de handelwijze van verweerder niet is benadeeld, nu hij tijdig beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar (vergelijk Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969).

20.4.

De conclusie luidt dat het beroep wegens schending van de hoorplicht gegrond is en dat de bestreden uitspraken op bezwaar moeten worden vernietigd. De overige grieven van eiser betreffende de gang van zaken in de bezwaarfase behoeven geen bespreking meer. De uitspraken op bezwaar zullen worden vernietigd. Eiser heeft de rechtbank verzocht uitspraak te doen en de zaak niet terug te wijzen naar verweerder voor een hernieuwde behandeling van het bezwaarschrift. De rechtbank ziet daarin aanleiding de zaak zelf af te doen.

21. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)).

22. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de AWR - voor zover hier van belang - is ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de AWR wordt met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door hem gestelde termijn van tenminste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte. In het derde lid is bepaald dat de inspecteur de belastingplichtige daarna kan aanmanen binnen een door hem gestelde termijn aangifte te doen.

23. Niet in geschil is dat verweerder eiser heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte en een herinnering en een aanmaning heeft verzonden, waarbij eiser in de gelegenheid is gesteld (uiteindelijk) uiterlijk 1 november 2014 aangifte over 2013 te doen. Voorts staat vast dat eiser niet vóór of op genoemde datum de aangifte ib/pvv 2013 heeft ingediend.

Eiser stelt dat het feit dat hij niet tijdig aangifte heeft gedaan hem niet kan worden tegengeworpen aangezien op het moment dat aangifte moest worden gedaan, nog geen duidelijkheid bestond over de kwalificatie van een lening als gevolg waarvan hij niet zonder enig voorbehoud aangifte kon doen. Daarnaast voert hij aan dat hij wegens zijn slechte financiële situatie zijn accountant niet kon betalen.

De rechtbank verwerpt dit betoog. Niet valt in te zien dat een verschil van inzicht over een juridische kwestie eiser zou verhinderen aangifte te doen. De omstandigheid dat eiser zijn boekhouder niet kon betalen komt voor zijn rekening en risico.

Uit het voorgaande volgt dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De rechtbank zal daarom overeenkomstig artikel 27e van de AWR het beroep ongegrond verklaren, tenzij is gebleken (dat wil zeggen: overtuigend aangetoond) dat en in hoeverre de bestreden uitspraak onjuist is.

24. Eiser heeft op 15 februari 2017 alsnog aangifte gedaan. Nadien heeft eiser nog stukken overgelegd. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

25.1.

Eiser claimt in de aangifte de zelfstandigen- en startersaftrek. De zelfstandigen- en starteraftrek zijn geregeld in artikel 3.76 van de Wet IB 2001 welk artikel, voor zover van belang, als volgt luidt:

“1. De zelfstandigenaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet.

(…)
3. Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 2123. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren.

4.(…)”

25.2.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, Wet IB 2001 wordt onder urencriterium verstaan: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.

25.3.

Op eiser rust ook zonder omkering de bewijslast dat hij aan het urencriterium voldoet. Verzwaring van de bewijslast is op dit punt daarom niet aan de orde (vgl. HR 3 februari 2006, nr. 41329, ECLI:NL:HR:2006:AV0821). Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De door eiser overgelegde stukken zijn daartoe ontoereikend. Het overzicht met het aantal gewerkte uren en een omschrijving van de werkzaamheden is niet afdoende met stukken onderbouwd. Voorts ontbreekt een aansluiting tussen de behaalde omzet en de directe uren. Eiser heeft geen inzage gegeven in de opdrachten en de bestede uren per opdracht. Met verweerder acht de rechtbank het aantal uren besteed aan administratie onwaarschijnlijk hoog, gelet op het geringe bedrag aan omzet en kosten. Ook heeft eiser de genoemde studie-uren niet geconcretiseerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de zelfstandigen- en de startersaftrek niet heeft verleend. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd niet heeft doen blijken dat en in hoeverre de bestreden uitspraak op bezwaar onjuist is.

26. Voor zover eiser het standpunt verdedigt dat het aan verweerder is om nader te concretiseren welke gegevens ontbreken, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Uitgangspunt is immers dat de bewijslast - al dan niet verzwaard - op eiser rust. Voorts heeft verweerder diverse malen gemotiveerd aangegeven waar het bij de onderbouwing door eiser aan schort. De rechtbank verwijst in dit verband naar de in overweging 12 tot en met 15 weergegeven correspondentie. Bovendien mag van eiser en zijn gemachtigde, gezien hun professionele activiteiten als gemachtigden in belastingzaken, worden verwacht dat zij ook uit zichzelf weten welke stukken dienen te worden ingebracht ter onderbouwing van een belastingaangifte.

27. Het ambtshalve vaststellen van een aanslag maakt niet dat verweerder deze naar willekeur mag opleggen dan wel handhaven. Dat betekent dat verweerder een redelijke schatting dient te maken (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder in gevallen als het onderhavige in het algemeen een zekere armslag heeft omdat hij niet kan beschikken over (betrouwbare) gegevens.

28. Niet in geschil is dat eiser in 2013 een bedrag van € 10.967 inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft ontvangen van [werkgever] . Daarnaast heeft verweerder een bedrag van € 4.033 als resultaat uit overige werkzaamheden in de heffing betrokken, waarbij verweerder aansluiting heeft gezocht bij het resultaat behaald in het jaar 2012, zijnde een bedrag van € 5.398. Dat verweerder over 2012 wel rekening heeft gehouden met de ondernemersfaciliteiten is gelegen in de omstandigheid dat - naar eiser niet heeft weersproken - de aangifte over 2012 zonder nader onderzoek is afgedaan.

Verweerder heeft voorts een voordeel uit sparen en beleggen van € 1.170 in aanmerking genomen. Eiser heeft niet onderbouwd dat er ten onrechte geen schulden in box 3 in aanmerking zijn genomen. De rechtbank concludeert dat de aanslagen zijn gebaseerd op een redelijke schatting.

Verzuimboete

29.1.

Verweerder heeft aan eiser een verzuimboete opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de AWR wordt met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door hem gestelde termijn van tenminste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte. In het derde lid is bepaald dat de inspecteur de belastingplichtige daarna kan aanmanen binnen een door hem gestelde termijn aangifte te doen. Indien de belastingplichtige de aangifte niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn (van aanmaning) heeft gedaan, vormt dit ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de AWR een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste € 1.134 kan opleggen. Verweerder heeft op grond van paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een verzuimboete opgelegd van € 226. Vaststaat dat eiser is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om uiterlijk 1 november 2014 aangifte ib/pvv over 2013 te doen en dat verweerder op deze datum de aangifte niet had ontvangen. Op die grond heeft verweerder derhalve terecht een verzuimboete opgelegd. De rechtbank acht de opgelegde boete passend en geboden.

29.2.

Eiser heeft aan zijn betoog dat hij geen schuld heeft aan het niet tijdig doen van aangifte dezelfde argumenten ten grondslag gelegd als weergegeven in overweging 23. Dienaangaande is van belang dat een verzuimboete tot doel heeft een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van een dergelijke boete is dan ook niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven. Volgens de Hoge Raad moet het beroep van een belanghebbende op avas worden gehonoreerd als hij stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat de aangifte tijdig is ingediend. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 23 is overwogen concludeert de rechtbank dat van avas in casu geen sprake is.

28. Voor zover eiser zich beklaagt over de gang van zaken bij de onderhandelingen tijdens de beroepsfase overweegt de rechtbank dat deze geen verband houdt met onderhavige geschil. Deze onderhandelingen zijn immers gestart nadat onderhavig beroep was ingesteld en hadden juist tot doel om een compromis te bereiken die een beslissing in de onderhavige zaak overbodig zou maken. De gang van zaken tijdens de onderhandelingen is derhalve aan het oordeel van de rechtbank onttrokken.

29. Gelet op het onder 19 overwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

30. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 741 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).”

5 Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de schending van de hoorplicht

5.1.1.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat vanwege de schending van de hoorplicht de rechtbank zijn beroep niet inhoudelijk had mogen behandelen, maar de zaak had moeten terugwijzen naar de inspecteur.

5.1.2.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank - gelet op belanghebbendes ter zitting in eerste aanleg gedane verzoek (”Ik verzoek de rechtbank om uitspraak te doen en de zaak niet terug te wijzen”, aldus het proces verbaal van de rechtbankzitting) - terecht zelf in de zaak voorzien. Daaraan doet niet af dat (1) belanghebbende thans klaarblijkelijk op zijn bij de rechtbank gedane verzoek is teruggekomen, en dat (2) er - zoals de rechtbank onder 20.2 ook overweegt - omtrent de feiten in de bezwaarfase verschil van mening was.

Met betrekking tot de aanslagen IB 2013 en Zvw 2013 en de verzuimboete

5.2.

Het Hof acht hetgeen de rechtbank onder 20.1 tot en met 30 heeft overwogen en geoordeeld juist en maakt die rechtsoverwegingen tot de zijne. Al hetgeen belanghebbende tegen de rechtbankuitspraak overigens heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Slotsom

5.3.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, M.J. Leijdekker en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.N. Oosterom als griffier. De beslissing is op 21 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.