Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3062

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
23-003805-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeeld wegens rijden onder invloed en rijden met een ingevorderd en eveneens ongeldig verklaard rijbewijs. Voorwaardelijke gevangenisstraf en voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003805-17

datum uitspraak: 23 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 96-242319-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2018.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 31 oktober 2014 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 525 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2:
hij op of omstreeks 31 oktober 2014 te Amsterdam terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Apollolaan, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

3:
hij op of omstreeks 31 oktober 2014 te Amsterdam als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Apollolaan, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 31 oktober 2014 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 525 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2:
hij op 31 oktober 2014 te Amsterdam terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Apollolaan, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;
3:
hij op 31 oktober 2014 te Amsterdam als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Apollolaan, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 650,-, subsidiair 13 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met aftrek. Voorts heeft de politierechter de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 650,-, subsidiair 13 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de verdachte niet te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar op grond van het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte de straffen te beperken tot die welke de door de advocaat-generaal zijn gevorderd, met dien verstande dat de geldboete en de ontzegging van de rijbevoegdheid worden gematigd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Op 31 oktober 2014 heeft de verdachte op de openbare weg onder invloed van alcohol een personenauto bestuurd. Nu het alcoholgehalte in zijn adem aanzienlijk hoger was dan wettelijk is toegestaan heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zich niet gedragen overeenkomstig zijn verantwoordelijkheid als bestuurder van een motorvoertuig in het wegverkeer.

Voorts was zijn rijbewijs op die datum ingevorderd en eveneens ongeldig verklaard.

Door desondanks een personenauto te besturen heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan besluiten van overheidswege die met het oog op de verkeersveiligheid zijn genomen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juli 2018 is aan hem één keer eerder ter zake van rijden onder invloed een geldboete en een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd.

In beginsel zou gelet op het voorgaande, in het bijzonder gelet op de ernst van de feiten, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast voor feit 1 een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van substantiële duur, passend kunnen worden geacht. Het hof weegt echter in het voordeel van de verdachte mee dat hij er ter terechtzitting blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen van toentertijd, bijna vier jaar geleden, in te zien en dat hij nadien is begonnen een wending ten goede aan zijn leven te geven, hetgeen overigens ook tot uitdrukking komt in voornoemde documentatie.

Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur voor de feiten 1, 2 en 3 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor feit 1 als hieronder aangegeven passend en geboden.

Met oplegging van deze voorwaardelijke straffen wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. F.M.D. Aardema en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van A.D. Renshof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 augustus 2018.

mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest te ondertekenen.