Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3023

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
200.116.871/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 3 april 2018. Contractuele boeten zijn niet verbeurd. Afdoening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.116.871/02

zaak-/rolnummer rechtbank Alkmaar : 387482/CV EXPL 11-6479

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 augustus 2018

inzake

STICHTING INTERACTIEV FOUNDATION,

gevestigd te Alkmaar,

appellante in principaal appel in de hoofdzaak,

geïntimeerde in incidenteel appel in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. F.P. Klaver te Alkmaar,

tegen

[geïntimeerde 1] en

[geïntimeerde 2] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal appel in de hoofdzaak,

appellanten in incidenteel appel in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. J. de Haan te Alkmaar.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna weer de Stichting en [geïntimeerden] (afzonderlijk: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 3 april 2018 een tweede tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat tussenarrest verwezen.

[geïntimeerden] hebben vervolgens een akte, met producties, ingediend, waarop de Stichting bij antwoordakte, met producties, heeft gereageerd.

Ten slotte is weer arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest van 3 april 2018 heeft het hof naar aanleiding van de grieven I tot en met VII en IX in principaal appel en de grieven 1 tot en met 5 in incidenteel appel, samengevat, het volgende overwogen. Tot het door de Stichting gehuurde behoorde ook de kantoorruimte. Doordat [geïntimeerden] na de betekening van het kortgedingvonnis van 25 juli 2011 aan de Stichting de toegang tot de kantoorruimte zijn blijven ontzeggen, hebben zij gehandeld in strijd met hun verplichtingen uit de huurovereenkomst, wat grond geeft voor de door de Stichting gevorderde ontbinding op grond van artikel 6:265 BW en leidt tot de verschuldigdheid van dwangsommen tot een totaal van € 87.961,86 (minus een te verrekenen bedrag van € 5.581,28). De afsluiting van het gehuurde door [geïntimeerden] verplicht hen tot schadevergoeding, waarvoor verwijzing naar de schadestaatprocedure zal volgen, doch uitsluitend met betrekking tot de schade als gevolg van de afsluiting tussen 23 mei 2011 en 27 juli 2011 en de door de ontbinding vergeefs geworden kosten van verbouwing en overname. Het door [geïntimeerden] gevorderde bedrag aan achterstallige huur is toewijsbaar, evenals de buitengerechtelijke incassokosten, maar niet de door hen gevorderde btw en bedragen aan kosten om te voldoen aan de NEN-norm en huur van een container.

2.2

Naar aanleiding van grief VIII in principaal appel heeft het hof in het tussenarrest van 3 april 2018 overwogen dat [geïntimeerden] zich mogen beroepen op het algemene boetebeding in artikel 34 van de algemene bepalingen. Omdat uit de door [geïntimeerden] overgelegde stukken niet duidelijk was geworden, hoe het door [geïntimeerden] gevorderde bedrag aan boete was berekend, meer in het bijzonder op welk handelen of nalaten van de Stichting gedurende welke periode het gevorderde boetebedrag zag, zijn [geïntimeerden] in de gelegenheid gesteld bij akte gedetailleerd uiteen te zetten hoe de boete is berekend, op welke gedragingen of welk nalaten het boetebedrag berust, waaruit blijkt dat de Stichting zich daaraan schuldig heeft gemaakt, wat de eventuele bewijsmogelijkheden zijn en welke contractuele bepalingen met die gedragingen of dat nalaten zijn overtreden. De beoordeling van de grieven X in principaal appel en grief 6 in incidenteel appel, die beide betrekking hebben op de kostenveroordeling in het bestreden vonnis, is aangehouden tot het eindarrest.

2.3

In hun akte na het laatste tussenarrest hebben [geïntimeerden] het hof gevraagd terug te komen van zijn hiervoor onder 2.1 verkort weergegeven eindbeslissingen. Het hof ziet daartoe geen aanleiding, nu uit het betoog van [geïntimeerden] niet blijkt dat de aangevochten beslissingen berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.

2.4

[geïntimeerden] hebben in hun akte na het laatste tussenvonnis niet (volledig) voldaan aan de instructie van het hof. De opsomming van overtredingen is verre van gedetailleerd. In de tekst van de akte is verwezen naar een aantal als bijlage overgelegde stukken. Gelet op het uitdrukkelijke verzoek om een gedetailleerde uiteenzetting ziet het hof geen reden zelf in die stukken te zoeken naar mogelijke overtredingen en zal het zich beperken tot een onderzoek naar de in de tekst van de akte zelf genoemde overtredingen. Dat zijn immers de enige verwijten waarop de Stichting in haar antwoordakte behoorlijk heeft kunnen reageren. Voorts hebben [geïntimeerden] in de akte geen woord gewijd aan eventuele bewijsmogelijkheden, ondanks de uitdrukkelijke vraag daarnaar. Het hof begrijpt daaruit dat [geïntimeerden] geen verdere bewijsmogelijkheden hebben.

2.5

In de akte hebben [geïntimeerden] melding gemaakt van het parkeergedrag van de Stichting, zonder toestemming aan het gehuurde aangebrachte wijzigingen, het ontbreken van een glasverzekering, overtreding van brandweervoorschriften, roken in het gehuurde en de verboden ingebruikgeving van het gehuurde aan derden.

2.5.1

[geïntimeerden] baseren het verwijt met betrekking tot het parkeergedrag op het bepaalde in artikel 9.3 van de algemene bepalingen, luidende: “Huurder zal de mondelinge en schriftelijke aanwijzingen door of namens verhuurder gegeven in het belang van een behoorlijk gebruik van het gehuurde en van de binnen- en buitenruimten, installaties en voorzieningen van het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt, in acht nemen. Hiertoe behoren ook de aanwijzingen die betrekking hebben op onderhoud, aanzien, geluidsniveau, orde, brandveiligheid, parkeergedrag en op het goed functioneren van de tot het gehuurde behorende installaties”. De Stichting heeft bestreden dat deze bepaling [geïntimeerden] het recht gaf in het algemeen te bepalen waar in of rond het gehuurde auto’s en boten mochten staan en zij heeft betwist dat na 29 juni 2011, de datum van de vroegste door [geïntimeerden] bij hun akte overgelegde sommatiebrief, nog bestuurders of vrijwilligers van de Stichting op het terrein hebben geparkeerd, laat staan dat dat op hinderlijke of belemmerende wijze is gebeurd. Het hof kan op basis van het thans beschikbare bewijsmateriaal niet vaststellen dat door (vertegenwoordigers van) de Stichting na 29 juni 2011 op het terrein is geparkeerd op een wijze die kan worden beschouwd als een overtreding van bepalingen van de huurovereenkomst. Voor een bewijsopdracht aan [geïntimeerden] ziet het hof geen aanleiding, gelet op het onder 2.4 overwogene. Het betoog van [geïntimeerden] faalt daarom.

2.5.2

De door [geïntimeerden] genoemde wijzigingen in het gehuurde betreffen een stel luidsprekers aan de buitenzijde van het café ten behoeve van het terras en een verbouwing van de caféruimte zelf. De Stichting heeft aangevoerd dat zij met betrekking tot de luidsprekers niet in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 15 van de algemene bepalingen, omdat ten behoeve van die luidsprekers alleen maar een paar kleine gaatjes in het gehuurde zijn geboord, wat bij het einde van de huurovereenkomst eenvoudig had kunnen worden hersteld als [geïntimeerden] haar daartoe in de gelegenheid had gesteld. Dit verweer slaagt, omdat [geïntimeerden] niet duidelijk hebben gemaakt waarom de onderhavige wijziging niet is te beschouwen als een verandering of toevoeging die bij het einde van de huur zonder schade aan het gehuurde en zonder noemenswaardige kosten ongedaan kan worden gemaakt en verwijderd, als bedoeld in het derde lid van artikel 15 van de algemene bepalingen. Hetzelfde geldt voor de wijziging van de caféruimte; de Stichting heeft aangevoerd dat haar verbouwing niet meer inhield dan cosmetische wijzigingen (schilderen, behangen, nieuwe vloer, nieuwe meubels en accessoires) en het tegendeel is niet aangetoond. Bovendien is op dit punt niet van een ingebrekestelling gebleken, zoals vereist door artikel 34 van de algemene bepalingen.

2.5.3

In artikel 9.5 van de huurovereenkomst is bepaald dat de huurder een glasverzekering dient af te sluiten dan wel de schade aan de beglazing van het gehuurde voor eigen rekening moet nemen. Terecht voert de Stichting dan ook aan dat zij door het enkele feit dat zij geen glasverzekering heeft afgesloten niet in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen uit de huurovereenkomst.

2.5.4

Volgens [geïntimeerden] heeft de Stichting door de wijze waarop zij in het gehuurde zaken stalde en apparaten gebruikte een brandgevaarlijke situatie in het leven geroepen en in stand gehouden en heeft de Stichting bovendien niet voldaan aan de voorschriften van de plaatselijke brandweer, hetgeen al blijkt uit het feit dat de keuring van de brandblusapparaten op 1 januari 2012 was verstreken. De Stichting heeft betwist brandgevaar te hebben veroorzaakt en de juistheid van dat verwijt is niet komen vast te staan. Evenmin hebben [geïntimeerden] voldoende duidelijk uiteengezet aan welke voorschriften de Stichting, met haar zeer beperkte gebruik van het gehuurde, diende te voldoen. De Stichting heeft bovendien gesteld dat de brandweer de situatie bij aanvang van de huur heeft goedgekeurd en het tegendeel is niet gebleken. Voor een bewijsopdracht aan [geïntimeerden] bestaat geen aanleiding.

2.5.5

Het hof ziet niet in waarom [geïntimeerden] op grond van artikel 9.3 van de algemene bepalingen gerechtigd zouden zijn de Stichting te verbieden in de door haar gehuurde ruimte te roken. Onder omstandigheden zou een dergelijk verbod “in het belang” kunnen zijn “van een behoorlijk gebruik van het gehuurde”, maar die omstandigheden zijn niet gebleken.

2.5.6

De Stichting heeft betwist dat de door [geïntimeerden] genoemde [X] een deel van het gehuurde heeft ondergehuurd of zelfstandig in gebruik heeft genomen. Naar het oordeel van het hof is ook de juistheid van dit verwijt niet komen vast te staan. [X] was als vrijwilliger aan de Stichting verbonden en is de echtgenoot van de voorzitter van de Stichting. Onder die omstandigheden is de vermelding in een in een andere bij dit hof lopende procedure ingediend processtuk van [X] , dat het bedrijfspand werd gebruikt door [X] , de Stichting en Bootservices, in samenhang met het feit dat [X] in het gehuurde tien fietsen had geplaatst, onvoldoende voor de conclusie dat [X] het gehuurde heeft gebruikt in een andere hoedanigheid dan als betrokkene bij de Stichting. Voor verdere bewijslevering door [geïntimeerden] is geen plaats.

2.6

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat de Stichting de contractuele boete heeft verbeurd. Grief VIII in principaal appel slaagt derhalve. Deze vordering van [geïntimeerden] zal alsnog worden afgewezen.

2.7

Samenvattend stelt het hof vast dat partijen in eerste aanleg en in hoger beroep over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld. Terecht heeft de kantonrechter de proceskosten in eerste aanleg (conventie en reconventie) dan ook gecompenseerd. De daartegen gerichte grieven X in principaal appel en 6 in incidenteel appel falen. Ook de kosten van het geding in hoger beroep, principaal en incidenteel, zullen worden gecompenseerd.

2.8

Het hof merkt ten slotte nog het volgende op. Het bestreden vonnis wordt, waar het betreft de ontbinding van de huurovereenkomst, bekrachtigd onder verbetering van gronden. De veroordeling van de Stichting tot ontruiming zal alsnog worden afgewezen, omdat die niet past bij de thans gebezigde ontbindingsgrond. Dit laat echter onverlet dat de Stichting na 3 oktober 2012 geen recht of titel meer had om in het gehuurde te verblijven.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt, deels onder verbetering van gronden, het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 oktober 2012, voor zover daarbij de huurovereenkomst tussen partijen is ontbonden, de Stichting is veroordeeld tot vergoeding van de beslagkosten van [geïntimeerden] en de kosten van het geding in conventie en reconventie zijn gecompenseerd;

vernietigt het bestreden vonnis voor het overige;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de Stichting tot betaling aan [geïntimeerden] van de huur ten bedrage van € 2.000,= per maand over de periode vanaf 1 april 2011 tot 1 april 2012, verminderd met het reeds betaalde bedrag van € 2.040,= en van de huur ten bedrage van € 3.500,= per maand over de periode vanaf 1 april 2012 tot de dag van de ontruiming, een en ander vermeerderd met de wettelijke handelsrente over het verschuldigde met ingang van de vervaldag daarvan tot de voldoening;

veroordeelt de Stichting tot betaling aan [geïntimeerden] van een bedrag van € 904,= ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot vergoeding van de schade die de Stichting heeft geleden als gevolg van de afsluiting tussen 23 mei 2011 en 27 juli 2011 en de schade in de vorm van de door de ontbinding vergeefs geworden kosten van verbouwing en overname, nader op te maken bij staat;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling aan de Stichting van een bedrag aan verbeurde dwangsommen van (na verrekening) € 82.380,58, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 september 2016 tot de voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het over en weer meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van het geding in principaal en incidenteel appel en van het incident aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, C.C. Meijer en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.