Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3111

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
200.222.978/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz. Ontslag op staande voet. Redelijke opdracht werkgever onvoldoende onderbouwd. In ieder geval rekening houden met de gerechtvaardigde belangen werknemer. Werknemer had een legitiem belang om niet zonder meer op het verzoek van werkgever (werken op een andere locatie) in te gaan. Werkgever had met werknemer in gesprek moeten gaan in plaats van zich star en weinig oplossingsgericht op te stellen. Geen dringende reden voor ontslag. Billijke vergoeding van € 10.000,- op zijn plaats.

Art. 7:677 lid 1, 7:671, 7:678 lid 2 onder j BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1188
RAR 2019/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.222.978/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 5778237 EA VERZ 17-204

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 augustus 2018

inzake

ISS NEDERLAND B.V. h.o.d.n. ISS Cleaning Services,

gevestigd te De Meern, gemeente Utrecht,

appellante in principaal beroep,

geïntimeerde in incidenteel beroep,

advocaat: mr. J.B. de Jong te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal beroep,

appellant in incidenteel beroep,

advocaat: mr. D.C.H.M. de Dood te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna ISS en [geïntimeerde] genoemd.

ISS is bij beroepschrift met bijlagen, ontvangen ter griffie van het hof op 13 september 2017, onder aanvoering van zeven grieven en aanbieding van bewijs in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) met bovengenoemd zaaknummer op 13 juni 2017 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt, zakelijk weergegeven, ertoe dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en:

- zal verklaren voor recht (hof: ter zitting is namens ISS verklaard dat haar verzoek zodanig dient te worden gelezen) dat het ontslag op staande voet door ISS terecht is gegeven;

- alsnog alle verzoeken van [geïntimeerde] zal afwijzen; en

- zal bepalen dat al hetgeen ISS inmiddels onverschuldigd op basis van de genoemde beschikking aan [geïntimeerde] heeft betaald door [geïntimeerde] binnen tien dagen na de te wijzen beschikking dient te worden terugbetaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf dagtekening van het beroepschrift tot de dag van algehele voldoening,

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

Op 15 december 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel appel, met bijlagen van [geïntimeerde] ingekomen, inhoudende in principaal appel, kort gezegd, het verzoek de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en de verzoeken van ISS af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt [geïntimeerde] de door de kantonrechter aan [geïntimeerde] toegekende billijke vergoeding van € 3.500,- bruto te verhogen tot € 64.500,- bruto dan wel een in goede justitie te bepalen hoger bedrag dan € 3.500,- bruto. Verder verzoekt [geïntimeerde] om ISS te veroordelen in de proceskosten in principaal appel en in incidenteel appel, waaronder de nakosten en rente.

Van ISS is op 27 februari 2018 een verweerschrift in incidenteel appel met bijlagen ontvangen.

Bij fax van 28 februari 2018 is van de zijde van [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen de inhoud van het verweerschrift in incidenteel appel. Dat bezwaar houdt in dat ISS vrijwel uitsluitend is ingegaan op het principaal appel, wat volgens [geïntimeerde] in strijd is met de goede procesorde. Ook acht [geïntimeerde] in deze stand van de procedure het overleggen van producties in principaal appel in strijd met de goede procesorde.

Hierop heeft ISS bij e-mail van 5 maart 2018 meegedeeld dat in het verweerschrift in incidenteel appel nadere feiten en omstandigheden zijn genoemd in het kader van het incidenteel appel. Nieuwe grieven zijn niet aangevoerd. Verder heeft te gelden dat de conventionele en de reconventionele verzoeken nauw met elkaar zijn verbonden. In elk geval zijn de belangen van [geïntimeerde] niet geschaad.

Op 14 maart 2018 zijn van ISS nadere producties ingekomen.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018. Bij die gelegenheid heeft namens ISS mr. De Jong voornoemd het woord gevoerd en namens [geïntimeerde] mr. De Dood voornoemd en mr. C.G. van der Wiel, advocaat te Amsterdam. Daarbij heeft mr. De Jong zich bediend van aan het hof overgelegde aantekeningen. Namens ISS zijn verschenen [X] (Accountmanager) en [Y] (Procesmanager). [geïntimeerde] is eveneens verschenen, vergezeld van een tolk in de Arabische en in de Marokkaanse taal. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord. Het hof heeft te kennen gegeven dat met de bezwaren van [geïntimeerde] tegen de inhoud van het verweerschrift in incidenteel appel in de beslissing rekening zal worden gehouden.

Ten slotte is uitspraak bepaald.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1 tot en met 1.6 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. ISS heeft aangevoerd dat de feiten onvolledig zijn weergegeven. Voor zover van belang zal het hof hiermee in het navolgende rekening houden. In deze zaak gaat het om het volgende.

2.1.

[geïntimeerde] , geboren [in] 1956, is op 12 november 2001 in dienst getreden bij ISS in de functie van schoonmaker. Zijn laatstelijk verdiende salaris bedroeg

€ 11,69 bruto per uur, exclusief vakantierechten en overige emolumenten. [geïntimeerde] werkte vijf dagen per week van 17.00 tot 20.00 uur voor ISS.

2.2.

Naast zijn werkzaamheden voor ISS was [geïntimeerde] sinds 2007 werkzaam bij Pantar. Hij werkte daar de ene week vier dagen en de ander week vijf dagen. Zijn werktijden waren van 8.00 uur tot 16.30 uur.

2.3.

In januari 2013 is [geïntimeerde] arbeidsongeschikt geraakt vanwege pijnklachten in

zijn rechterarm. In het kader van zijn re-integratie is [geïntimeerde] vanaf 7 oktober 2013 zijn werkzaamheden voor ISS op de locatie van [locatie 3] te [plaats] (verder: de locatie [locatie 3] ) gaan verrichten. Eind 2013 heeft [geïntimeerde] zijn

werkzaamheden volledig hervat. In augustus 2015 is [geïntimeerde] wederom arbeidsongeschikt geraakt. Begin maart 2016 is [geïntimeerde] beter gemeld.

2.4.

Bij brief van 11 oktober 2016 heeft ISS [geïntimeerde] overgeplaatst naar een andere locatie, het kantoor van [locatie 1] in Hoofddorp (verder: locatie [locatie 1] ). Hierop is namens [geïntimeerde] bij e-mail van 13 oktober 2016 aan ISS bericht dat deze locatie qua reisafstand en de daarmee gemoeide tijd voor [geïntimeerde] niet haalbaar was in verband met zijn werk bij Pantar. [geïntimeerde] reisde per bromfiets. [geïntimeerde] is op locatie [locatie 3] blijven werken. Partijen hebben over deze kwestie verder gecorrespondeerd.

2.5.

Vervolgens heeft ISS in een gesprek op 9 november 2016 en bij brief van diezelfde datum aan [geïntimeerde] meegedeeld dat hij werkzaamheden zou gaan verrichten op de locatie van [locatie 2] in [plaats] (verder: de locatie [locatie 2] ). [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze overplaatsing omdat - alhoewel [locatie 2] dichterbij Pantar was gelegen dan [locatie 1] - het hem niet zou lukken om binnen een half uur tijd van Pantar naar [locatie 2] te reizen. [geïntimeerde] is zich op de locatie [locatie 3] blijven melden en heeft aldaar werkzaamheden verricht. Bij brief van

6 december 2016 heeft [geïntimeerde] ISS gevraagd naar de reden van zijn overplaatsing, omdat zijn leidinggevende op de locatie [locatie 3] de door ISS opgegeven reden (‘er is geen werk meer’) ontkende.

2.6.

Bij e-mail van 16 december 2016 heeft ISS in reactie op de brief van 6 december 2016 aan de toenmalige belangenbehartiger van [geïntimeerde] meegedeeld dat de werkzaamheden van [geïntimeerde] bij de locatie [locatie 3] niet beschikbaar waren en - omdat [geïntimeerde] dat niet accepteerde en op deze locatie bleef komen - dat [geïntimeerde] op maandag 19 december 2016 niet op het terrein van [locatie 3] zou worden toegelaten. Op 19 december 2016 is [geïntimeerde] (uiteindelijk) onder politiebegeleiding van de locatie [locatie 3] verwijderd.

2.7.

In een brief van 21 december 2016 heeft ISS [geïntimeerde] verzocht om zijn werkzaamheden per 23 december 2016 bij [locatie 2] uit te voeren bij gebreke waarvan hij op staande voet zou worden ontslagen. Hieraan heeft [geïntimeerde] geen gehoor gegeven.

2.8.

Bij brief van 27 december 2016 heeft ISS aan [geïntimeerde] laten weten dat hij voor de laatste keer in de gelegenheid werd gesteld zijn werkzaamheden op de locatie [locatie 2] te hervatten en dat hij op 30 december 2016 vanaf 17.00 uur aldaar werd verwacht.

2.9.

Een e-mail van vrijdag 30 december 2016 (verzonden om 10:29 uur) van een medewerkster van ISS aan de schoondochter van [geïntimeerde] luidt als volgt: “Ik heb u net getracht te bellen inzake de heer [geïntimeerde] . U geeft in de voicemail aan dat de heer [geïntimeerde] in goed overleg afscheid wilt nemen bij ISS.

Graag verneem ik van u

2.10.

Bij brief van 3 januari 2017 is [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. In deze brief deelt ISS mede dat de dringende reden van het ontslag is gelegen in ongeoorloofd werkverzuim dan wel hardnekkig weigeren te voldoen aan redelijke opdrachten van ISS.

3 Beoordeling

Formele punten

Ontvankelijkheid verzoek

3.1.

In hoger beroep heeft ISS haar standpunt dat [geïntimeerde] zijn oorspronkelijke verzoekschrift tegen een niet bestaande vennootschap, ISS Cleaning Services B.V., heeft ingediend en om die reden in zijn verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gehandhaafd. Grief I in principaal appel is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een kleine omissie die kan worden verbeterd en dat ISS in haar belangen niet is geschaad, zodat [geïntimeerde] ontvankelijk is in zijn verzoekschrift met gewijzigd voorblad.

3.2.

Ter zitting heeft mr. De Jong verklaard dat ISS begreep dat het oorspronkelijke verzoekschrift van [geïntimeerde] tegen haar was gericht. Gelet hierop en in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad over deze kwestie (zie hiervoor de uitspraak van 11 september 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI4198) en de uitspraak van 27 mei 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT3193)) moet ISS in deze procedure vanaf het begin worden beschouwd als materiële procespartij mede omdat ‘ISS Cleaning Services B.V.’, de handelsnaam van ISS, in werkelijkheid niet anders kon zijn dan een aanduiding van ISS als materiële partij. Een in rechte te respecteren belang bij het beroep op die aanvankelijk onjuiste tenaamstelling ontbreekt dan ook, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Dit betekent dat grief I in principaal appel faalt.

Handtekening op beroepschrift ISS en ontbreken van pleitnota in procesdossier

3.3.

Ter zitting in hoger beroep heeft mr. De Jong zijn handtekening op het door ISS ingediende beroepschrift gezet. Hierop heeft [geïntimeerde] zijn bezwaar dat het beroepschrift van ISS niet is getekend door een bevoegde advocaat, ingetrokken.

3.4.

[geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat bij het door ISS ingediende beroepschrift stukken ontbreken, waaronder de pleitnota in eerste aanleg van [geïntimeerde] . Omdat dit verzuim door ISS niet is hersteld, dient ISS in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus [geïntimeerde] .

3.5.

Zolang een beroepschrift niet compleet is, dat wil zeggen niet (volledig) voorzien van de stukken uit de eerste aanleg, wordt een zaak in hoger beroep conform het procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven niet in behandeling genomen. In dat geval wordt aan verzoeker gelegenheid geboden de desbetreffende stukken alsnog binnen een door het hof te bepalen termijn te completeren. [geïntimeerde] heeft het door hem gestelde (en door ISS betwiste) verzuim gerepareerd door de pleitnota zelf alsnog in het geding in hoger beroep in te brengen. Daarmee is het belang van [geïntimeerde] bij het gestelde verzuim komen te vervallen, op grond waarvan dit verweer wordt verworpen.

Procesverloop hoger beroep

3.6.

Het hof merkt, naar aanleiding van de door [geïntimeerde] in zijn fax van 28 februari 2018 gemaakte bezwaren, het volgende op. Het staat een partij vrij om, naar aanleiding van de inhoud van het incidenteel beroepschrift, ter onderbouwing van zijn stellingen nieuwe feiten en omstandigheden aan te dragen. Verder is aan de orde dat in principaal appel en incidenteel appel dezelfde feiten en omstandigheden spelen die voor de beoordeling van het appel van belang zijn. Nieuwe grieven zijn door ISS niet aangevoerd. Ten slotte kunnen in procedures als de onderhavige tot zeven kalenderdagen voor de mondelinge behandeling producties in het geding worden gebracht. De bezwaren van [geïntimeerde] tegen de inhoud van het verweerschrift in incidenteel appel en het daarbij overleggen van producties zijn daarom ongegrond.

Inhoudelijk

3.7.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verzocht om, samengevat weergegeven,

ISS te veroordelen om binnen zeven dagen na de te wijzen beschikking over te gaan tot betaling van:

I. het achterstallig salaris in ieder geval over de maanden oktober 2016, november 2016, december 2016 en januari 2017, te vermeerderen met vakantierechten, de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW alsook de wettelijke rente;

II. het netto equivalent van dertig uren niet genoten vakantie, te weten het netto equivalent van € 378,75 bruto;

III. een vergoeding ex artikel 7:672 lid 10 BW wegens onregelmatige opzegging gelijk aan vier maanden salaris te vermeerderen met vakantierechten en overige emolumenten;

IV. het ten onrechte op het salaris ingehouden bedrag van € 25,00 bruto, te vermeerderen met vakantierechten, de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW alsook de wettelijke rente;

V. een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 onder a BW ten bedrage van

€ 45.000,- bruto dan wel een in goede justitie te bepalen vergoeding;

alsmede

VI. voor recht te verklaren dat ISS gehouden is om binnen zeven dagen na de te wijzen beschikking over te gaan tot betaling van de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW ten bedrage van € 11.163,96 bruto;

VII. ISS te veroordelen tot betaling van de proceskosten, waaronder nakosten en rente, binnen zeven dagen na de te wijzen beschikking.

3.8.

ISS heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.9.

In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is omdat van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt geen sprake is. De verzoeken van [geïntimeerde] zijn toegewezen, met dien verstande dat het achterstallig salaris tot 3 januari 2017 is toegewezen en een billijke vergoeding van € 3.500,- aan [geïntimeerde] is toegekend.

3.10.

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt ISS met haar grieven II tot en met VII in principaal appel op.

3.11.

Het hof zal de grieven II en IV tot en met VII gezamenlijk behandelen nu die grieven in de kern betrekking hebben op de vraag of ISS een dringende reden had om [geïntimeerde] op 3 januari 2017 op staande voet te ontslaan.

3.12.

De dringende reden die ISS aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd is gelegen in ongeoorloofd werkverzuim dan wel hardnekkige weigering te voldoen aan redelijke opdrachten van ISS door [geïntimeerde] door niet op de door ISS aangedragen locaties aan het werk te gaan. Op grond van artikel 8 van de op de arbeidsovereenkomst tussen partijen van toepassing zijnde cao mocht ISS in beginsel van [geïntimeerde] verlangen dat hij zijn werkzaamheden op een andere locatie zou gaan verrichten. Wel diende het verzoek binnen redelijke grenzen te vallen en rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van [geïntimeerde] (artikel 8 lid 2 cao en artikel 7:678 lid 2 onder j BW).

3.13.

Niet in geschil is dat [geïntimeerde] naar aanleiding van de verzoeken van ISS om op de locaties [locatie 1] en [locatie 2] te gaan werken zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat hij het vanaf Pantar waar hij tot 16.30 uur werkzaam was niet zou halen om vanaf 17.00 uur op die locaties voor ISS aan de slag te gaan. Ter zitting is namens [geïntimeerde] naar voren gebracht dat hij de afstand tussen de locatie van Pantar en de locatie [locatie 3] net haalde en dat hij heel soms net iets te laat op de locatie [locatie 3] aankwam. Dat is door ISS niet weersproken. Verder is aangevoerd dat [geïntimeerde] vreesde voor de gevolgen van het te laat op het werk komen. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] hiermee een legitiem belang had om niet zonder meer op de door ISS voorgestelde locaties te (willen) gaan werken. Gesteld noch gebleken is dat ISS aan [geïntimeerde] duidelijk heeft gemaakt waarom (juist) hij op een andere locatie werkzaamheden voor ISS diende te gaan verrichten. De enkele mededeling van ISS dat de werkzaamheden op de locatie [locatie 3] niet meer beschikbaar waren, volstond niet, te meer omdat de direct leidinggevende van [geïntimeerde] , [Z] , dat zou hebben betwist, aldus [geïntimeerde] . Verder is niet gebleken dat ISS aan [geïntimeerde] heeft aangeboden om structureel later dan om 17.00 uur op de nieuwe locaties met zijn werkzaamheden voor ISS te starten. De verklaring van [Y] dat hij op

19 december 2016 tegen [geïntimeerde] heeft gezegd dat hij ook vijf minuten later mocht beginnen op de locatie [locatie 2] , welke verklaring eerst bij verweerschrift in incidenteel appel in het geding is gebracht, acht het hof hiertoe onvoldoende. Dat [geïntimeerde] met de voorstellen van ISS niet akkoord ging, acht het hof dan ook niet onredelijk. ISS heeft in haar beroepschrift (punt 15, laatste alinea) betoogd dat zij zich geen zorgen zou maken om vier minuten extra reistijd voor [geïntimeerde] en dat met vier of tien minuten laten beginnen in de planning rekening kan worden gehouden. [geïntimeerde] heeft terecht aangevoerd dat dat niet strookt met het feit dat ISS niet is ingegaan op het bij e-mail van 16 februari 2017 gedane voorstel van de advocaat van [geïntimeerde] dat als [geïntimeerde] een kwartier later zou mogen beginnen hij werkzaamheden voor ISS op de locatie [locatie 2] zou kunnen gaan verrichten (productie 36 bij verweerschrift in hoger beroep). In plaats van met [geïntimeerde] in gesprek te gaan, heeft ISS star vastgehouden aan haar verzoeken. Zo heeft ISS op de e-mail van 13 oktober 2016 van de schoondochter van [geïntimeerde] waarin te kennen werd gegeven dat [geïntimeerde] liever op de locatie [locatie 3] bleef werken omdat het anders niet haalbaar was qua tijd i.v.m. zijn andere werk, bij e-mail van 24 oktober 2016 laten weten dat [geïntimeerde] niet zelf zijn werklocatie bepaalde, dat het geen mogelijkheid was om op de locatie [locatie 3] te blijven, dat [geïntimeerde] diezelfde avond werd verwacht op de locatie [locatie 1] en dat als [geïntimeerde] daar niet zou komen opdagen dat werd beschouwd als ‘geen arbeid geen loon’. Op de e-mail van 9 november 2016 van de schoondochter van [geïntimeerde] waarin om de reden werd gevraagd waarom [geïntimeerde] niet meer mocht/kon werken op de locatie [locatie 3] , liet ISS bij e-mail van 10 november 2016 weten dat zij duidelijk was geweest en dat [geïntimeerde] zich op 11 november 2016 diende te melden op de locatie Canon en dat als hieraan geen gehoor zou worden gegeven dat zou worden beschouwd als ‘geen arbeid geen loon’. Het hof is van oordeel dat ISS zich hiermee, gelet op de bij ISS inmiddels bekende bezwaren en belangen van [geïntimeerde] en gezien het feit dat [geïntimeerde] zich wel telkens meldde op de locatie [locatie 3] en daar ook feitelijk werkzaamheden verrichtte, telkens te star en weinig oplossingsgericht jegens [geïntimeerde] heeft opgesteld. In de brief van ISS van

27 december 2016 aan [geïntimeerde] is te kennen gegeven dat ISS bereid was om aan [geïntimeerde] een vaststellingsovereenkomst aan te bieden om in goed onderling overleg het dienstverband van [geïntimeerde] te beëindigen. Daarnaast is [geïntimeerde] voor de laatste keer in de gelegenheid gesteld zijn werkzaamheden te hervatten op de locatie Canon en meegedeeld dat de werktijden waren van 17.00 uur tot 20.00 uur. Dat laatste wijst erop dat ISS [geïntimeerde] nog steeds hield aan de strakke begintijden. In ieder geval kon [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof hieruit niet afleiden dat hij later dan 17.00 uur op de locatie [locatie 2] had mogen beginnen. Verder blijkt uit de e-mail die een medewerkster van ISS ’s ochtends op vrijdag 30 december 2016 aan de schoondochter van [geïntimeerde] heeft gezonden dat partijen trachtten telefonisch contact te krijgen over het voorstel van [geïntimeerde] om in onderling overleg afscheid van elkaar te nemen. Gelet hierop acht het hof het onbegrijpelijk dat ISS daags daarna, zonder in te gaan op deze uitnodiging, heeft besloten tot ontslag op staande voet over te gaan omdat [geïntimeerde] zich op 30 december 2016 in de namiddag niet op de locatie Canon had gemeld.

3.14.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat ISS onvoldoende heeft onderbouwd dat zij met het overplaatsen van [geïntimeerde] naar de locaties [locatie 1] en [locatie 2] een redelijke opdracht aan [geïntimeerde] heeft gegeven en verder dat ISS met betrekking tot de door haar gewenste overplaatsingen onvoldoende rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [geïntimeerde] . Hiermee heeft zij niet conform artikel 8 van de cao gehandeld. De door ISS aan [geïntimeerde] verweten gedragingen leveren daarmee geen dringende reden op als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW. Dat betekent dat het op 3 januari 2017 door ISS aan [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.

3.15.

Anders dan ISS ter toelichting op grief IV heeft betoogd, is de transitievergoeding (onder meer) niet verschuldigd indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig (cursivering door het hof) verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. ISS heeft niet aan haar stelplicht dat [geïntimeerde] vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten geen recht heeft op de transitievergoeding voldaan. Al om die reden kan grief IV niet slagen.

3.16.

De conclusie is dat de grieven II en IV tot en met VII in principaal appel geen doel treffen.

3.17.

Grief III in principaal appel komt op tegen het toekennen van een billijke vergoeding aan [geïntimeerde] en de hoogte hiervan die volgens ISS in verhouding moet staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever waarvan in casu geen sprake is. Met grief I in incidenteel appel richt [geïntimeerde] zich tegen de hoogte van de billijke vergoeding. [geïntimeerde] is van mening dat aan hem een billijke vergoeding van € 64.500,- bruto dan wel een hoger bedrag dan € 3.500,- bruto dient te worden toegekend. Nu deze grieven aan de orde stellen de vraag of aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding moet worden toegekend en zo ja, hoeveel die moet bedragen, zullen zij gezamenlijk worden behandeld.

3.18.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet worden geoordeeld dat ISS heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW door [geïntimeerde] ten onrechte ontslag op staande voet te geven. Dit maakt dat toekenning van een billijke vergoeding op haar plaats is. Met inachtneming van hetgeen de Hoge Raad in zijn beschikking van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187) heeft overwogen met betrekking tot de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding acht het hof de volgende omstandigheden van belang. [geïntimeerde] is thans 62 jaar oud, waarmee hij naar verwachting geen goede positie zal hebben op de arbeidsmarkt. Bovendien verrichtte [geïntimeerde] zijn schoonwerkwerkzaamheden voor ISS in de avonduren welke (bij)banen in de praktijk gewild zijn. [geïntimeerde] is zestien jaar in dienst geweest van ISS en heeft over het algemeen goed gefunctioneerd. Verder acht het hof de opstelling en handelwijze van ISS jegens [geïntimeerde] , zoals in 3.13 weergegeven, kwalijk. Zo wordt meegewogen dat ISS vrij snel is overgegaan tot een loonstop, welk middel niet lichtvaardig dient te worden ingezet, terwijl [geïntimeerde] al die tijd werkzaamheden is blijven verrichten. [geïntimeerde] heeft ter zake van de gevolgen van het ontslag recht op een transitievergoeding van € 11.163,96 bruto. Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding van € 10.000,- bruto toekomt

3.19.

Dit brengt mee dat ook grief III in principaal appel faalt en dat grief I in het incidenteel appel slaagt. De verzoeken van ISS in het principaal appel dienen derhalve te worden afgewezen.

3.20.

Nu ISS in principaal appel en in incidenteel appel in het ongelijk wordt gesteld, zal ISS zowel in principaal appel als in incidenteel appel in de proceskosten worden veroordeeld.

3.21.

ISS heeft geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden leiden. Haar bewijsaanbod wordt daarom als irrelevant gepasseerd.

3.22.

De slotsom is dat de beschikking waarvan beroep moet worden bekrachtigd, behoudens wat betreft de (hoogte van de) aan [geïntimeerde] toe te kennen billijke vergoeding.

4 Beslissing

Het hof:

in principaal appel en in incidenteel appel

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding van € 3.500,- bruto is toegekend;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt ISS om aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding van € 10.000,- bruto te betalen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

veroordeelt ISS in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, in principaal appel op € 1.788,- aan salaris, in incidenteel appel op € 894,- aan salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij deze beschikking uitgesproken veroordeling en betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, D. Kingma en

R.J.F. Thiessen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018.