Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3061

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
23-003551-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak bedreiging. Veroordeeld wegens wederspannigheid jegens handhavers in het openbaar vervoer tot een taakstraf. Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003551-17

datum uitspraak: 23 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-161539-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij, op of omstreeks 21 augustus 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Als ik een mes bij me had, had ik je neergestoken, ik heb een mes in mijn kont", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2:
hij, op of omstreeks 21 augustus 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], allen buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van het vervoerbsbedrijf GVB en werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn/hun/haar bediening, te weten de aanhouding van verdachte terzake overtreding van artikel 70 Wet Personenvervoer 2000, door zich met kracht los proberen te rukken en/of trekken uit de greep van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier vast dat de verdachte de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen “Als ik een mes bij me had, had ik je neergestoken, ik heb een mes in mijn kont”, of woorden van die aard of strekking, tegenover de aangever, buitengewoon opsporingsambtenaar [slachtoffer 1], heeft gebezigd. Deze uitlatingen kunnen echter niet leiden tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit nu deze bewoordingen door de verdachte zijn geuit als antwoord op de vraag -tijdens de veiligheidsfouillering- of hij scherpe voorwerpen bij zich had. Hierin ligt, mede gelet op de context, niet zozeer besloten dat de verdachte dreigde een mes te gebruiken jegens de verbalisant doch veeleer dat hij tot uitdrukking heeft willen brengen geen mes bij zich te hebben. Dat de bewoordingen weinig subtiel waren en een agressieve lading droegen doet daaraan niet af.

Derhalve kon bij de aangever niet de redelijke vrees ontstaan dat een misdrijf als bedoeld in de tenlastelegging zou worden gepleegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op 21 augustus 2017 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], allen buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van het vervoersbedrijf GVB en werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte ter zake overtreding van artikel 70 Wet Personenvervoer 2000, door zich met kracht los proberen te rukken en trekken uit de greep van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer 2017178298 van 21 augustus 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [slachtoffer 1] [doorgenummerde pagina’s 11-13].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik, in dienst van GVB Exploitatie B.V. in de gemeente Amsterdam, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, aangesteld in domein IV openbaar vervoer en beëdigd, en derhalve bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten zoals in de akte van beëdiging gesteld, standplaats Amsterdam, verklaar:

Op 21 augustus 2017 te Amsterdam bevond ik mij tezamen met collega’s in uniform gekleed en met handhaving belast, in buslijn 37 van GVB. In voornoemde buslijn hield ik aan [verdachte], geboren [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats], als verdachte van het overtreden van artikel 70 van de Wetpersonenvervoer 2000 en artikel 447E van het Wetboek van Strafrecht.

Onmiddellijk na zijn aanhouding zag en voelde ik dat de verdachte met kracht begon te rukken en te trekken in een andere richting dan dat ik hem trachtte te geleiden. Ik zei hierop tegen de verdachte: “als u niet meewerkt, gaan wij geweld gebruiken”. Ik zag en voelde dat de verdachte zijn verzet niet staakte, ik voelde dat de man met kracht bleef rukken en trekken. Ik zag dat collega’s [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bij mij kwamen staan en de arm van de verdachte probeerden te fixeren teneinde de transportboeien aan te leggen bij de verdachte. Na enige tijd lukte het om de verdachte de transportboeien aan te leggen en hadden wij de controle.

2. Een geschrift, te weten een niet-ondertekend proces-verbaal van bevindingen zonder nummer opgemaakt door opsporingsambtenaar [slachtoffer 2] [doorgenummerde pagina’s 7-9].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik, in dienst van GVB Exploitatie B.V. in de gemeente Amsterdam, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, aangesteld in domein IV openbaar vervoer en beëdigd, bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten zoals in de akte van beëdiging gesteld, standplaats Amsterdam, verklaar:

Op 21 augustus 2017 bevond ik mij, tezamen met collega’s in uniform gekleed en met handhaving belast, in buslijn 37 van GVB, te Amsterdam.

Ik zag dat de verdachte totaal niet met mijn collega mee wilde werken en hielp mijn collega [slachtoffer 1] de verdachte een stap achteruit te zetten in een hoek van de bus. Wederom probeerde de verdachte zich los te rukken en door ons heen naar buiten te gaan. Ik hoorde mijn collega de verdachte waarschuwen dat wij geweld zouden gebruiken als hij zijn verzet niet zou staken. Ik zag en voelde dat de verdachte zijn verzet niet staakte.

Er ontstond een worsteling met de verdachte waarbij ik en de andere collega’s tevergeefs probeerden de man onder controle te brengen en hem te fixeren. De verdachte rukte zich constant los en probeerde aldoor weg te draaien. Op een gegeven moment hadden mijn collega [slachtoffer 3] en ik één arm redelijk onder controle waarop ik mijn boeien pakte om alvast deze arm aan te leggen. Ondertussen was [slachtoffer 1] bezig met de andere arm van de verdachte maar de verdachte bleef zich hevig verzetten. Zelfs zo erg dat de verdachte mijn boeien uit mijn handen tikte met zijn lichaam. Ik zag dat mijn boeien op de grond lagen en wilde deze pakken. Ik zag dat de verdachte met zijn voet probeerde de boeien weg te schoppen, toen dat niet lukte zag ik dat de verdachte met zijn voet op de boeien ging staan. Uiteindelijk zag ik dat [slachtoffer 3] zijn arm had gefixeerd en kon ik mijn boeien oprapen van de grond en de eerste boei aanleggen. De verdachte verzette zich zo hevig dat ik de boeien goed vast moest houden en over moest geven aan mijn collega [slachtoffer 1]. Na nog een flinke worsteling kregen wij de andere arm ook in de boeien.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2017178298 van 22 augustus 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [slachtoffer 3] [doorgenummerde pagina’s 5-6].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik, senior handhaver Wet personenvervoer 2000, in dienst van het vervoerbedrijf GVB Exploitatie BV. in de gemeente Amsterdam, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, aangesteld in domein IV openbaar vervoer en beëdigd en derhalve bevoegd tot het opsporen van de strafbare

feiten zoals in de akte van beëdiging gesteld, standplaats Amsterdam, verklaar het volgende.

Op 21 augustus 2017 bevond ik mij, in uniform gekleed en met handhaving belast, in bus met lijnnummer 37 van GVB te Amsterdam.

Ik hoorde mijn collega [slachtoffer 1] de verdachte mededelen dat hij was aangehouden. Nadat de verdachte was aangehouden zag ik dat hij een andere richting op wilde lopen. Ik hoorde dat collega [slachtoffer 1] tegen de verdachte zei: “als je niet meewerkt, gaan wij geweld gebruiken”. Ik zag dat de verdachte zijn verzet niet staakte. Ik zag dat collega [slachtoffer 2] zijn transportboeien pakte met de bedoeling de boeien aan te leggen bij de verdachte. Ik zag dat collega [slachtoffer 2] de rechterarm van de verdachte vastpakte. Ik zag dat de transportboeien toen op de grond vielen. Ik zag dat de verdachte op de transportboeien ging staan. Terwijl hij dit deed bleef de verdachte zich krachtig verzetten. Ik zag dat collega’s [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de verdachte niet onder controle kregen. Ik zag op dit moment ook dat de verdachte zich vasthield aan de leuning van deze bus. Ik pakte de verdachte bij zijn rechterarm vast. Ik zag dat [slachtoffer 2] de boeien van de grond pakte waarna hij de rechterarm van de verdachte boeide. Ik voelde dat de verdachte zich bleef verzetten en zijn arm terug probeerde te trekken. Ik zag dat [slachtoffer 1] de geboeide arm overpakte, hierna lukte het na enige tijd de andere arm van de verdachte te boeien.

Voor zover de hiervoor vermelde bewijsmiddelen geschriften betreffen als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, zijn deze telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 uren voorwaardelijk, subsidiair 5 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid jegens handhavers in het openbaar vervoer. Hij heeft zich verzet bij zijn aanhouding, onder andere door zich met kracht los proberen te rukken en trekken uit de greep van deze buitengewoon opsporingsambtenaren. Daardoor heeft hij het werk van deze opsporingsambtenaren, die hun controlewerkzaamheden uitvoerden, ontoelaatbaar bemoeilijkt. Dergelijk gedrag brengt bovendien veelal gevoelens van onveiligheid en onrust voor de overige passagiers met zich. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Anderzijds houdt het hof er rekening mee dat de verdachte blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juli 2018, niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Deze is lager dan de vordering van de advocaat-generaal, mede omdat het hof de verdachte vrijspreekt van de ten laste gelegde bedreiging.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 160,00 aan immateriële schade ter zake bedreiging. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 180 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van A.D. Renshof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 augustus 2018.

mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest te ondertekenen.