Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3046

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
200.228.561/01 en 200.228.568/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:7282, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

vernietiging erkenning op verzoek bijzondere curator

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2018/181 met annotatie van G.M.B.R. Niellissen
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer rechtbank: C/15/259861 / FA RK 17-3232

Beschikking van de meervoudige kamer van 21 augustus 2018 in de zaak met zaaknummer 200.228.561/01 van:

mr. S. Rozemeijer in zijn hoedanigheid van bijzondere curator van

[de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ),

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de bijzondere curator,

en in de zaak met zaaknummer 200.228.568/01 van:

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [X] ,

advocaat: mr. L.S. Zomers te Alkmaar.

Als belanghebbende is overigens aangemerkt:

- [Y] (verder te noemen: [Y] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 30 augustus 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De bijzondere curator is op 27 november 2017 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 30 augustus 2017.

2.2

[X] is op 29 november 2017 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 30 augustus 2017.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 18 juli 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de bijzondere curator namens [de minderjarige] ;

- [X] , bijgestaan door haar advocaat;

- [Y] ;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.

3 De feiten

3.1

[X] en [Y] hebben in 2008 een relatie gekregen. Zij zijn [in] 2013 gehuwd. Hun huwelijk is op 22 augustus 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 29 juli 2016 in de registers van de burgerlijke stand. Gedurende het huwelijk is [in] 2016 [de minderjarige] geboren. [de minderjarige] is verwekt via kunstmatige donorbevruchting door een bekende donor.

3.2

Op 21 december 2015 is [de minderjarige] als ongeboren vrucht door [X] erkend. [Y] en [X] zijn van rechtswege met het gezag over hem belast.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is:

- [X] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning door haar van [de minderjarige] ;

- afgewezen het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning door [X] van [de minderjarige] .

4.2

De bijzondere curator verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en zijn inleidend verzoek toe te wijzen en, zo nodig, hem opnieuw tot bijzondere curator te benoemen.

4.3

[X] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de bijzondere curator toe te wijzen.

5 De motivering van de beslissing in beide zaken

5.1

Bij beschikking van de rechtbank van 14 juni 2017 is mr. Rozemeijer benoemd tot bijzondere curator van [de minderjarige] . Uit die beschikking volgt niet dat die benoeming is beperkt tot de procedure in eerste aanleg, zodat het ervoor gehouden moet worden dat de benoeming zich ook uitstrekt tot de procedure in hoger beroep. Gelet daarop komt het hof niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van mr. Rozemeijer hem opnieuw tot bijzondere curator te benoemen.

5.2

Het hoger beroep van beide verzoekers is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning door [X] van [de minderjarige] .

Ingevolge artikel 1:205 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning worden ingediend door het minderjarige kind zelf, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is. Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 31 oktober 2003 (ECLI:NL:HR:2003: AJ3261) volgt dat ook een zeer jong kind bij een dergelijk verzoek kan worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator, maar dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het belang van een zeer jeugdig kind meebrengt dat over dat verzoek niet wordt beslist voordat het kind zelf zich daarover een weloverwogen oordeel kan vormen.

5.3

De bijzondere curator heeft ter onderbouwing van zijn verzoek het navolgende aangevoerd. [X] heeft geen contact meer met [de minderjarige] en aannemelijk is dat [X] ook in de toekomst geen rol meer zal willen vervullen in het leven van [de minderjarige] . Ook tussen de ouders van [X] en [de minderjarige] vindt inmiddels geen contact meer plaats. Bovendien heeft [Y] inmiddels een nieuwe partner met wie zij een bestendige relatie heeft en met wie zij de zorg voor [de minderjarige] deelt. Onder die omstandigheden is het in het belang van [de minderjarige] dat de erkenning van hem door [X] , wordt vernietigd.

[X] heeft het betoog van de bijzondere curator - kort samengevat - onderschreven.

5.4

De raad heeft ter zitting - kort gezegd - geadviseerd de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning toe te wijzen.

5.5

Het hof dient in de onderhavige te beoordelen of vernietiging van de erkenning in het belang is van [de minderjarige] .

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [X] en [Y] tijdens het huwelijk bewust hebben gekozen voor een zwangerschap, maar dat zij al voorafgaand aan de geboorte van [de minderjarige] hebben besloten hun relatie te beëindigen. Na de geboorte hebben zij nog tot januari 2017 in dezelfde woning gewoond. In die periode heeft [X] enkele dagen per week voor [de minderjarige] gezorgd. Sinds de verhuizing van [X] in januari 2017 heeft geen contact meer tussen haar en [de minderjarige] plaatsgevonden. De ouders van [X] hebben vanaf januari 2017 korte tijd als gastouders een deel van de zorg voor [de minderjarige] op zich genomen. Inmiddels is ook het contact tussen hen en [de minderjarige] verbroken.

Ter zitting is gebleken dat [Y] sinds november 2016 een nieuwe partner heeft met wie zij sinds een half jaar de zorg voor [de minderjarige] deelt en met wie zij binnenkort zal gaan samenwonen. [Y] heeft ter zitting verklaard dat haar partner haar werkrooster volledig heeft afgestemd op de zorg voor [de minderjarige] , dat haar partner ook bijdraagt in de kosten voor [de minderjarige] en dat de band tussen hen zeer hecht is. Verder heeft [Y] verklaard dat haar partner [de minderjarige] zou willen erkennen als het hof de erkenning door [X] vernietigt.

5.6

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat [X] geen rol meer wil spelen in het leven van [de minderjarige] en dat die situatie in de toekomst niet zal wijzigen. Voorts is genoegzaam gebleken dat [Y] en haar nieuwe partner een bestendige relatie hebben en dat de nieuwe partner van [Y] heel bewust heeft gekozen voor haar rol als medeverzorgster van [de minderjarige] .

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, volgt uit de wetsgeschiedenis dat het belang van het kind dat wordt geboren in een lesbische relatie het beste is gediend indien zijn feitelijke verzorgers en opvoeders ook zijn juridische ouders zijn. In de gegeven omstandigheden is daarvan thans geen sprake (meer) en bestaat de gerechtvaardigde verwachting dat daarvan ook in de toekomst geen sprake zal zijn wanneer [X] de juridische ouder zou blijven. Gelet daarop en gezien de rol die de partner van [Y] inmiddels in het leven van [de minderjarige] vervult, acht het hof het in het belang van [de minderjarige] dat reeds nu de erkenning door [X] wordt vernietigd. Wachten met die vernietiging totdat [de minderjarige] zelf in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, acht het hof niet in zijn belang. Hij zou dan immers nog jarenlang in een situatie verkeren waarbij het sociale ouderschap niet met het juridische overeenstemt, de achternaam dragen van een persoon die hij niet (bewust) heeft gekend en aldus bij voortduring geconfronteerd blijven met het (mogelijk kwetsende) feit dat zijn aanvankelijke meemoeder geen contact meer met hem wenst.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof in beide zaken:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

vernietigt de erkenning door [X] van [de minderjarige] , geboren [in] 2016;

draagt op grond van artikel 1:20e, eerste lid, BW de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Beverwijk.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.C. Louwinger-Rijk, M.F.G.H. Beckers en M. Groenleer, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier en is op 21 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.