Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3118

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
200.238.868/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:1466.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.238.868/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6252936 CV EXPL 17-19546

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 augustus 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. C.L. Berkel te Veenendaal,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. R.H.W. van Ewijk te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 3 mei 2018 in hoger beroep gekomen van het door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) onder bovenstaand zaaknummer op 27 maart 2018 gewezen vonnis tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde. De grieven tegen dit vonnis zijn in de appeldagvaarding opgenomen. Tevens zijn daarbij producties overgelegd.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- conclusie van eis ex artikel 347 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);

- incidentele memorie tot schorsing ex artikel 351 Rv;

- antwoordconclusie in het incident, met producties.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

[appellant] heeft incidenteel gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal schorsen totdat in hoger beroep op deze zaak is beslist.

[geïntimeerde] heeft in het incident geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit incident.

2 Beoordeling

in het incident:

2.1

Het gaat hier, samengevat en voor zover in het incident van belang, om het volgende. [appellant] huurt sinds 15 april 2002 van (de rechtsvoorvanger van) [geïntimeerde] ‘de winkel met bijbehorende dienstwoning op de eerste woonlaag van het perceel [adres] ’ (hierna: het gehuurde). Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak [adres] ontbonden (I) en [appellant] veroordeeld om deze onroerende zaak binnen drie maanden na de betekening van het vonnis te ontruimen (II). Daartoe heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat [appellant] het gehuurde, zonder toestemming van [geïntimeerde] en in strijd met de overeengekomen bestemming, in gebruik heeft als ijssalon/broodjeswinkel en voorts het gehuurde, terwijl dit niet was toegestaan, in ieder geval wat betreft de tegels aan de buitenzijde van de gevel heeft veranderd en daaraan reclameborden heeft aangebracht. Deze tekortkomingen rechtvaardigen, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de kantonrechter ontbinding van de huurovereenkomst. Daarnaast heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld in de proces- en nakosten (III en IV), de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard (V) en het meer of anders gevorderde afgewezen (VI).

2.2

Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis heeft [appellant] , kort gezegd, het volgende aangevoerd. Het vonnis is mede gebaseerd op een feitelijke en/of een juridische misslag. Door enkel voor het object [adres] de huurovereenkomst te ontbinden, heeft de kantonrechter onduidelijkheid over de reikwijdte van het vonnis laten bestaan. [geïntimeerde] heeft in zijn vordering dit object namelijk ‘gesplitst’ benoemd: [adres] voor de winkel en [adres] voor de bovenwoning. Verder heeft de kantonrechter miskend dat een ingebrekestelling noodzakelijk is om juridische consequenties aan een vermeende tekortkoming te kunnen verbinden. De kantonrechter heeft de brief van 14 juni 2017 van de raadsman van [geïntimeerde] kennelijk verkeerd geïnterpreteerd, aangezien die brief geen ingebrekestelling inhoudt. [appellant] is door [geïntimeerde] niet in staat gesteld om binnen een redelijke termijn alsnog na te komen; hem is slechts verzocht de overeenkomst zelf op te zeggen. Door niet aan dit onredelijke verzoek te voldoen, is [appellant] evenwel niet in verzuim geraakt en deze weigering is ook geen grond voor ontbinding, laat staan voor ontruiming. [appellant] heeft belang bij instandhouding van de huidige situatie totdat onherroepelijk op het hoger beroep is beslist, omdat hij het gehuurde reeds vanaf 2002 - en dus niet vanaf 2012 zoals de kantonrechter als feit heeft aangenomen - huurt en binnen de gegeven bestemming gebruikt. Ontruiming zal de continuïteit van zijn onderneming ernstig in gevaar brengen. Daarentegen wordt [geïntimeerde] thans op geen enkele wijze (door het gedrag van [appellant] ) in zijn belang van verhuurder van het object geschaad. Dit alles brengt mee dat tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis misbruik van executiebevoegdheid oplevert, aldus (nog steeds) [appellant] .

2.3

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.

2.4

Bij de beoordeling van de incidentele vordering neemt het hof tot uitgangspunt dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep slechts plaats is, indien tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal aan de orde zijn indien de executant, mede gelet op de - voor hem kenbare - belangen van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis ten uitvoer wordt gelegd. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

2.5

Niet gebleken is dat het bestreden vonnis klaarblijkelijk op een feitelijke of juridische misslag berust. Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog dat het dictum van dit vonnis onduidelijk zou zijn. De kantonrechter heeft (de nummering van) de winkel en de bovenwoning nergens in het vonnis gesplitst. In het vonnis is - onder 1.1 - expliciet aangegeven wat in het navolgende onder ‘het gehuurde’ moet worden verstaan, te weten “de winkel met bijbehorende dienstwoning op de eerste woonlaag van het perceel [adres] ”. Deze omschrijving van het gehuurde is ook, zo wordt in overweging 8 vermeld, opgenomen in het begin van de huurovereenkomst. Er kan dan ook geen enkele twijfel over bestaan dat de in het dictum onder I opgenomen ontbinding van “de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak [adres] ” op de winkel én de bovenwoning ziet en de onder II opgenomen veroordeling tot ontruiming van “deze onroerende zaak” eveneens. Voor zover [appellant] erover klaagt dat in het bestreden vonnis - wederom onder 1.1 - staat dat hij met ingang van 15 april 2012 huurder is van het gehuurde terwijl dat 15 april 2002 moet zijn, constateert het hof dat dit een kennelijke verschrijving is die verder geen invloed heeft gehad op de beoordeling: in de eerste zin van overweging 9 staat wél correct dat [appellant] de huurovereenkomst in 2002 is aangegaan en uit de overige overwegingen valt niet af te leiden dat de onjuiste vermelding onder 1.1 van de aanvangsdatum van de huurovereenkomst bij de beoordeling van het geschil door de kantonrechter een rol heeft gespeeld. De klacht van [appellant] dat de kantonrechter niet tot ontbinding en ontruiming had kunnen overgaan omdat een ingebrekestelling ontbreekt, althans dat de kantonrechter de brief van 14 juni 2017 verkeerd heeft geïnterpreteerd, kan niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een klaarblijkelijke (juridische) misslag. Of de beslissing van de kantonrechter waarop de klacht van [appellant] ziet juist is, kan pas bij de behandeling van de hoofdzaak aan de orde komen omdat het hof, door deze vraag thans te beantwoorden, buiten de grenzen van dit executiegeschil zou treden.

2.6

Voorts heeft [appellant] onvoldoende concreet onderbouwd dat zich na het bestreden eindvonnis feiten hebben voorgedaan dan wel aan het licht zijn gekomen die meebrengen dat tenuitvoerlegging van dat vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand bij hem zal doen ontstaan. Hoewel ontruiming van het gehuurde vermoedelijk gevolgen zal hebben voor de continuïteit van de onderneming van [appellant] , kan niet worden geoordeeld dat zich reeds daarom een noodtoestand als hiervoor bedoeld voordoet. De kantonrechter heeft bovendien aanleiding gezien om in dit geval een langere ontruimingstermijn te gunnen dan gevorderd, namelijk drie maanden. [appellant] heeft ook overigens, mede gezien hetgeen [geïntimeerde] hieromtrent naar voren heeft gebracht, niet voldoende aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, voordat in hoger beroep eindarrest zal zijn gewezen. Op grond van het vorenstaande oordeelt het hof dat de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis moet worden afgewezen.

2.7

Het hof zal [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak veroordelen in de kosten van het incident.

in de hoofdzaak:

2.8

In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerde] en zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing met betrekking tot de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 9 oktober 2018 voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerde] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, J.C.W. Rang en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018.