Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3070

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
23-003670-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid winkeldiefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003670-17

datum uitspraak: 27 augustus 2018

TEGENSPRAAK (bepaaldelijk gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen

het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2017 in de strafzaak

onder parketnummer 13-177349-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

zij op of omstreeks 09 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, meerdere snoep- en/of chocolade-artikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf], vestiging [adres 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders;

subsidiair:
[medeverdachte] op of omstreeks 09 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, meerdere snoep en/of chocolade-artikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf], vestiging [adres 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of aan verdachte, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 09 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door, toen en daar, daarbij op de uitkijk te gaan staan en/of, een of meer, handelingen van/door genoemde [medeverdachte], aan het zicht heeft onttrokken, door dicht bij en/of voor en/of naast genoemde [medeverdachte] te gaan staan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking van een verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte

moet worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde, omdat onvoldoende vaststaat dat de handelingen van de verdachte erop wijzen dat zij de diefstal heeft vergemakkelijkt. Uit het dossier

blijkt immers niet voor wie zij de diefstal buiten het zicht zou hebben gehouden. Gerelateerd is enerzijds dat te zien is dat de medeverdachte artikelen wegneemt en anderzijds dat dit niet te zien is omdat de verdachte ervoor is gaan staan, zodat de vraag kan worden gesteld voor wie de verdachte dan afschermt: de camera of de kassa? Daarnaast heeft zij spullen teruggelegd, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 11 september 2017 van verbalisant [verbalisant] blijkt dat op de camerabeelden is te zien dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in [bedrijf] een winkelpad inlopen en bij een schap blijven staan. Op de beelden is zichtbaar dat [medeverdachte] ongeveer vier artikelen uit het schap pakt en wegstopt onder haar jas. De verdachte gaat er voor staan zodat het niet direct in het zicht is. De verdachte legt een van de goederen terug in het schap.

Bij de aanhouding van de verdachte en [medeverdachte] is een zwarte tas met gestolen goederen aangetroffen. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat de zwarte tas in de binnenkant van haar jas hing. Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt dat op de camerabeelden is te zien dat ook de verdachte met de zwarte tas in de winkel heeft gelopen.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de verdachte wist dat [medeverdachte] de artikelen uit het schap pakte om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen. Door zodanig te gaan staan dat het zicht op de handelingen van [medeverdachte] werd belemmerd, is de verdachte opzettelijk behulpzaam geweest bij het plegen van die diefstal. Voor wie of wat de verdachte daarbij de diefstal heeft willen afschermen van de camera of van de kassa - of wellicht van alle twee - is daarbij niet relevant. Aan het voorgaande doet evenmin af dat de verdachte één van de artikelen die door [medeverdachte] uit het schap zijn gepakt, heeft teruggelegd. Dit is naar het oordeel van het hof geen aanwijzing dat de verdachte zich aan de diefstal van de andere goederen heeft onttrokken. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
[medeverdachte] op 9 september 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen meerdere snoep en chocolade-artikelen, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf], vestiging [adres 2], bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 9 september 2017 te Amsterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest door, toen en daar, handelingen van genoemde [medeverdachte] aan het zicht te onttrekken, door dicht voor genoemde [medeverdachte] te gaan staan.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als

door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft

daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een winkeldiefstal.

Winkeldiefstal is een vervelend feit dat naast schade vaak veel hinder veroorzaakt voor het gedupeerde bedrijf. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 augustus 2018 is zij eerder ter zake van diefstal onherroepelijk veroordeeld. Dat heeft haar er niet van weerhouden een nieuw vermogensdelict te plegen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 48, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. S. Clement en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 augustus 2018.

Mr. M. Senden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.