Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3087

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
23-000363-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling. Glas in gezicht slachtoffer. Ontsierende en blijvende littekens. Verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Gevangenisstraf 1 maand voorwaardelijk met proeftijd 2 jaren en taakstraf 160 uren. Bewijsmiddelen uitgewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000363-17

datum uitspraak: 13 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer

13-128847-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

30 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 28 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere (diepe) snijwond(en) (in het gezicht), heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk (met kracht) met een (longdrink)glas, in elk geval een scherp voorwerp, tegen/op/in het gezicht, in elk geval het hoofd, te slaan en/of stompen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 28 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] (met kracht) met een (longdrink)glas, in elk geval een scherp voorwerp, tegen/op/in het gezicht, in elk geval het hoofd, heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 28 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het (met kracht) slaan en/of stompen met een (longdrink)glas, in elk geval een scherp voorwerp, tegen/op/in het gezicht, in elk geval het hoofd, van voornoemde [slachtoffer], waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bewijsverweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde. Zij heeft daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De verdachte heeft geen opzet gehad op de (poging tot) (zware) mishandeling. De verdachte weet niet wat er gebeurd is en daaruit volgt in ieder geval dat zij het glas dat zij in haar handen had niet bewust en niet met opzet in het gezicht van [slachtoffer] heeft gegooid of geslagen. Evenmin is sprake van voorwaardelijk opzet, nu de verdachte nimmer de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel zou oplopen. Het is niet uit te sluiten dat de ook in de club aanwezige [naam 1] het glas van de verdachte heeft geraakt, waarna dit glas daarna uit haar hand schoot en in het gezicht van [slachtoffer] terecht is gekomen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt

Het hof gaat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte was op 28 juni 2015 samen met een vriendin in club [club] in Amsterdam. In club [club] was ook de aangeefster [slachtoffer] aanwezig, samen met twee vriendinnen, [naam 1] en [naam 2]. De verdachte stond dicht tegen [naam 1] te dansen en had een (longdrink)glas in één van haar handen. [slachtoffer] zei op enig moment tegen de verdachte “Doe maar even niet”, waarop de verdachte antwoordde “Ik doe het lekker wel”. [slachtoffer] trok de verdachte, die wegliep, toen aan haar haren. Daarop maakte de verdachte een slaande beweging, met het glas in haar hand, in de richting van [slachtoffer] waardoor het glas het gezicht raakte, en het glas in stukken spatte. [slachtoffer] liep snijwonden en een ‘lapwond’ in haar gezicht op. Als gevolg van twee snijwonden (resp. 2 en 3,5 centimeter lang) met in totaal 7 hechtingen en een ‘lapwond’ (één centimeter lang) zijn in het gezicht van [slachtoffer] ontsierende en blijvende littekens ontstaan. De politierechter heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 27 januari 2017 waargenomen dat de littekens, 1,5 jaar na dato, nog goed zichtbaar waren. Uit een e-mail van [slachtoffer] van 30 juli 2018 maakt het hof op dat de littekens ook nu nog steeds goed zichtbaar zijn en dat zij rond de littekens (nog steeds) zenuwpijn ervaart.

Het hof is van oordeel dat het hiervoor beschreven, aan [slachtoffer] toegebrachte, letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.

De vraag die vervolgens voorligt, is of de verdachte (voorwaardelijke) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer]. Het hof beantwoord die vraag bevestigend en overweegt als volgt.

Uit de verklaring van de getuige [naam 1] komt naar voren dat de verdachte – nadat [naam 1] probeerde het glas uit haar handen te pakken en daarbij een tik op het glas gaf – het glas bleef vasthouden en met het glas in haar hand een snelle slaande beweging maakte naar het gezicht van [slachtoffer], waarbij [slachtoffer] vol op haar wang werd geraakt en het glas in het gezicht van [slachtoffer] uit elkaar spatte, waarna het bloed er meteen uit gutste. Het hof maakt hieruit op dat de verdachte het slachtoffer met kracht het glas in het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen. Ook uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat de verdachte [slachtoffer] met een glas in haar gezicht sloeg.

Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer waren gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Het verweer wordt dan ook verworpen. Het hof acht, gelet op het voorgaande, het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de feiten en omstandigheden die in de hierna weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 28 juni 2015 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten snijwonden in het gezicht heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk met kracht met een longdrinkglas in het gezicht te slaan.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2015146425-1 van 28 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 1-3).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 juni 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Op 28 juni 2015 was ik samen met twee vriendinnen, [naam 2] en [naam 1] gaan stappen op het Rembrandtplein in Amsterdam. We zijn naar [club] gegaan om nog even een drankje te doen. De [club] zit op het Thorbeckeplein. In de [club] zag ik dat twee meiden bij de trap stonden te dansen. Ik zag dat één van deze meiden heel dicht bij mijn vriendin [naam 1] kwam staan dansen en provocerend tegen haar aanstootte. In totaal heeft deze dame zich zo’n 15 minuten zo gedragen tegen mijn vriendin [naam 1]. Ik besloot deze dame aan te spreken en te vragen of ze ermee op wilde houden. Ik zei tegen haar: “Doe maar niet.” Ik hoorde dat zij zei: “Ik doe het lekker wel.” Ik ben vervolgens weer op de barkruk gaan zitten. Ik zat op dat moment met mijn linker wang in haar richting. In mijn ooghoek zag ik, vlak nadat ik mij had omgedraaid, [naam 1] een slaande beweging maken. Direct daarna voelde ik een harde klap aan de linkerzijde van mijn gezicht. Het gebeurde snel, het was een heel doffe klap. Ik kreeg gewoon een slag in mijn gezicht. Ik voelde direct met mijn handen aan mijn hoofd en voelde overal glassplinters. Ook zag ik dat mijn handen onder het bloed zaten en dat er bloed vanaf mijn gezicht op mijn kleding op de grond stroomde.

2. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015146425-13 van 30 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 5-6).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 juni 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Vraag: Hoe is het met u, hoe voelt u zich op dit moment?

Antwoord: Niet goed. Ik heb een gevoel aan mijn gezicht alsof mijn wang slaapt. Ik voel ook steken in mijn gezicht. Ik ben bij de huisarts geweest en die denkt dat misschien een aangezichtszenuw is geraakt.

Vraag: Heeft u het meisje zien slaan?

Antwoord: Ik zat schuin aan de bar. Ik zat met mijn linkerzijde naar het meisje toe. Ik zag dat mijn vriendin [naam 1] een slaande beweging naar het glas maakte en voordat ik het wist, in een fractie van een seconde, werd ik geraakt. Ik zag haar hand richting mijn gezicht komen.

3. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring – letselbeschrijving van 1 juli 2015, opgemaakt door drs. [arts 1], forensisch arts, betreffende [slachtoffer] (doorgenummerde pagina 9).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Datum/tijd maken letselbeschrijving 01-07-2015

Medische informatie betreffende [slachtoffer]

Geboortedatum 06-02-1982

Datum incident 28-06-2015

Opgegeven toedracht Dader sloeg mw met een glas in

het gelaat

Eerste hulp verleend Ja boven IJ zh

SEH diagnose Wonden gelaat zijn gehecht

Subjectieve klachten Pijnlijk gelaat.

Gevoelsstoornissen gelaat

Schatting duur verdere genezing zichtbaar letsel 3 weken

Past het letsel bij de opgegeven toedracht Goed

Letsels

- Gelaat links, gebied onder het linker oog geel. paars-blauwige verkleuring van de huis, pijnlijk bij aanraken, gebied van 5 bij 6 cm, verlopend vanaf neusrug naar middendeel wang.

- Linker gelaat, 3 stuks wonden, overhecht. 1e wond naast de neus, 2 cm met
2

hechtingen. 2e wond, bovenlipregio 3,5 cm met 5 hechtingen. 3e wond links naast de

mond, 1 cm, is gelijmd.

Past bij: Litteken

4. Een proces-verbaal van bekijken camerabeelden met nummer 2015146425 van 29 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 16-24).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant (over hetgeen hij heeft waargenomen op de camerabeelden van club [club]):

02.17.13: Ik zag een drietal vrouwen aan de bar zitten. Ik zag verder dat een vierde vrouw achter deze vrouwen al dansend heen en weer bewoog.

02.18.14: Ik zag dat de verdachte achter de drie vrouwen aan de bar dansend heen en weer bleef lopen. Ik zag dat de verdachte een glas in haar rechterhand vasthield.

02.18.29: Ik zag dat de verdachte met haar linkerhand een wijzende beweging maakte naar de aangeefster. De verdachte hield daarbij in haar rechterhand een glas vast.

02:18.32: Ik zag dat de verdachte met een arm een slaande beweging richting de aangeefster maakte.

02.18.33: Ik zag dat de aangeefster met haar linkerarm een beschermende beweging naar haar hoofde maakte. Ik zag verder dat verschillende lichte vlekken / spatten door de lucht vlogen.

02.18.41: Ik zag dat de aangeefster met haar handen naar haar gelaat ging. Ik zag dat de verdachte en vriendin 1 door verschillende personen uit elkaar werden gehaald. Ik zag dat vriendin 2 aan de aangeefster een doek gaf die door een persoon van achter de bar aan vriendin 2 werd gegeven.

Uit het door mij ingestelde onderzoek bleek dat:

Vriendin 1 is genaamd: [naam 2].

Vriendin 2 is genaamd: [naam 1].

5. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015146425-12 van 30 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 35-36).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 juni 2018 afgelegde verklaring van [naam 1]:

Ik was met mijn vriendinnen [naam 2] (het hof begrijpt: [naam 2]) en [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) in de [club]. Wij zaten aan de bar. Ik zat met mijn gezicht naar de bar gericht en mijn vriendinnen zaten schuin aan de bar. De vrouw (het hof begrijpt: de verdachte) maakte een beweging en ik dacht dat zij met het glas zou gaan slaan naar [slachtoffer]. De vrouw had namelijk de hele tijd een gevuld longdrinkglas in haar hand. Ik gaf een tik op het glas, maar de vrouw bleef het glas vasthouden. De vrouw maakte toen meteen een snelle slaande beweging, met het glas in haar hand, naar het gezicht van [slachtoffer]. [slachtoffer] werd vol op haar wang geraakt. Het glas spatte in haar gezicht uit elkaar. Ik zag meteen dat het bloed eruit gutste. Ik zag dat [slachtoffer] haar hand ervoor hield. Ik zag dat het bloed langs haar hand liep en op haar sjaal druppelde.

6. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015146425-6 van 28 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (doorgenummerde pagina’s 32-34).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 juni 2015 afgelegde verklaring van [getuige]:

Op 28 juni 2015 zat ik aan de bar. Ik zag het slachtoffer schuin tegenover mij zat. Ik zag dat dat andere meisje, de dader, langs haar liep. Ik zag dat het slachtoffer wat tegen de dader zei. Ik zag dat de dader meteen met een glas het slachtoffer in haar gezicht sloeg. Ik zag dat het slachtoffer aan de linkerkant van haar gezicht onder het bloed zat.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op (putatief)noodweer toekomt en dat zij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van het feit dat op het moment dat [slachtoffer] de verdachte aan haar haren trok, sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waartegen verdediging geboden was.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van verdediging van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waarbij de wijze van verdediging dient te voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Naar het oordeel van het hof was, op het moment dat [slachtoffer] de verdachte aan haar haren trok, sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer], waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Het door de verdachte toegepaste geweld stond echter in geen enkele verhouding tot de ernst van de aanranding en was derhalve disproportioneel. Het beroep op noodweer slaagt derhalve niet.

Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan het beroep op putatief noodweer.

Tenslotte overweegt het hof dat de raadsvrouw desgevraagd meermalen en ogenschijnlijk in afwijking van de inhoud van haar pleitnota te kennen heeft gegeven geen beroep te doen op noodweerexces. Voor zover het betoog van de verdachte zelf wel moet worden opgevat als een beroep op noodweerexces, kan dit niet slagen bij gebreke van (voldoende) feitelijke onderbouwing nu zij slechts heeft gesteld dat zij door het trekken aan haar haren ‘werd getriggerd’ vanwege een eerdere traumatische ervaring met haar buurman, zonder dat zij heeft gesteld in welke gemoedsbeweging dit ‘getriggerd’ worden, resulteerde, laat staan dat zij heeft gesteld dat daardoor een zodanig heftige gemoedsbeweging werd veroorzaakt dat deze haar bracht tot het plegen van het feit.

Voor zover de verdediging heeft beoogd dat de verdachte in putatief noodweerexces heeft gehandeld, moet dit verweer, zo al juridisch voorstelbaar, eveneens worden verworpen bij gebrek aan onderbouwing.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien daarvan uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van

2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting, alsmede een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht geen voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen op de grond dat de verdachte haar huis niet uit komt, met als gevolg schending van de bijzondere voorwaarden, zodat dit uiteindelijk zal leiden tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Voorts heeft de raadsvrouw om diezelfde reden verzocht geen taakstraf op te leggen, omdat de verdachte deze taakstraf niet zou kunnen uitvoeren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer met een longdrinkglas met kracht in het gezicht te slaan. Het longdrinkglas heeft het linker aangezicht van het slachtoffer geraakt, waardoor zij diverse snijwonden heeft opgelopen. Dit heeft geleid tot blijvende en ontsierende littekens. Voorts ervaart het slachtoffer nog steeds zenuwpijn rond de littekens. Door het plegen van dit feit heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Daarnaast heeft zij het slachtoffer door haar handelen voor het leven getekend. Het hof rekent dit de verdachte ernstig aan.

Het hof heeft kennis genomen van het omtrent de verdachte opgemaakte rapport van 5 maart 2018 van drs. [arts 2] (arts in opleiding tot psychiater), onder supervisie van dr. [psychiater] (psychiater). Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte heeft een borderline persoonlijkheidsstoornis (een gebrekkige ontwikkeling van geestvermogens) en een stoornis in het gebruik van cannabis (een ziekelijke stoornis van de geestvermogens). De borderline persoonlijkheidsstoornis van de verdachte brengt mee dat zij een fors negatief en instabiel zelfbeeld heeft, waardoor zij zich al bij en geringe aanleiding aangevallen voelt.

In het verleden is bij de verdachte een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) vastgesteld, maar het is in het onderhavige onderzoek niet mogelijk gebleken deze diagnose te bevestigen.

Ten tijde van het tenlastegelegde was hoogstwaarschijnlijk sprake van een gestoorde impulsbeheersing en woede-uitbarsting, voortkomend uit de borderline persoonlijkheidsstoornis. De borderline persoonlijkheidsstoornis is een chronische aandoening bij de verdachte. Mogelijk beïnvloede de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens de gedragskeuzes en gedragingen deels ten tijde van het tenlastegelegde. Gebaseerd op het onzekere verband tussen de diagnostische bevindingen en het tenlastegelegde en rekening houdend met de ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis, kan ten hoogte overwegen worden haar het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Waarschijnlijk was de verdachte in verminderde mate in staat de gevolgen van haar gedragingen in te zien dan wel te beïnvloeden. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke detentie op te leggen met verplicht toezicht van de reclassering. Als bijzondere voorwaarde is te noemen het zich laten behandelen voor de borderline persoonlijkheidsstoornis ter verlaging van het recidiverisico.

Op grond van dit rapport komt het hof tot de slotsom dat het bewezenverklaarde feit slechts in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het hof heeft overigens kennis genomen van de schriftelijk geuite kritiek van de verdachte op dit rapport.

Het hof heeft voorts kennis genomen van een reclasseringsadvies van 27 september 2016 en de e-mail van [naam 3], Reclassering Nederland, van 23 juli 2018 met een beknopt advies met betrekking tot de verdachte. In dit advies conformeert de reclassering zich aan het advies van voornoemde psychiater in opleiding, waarbij wordt opgemerkt dat de behandeling van de verdachte in eerste instantie gericht zal moeten zijn op de borderline persoonlijkheidsstoornis. De reclassering acht de bijzondere voorwaarden (meldplicht en behandelverplichting, zoals eerder geadviseerd, nog steeds passend.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 juli 2018 is de verdachte niet eerder voor een geweldsdelict met politie en/of justitie in aanraking geweest.

Het bewezenverklaarde feit is een ernstig misdrijf waarvoor, mede gelet op de uitgangspunten zoals deze voor zaken als de onderhavige zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), een gevangenisstraf van 3 maanden geïndiceerd wordt geacht. Het hof ziet in dit geval aanleiding daarvan af te wijken. Het hof acht het niet opportuun de verdachte, gelet op haar persoonlijke omstandigheden en psychische problematiek, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Voorts houdt het hof in strafmatigende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Gelet op het voorgaande, acht het hof, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, passend en geboden. Daarbij zullen als bijzondere voorwaarden worden gesteld een meldplicht en een behandelverplichting voor de borderline persoonlijkheidsstoornis en eventuele PTSS van de verdachte. De enkele stelling van de raadsvrouw dat de verdachte haar huis niet uitkomt en daardoor geen taakstraf kan vervullen, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat de verdachte zich, binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het arrest, meldt bij de reclassering en zich hierna zo frequent en zo lang zal blijven melden zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    dat de verdachte zich laat behandelen voor haar borderline persoonlijkheidsstoornis en/of eventuele PTSS bij De Waag of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. M. Lolkema en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van

mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 augustus 2018.

[.......]