Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3063

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
23-004430-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte deels niet-ontvankelijk in hoger beroep. Veroordeling overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Toepassing van artikel 423, vierde lid, Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004430-17

datum uitspraak: 23 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 96-147916-17 en 96-127642-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep in de zaak met parketnummer 96-127642-17

De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 9 oktober 2017 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is op 10 juli 2017 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De verdachte is op 9 oktober 2017 bij verstek veroordeeld. Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 14 december 2017.

Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld en het hof niet van omstandigheden is gebleken die deze termijnoverschrijding verschoonbaar zouden maken, zal de verdachte ten aanzien van de zaak met parketnummer 96-127642-17 niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 96-147916-17:
hij op of omstreeks 21 juni 2017 te Oostzaan als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Rijksweg A8, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking van een ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-147916-17 ten laste gelegde gevoerd verweer

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op basis van de stukken in het dossier niet bewezen kan worden dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Het rijbewijs van de verdachte is op 30 mei 2017 van de verdachte ingevorderd. Uit de kennisgeving van ontvangst van het ingevorderde rijbewijs blijkt dat de verbalisant het rijbewijs op 30 mei 2017 ook feitelijk van de verdachte heeft ontvangen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het rijbewijs van de verdachte op die datum is ingeleverd. Bij besluit van 9 juni 2017 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs twee maanden ingehouden zal blijven, tot uiterlijk 29 juli 2017. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte wist dat hij zijn rijbewijs nog niet had teruggekregen. Hij heeft namelijk verklaard dat hij met zijn auto langs meerdere politiebureaus was gereden op zoek naar zijn rijbewijs.

Dat is voor dit ten laste gelegde feit toereikend om tot bewezenverklaring te kunnen komen en het hof acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Het hof overweegt ten overvloede dat het in hetgeen is aangevoerd noch overigens enig aanknopingspunt ziet om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake zou zijn geweest van afwezigheid van alle schuld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-147916-17 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 juni 2017 te Oostzaan als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Rijksweg A8, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 96-147916-17 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 96-147916-17 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 96-147916-17 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-147916-17 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf in de zaak met parketnummer 96-147916-17

De politierechter heeft de verdachte voor het in de gevoegde zaken met parketnummer 96-147916-17 en met parketnummer 96-127642-17 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 96-147916-17 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken waarvan 1 week gevangenisstraf voorwaardelijk.

De raadsman van de verdachte heeft op grond van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. De verdachte verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde in een moeilijke situatie. Hij is zijn huis en gezin kwijt geraakt en dat heeft hem flink aangegrepen, waardoor bij de verdachte sprake was van flink alcoholmisbruik. Sinds korte tijd zijn er positieve ontwikkelingen in zijn leven, in die zin dat hij een nieuwe woning heeft binnen een begeleid kader en dat hij weer contact heeft met zijn gezin. De verdediging heeft met een schrijven van de reclassering de actuele begeleiding onderbouwd en toegelicht. De verdachte staat onder reclasseringstoezicht en hij heeft sinds kort een baan. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de positief ingeslagen weg en de opgezette begeleiding in grote mate doorkruisen. Het behoud van de woning zou voor de verdachte bovendien in het gedrang kunnen komen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf in de zaak met parketnummer 96-147916-17 bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte reed in een personenauto, terwijl hij op dat moment niet tot rijden bevoegd was. Zijn rijbewijs was immers gevorderd en nog niet aan hem teruggegeven. Daarmee heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan besluiten van overheidswege die met het oog op de verkeersveiligheid zijn genomen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juli 2018 is hij eerder ter zake van strafbare feiten, ook die de verkeersveiligheid raken, onherroepelijk tot straffen veroordeeld.

Een gevangenisstraf zoals door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd is dan ook in beginsel alleszins passend. In het voordeel van de verdachte houdt het hof echter rekening met voornoemde gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Het is onwenselijk, ook vanuit het oogpunt van het maatschappelijke belang om herhaling van het plegen van misdrijven te voorkomen, deze positieve ontwikkelingen te doorkruisen door het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, daar waar een geschikt alternatief in strafoplegging mogelijk is.

Gelet op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden die zich hebben voorgedaan en het aanwezige kader waarin de benodigde begeleiding van de verdachte thans is vormgegeven, ziet het hof aanleiding af te wijken van de straf zoals door de politierechter opgelegd en zoals door de advocaat-generaal gevorderd, en acht het hof, alles afwegende, de oplegging van een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor de zaak met parketnummer 96-127642-17

Nu de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-127642-17 ten laste gelegde en het vonnis in eerste aanleg voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, dient het hof overeenkomstig het gestelde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering een straf voor het in die zaak bewezenverklaarde misdrijf, te weten overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, te bepalen. De politierechter heeft, als reeds hiervoor vermeld, de verdachte voor het in de gevoegde zaken met parketnummer 96-147916-17 en met parketnummer 96-127642-17 bewezen verklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

Het hof gaat ervan uit dat een gedeelte van die straf tot een duur van 10 dagen moet worden geacht te zijn opgelegd in de zaak met laatstvermeld parketnummer. In het voordeel van de verdachte zal het hof de straf echter bepalen als hieronder vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-127642-17 ten laste gelegde.

Bepaalt de door de politierechter opgelegde straf voor het in de zaak met parketnummer 96-127642-17 bewezen verklaarde op een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) dagen.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-147916-17 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 96-147916-17 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. F.M.D. Aardema en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van A.D. Renshof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 augustus 2018.

mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest te ondertekenen.