Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3002

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
23-003950-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

“Beroep op artikel 16 Sv verworpen. Hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verdachte, hoewel fors geestelijk beperkt, niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, ook niet als bij de toetsing aan die maatstaf de in de rechtspraak van het EHRM geformuleerde eisen wordt betrokken. Bewezen worden vijf gevallen van (ernstige) geweldpleging tegen personeel van FPK te Amsterdam. Aan verdachte wordt TBS met dwangverpleging opgelegd. Vordering benadeelde partij met blijvende gezondheidsschade toegewezen tot 10.000 euro.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/159
PS-Updates.nl 2018-0693
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003950-16

datum uitspraak: 25 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13/684203-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1979,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2017 en 11 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, Sv, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte, diens raadsvrouw en de benadeelde partij [benadeelde] naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijzigingen is – voor zover inhoudelijk nog aan de orde in hoger beroep – aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1 primair:
hij op of omstreeks 20 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer 1] met dat opzet meermalen, althans eenmaal

- ( met kracht) tegen het lichaam heeft geduwd en/of

- ( met kracht) heeft gestompt en/of heeft geslagen in/op/tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- ( met kracht) heeft gestompt en/of heeft geslagen op/tegen het (achter)hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1];

1 subsidiair:
hij op of omstreeks 20 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen, althans eenmaal

- duwen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- ( met kracht) stompen en/of slaan in/op/tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- ( met kracht) stompen en/of slaan op/tegen het (achter)hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1], waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:
hij op of omstreeks 26 oktober 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan en/of stompen tegen de (boven)lip, in elk geval tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 2] waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4primair:
hij op of omstreeks 19 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een zware hersenschudding, en/of blijvende hersenschade heeft toegebracht, door voornoemde [benadeelde] met dat opzet eenmaal of meermalen (met kracht) te slaan en/of te stompen op/tegen het (rechter) jukbeen, in elk geval in/tegen het gezicht van voornoemde [benadeelde] en/of uit het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of tegen de kaak en/of tegen het achterhoofd en/of tegen de nek, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde];

4
4 subsidiair:
hij op of omstreeks 19 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een

zware hersenschudding, en/of blijvende hersenschade, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

door voornoemde [benadeelde] (telkens) met dat opzet eenmaal of meermalen (met kracht) te slaan

en/of te stompen op/tegen het (rechter) jukbeen, in elk geval in/tegen het gezicht van voornoemde [benadeelde]

en/of uit het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of tegen de kaak en/of tegen het achterhoofd en/of tegen de nek, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde];

4 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 19 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [benadeelde] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) schoppen en/of trappen tegen het/de (scheen)be(e)n(en), in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde] en/of uit het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan en/of stompen op/tegen

het (rechter) jukbeen, in elk geval in/tegen het gezicht van voornoemde [benadeelde] en/of uit het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of tegen de kaak en/of tegen het achterhoofd en/of tegen de nek, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde] tengevolge waarvan voornoemde [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel (zware hersenschudding), en/of blijvende hersenschade, althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5:
hij op of omstreeks 30 april 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 3] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) vastpakken en/of vasthouden van de keel van voornoemde [slachtoffer 3] en/of uit het (vervolgens) eenmaal of meermalen (met kracht) dichtknijpen en/of dichtgeknepen houden van de keel van voornoemde [slachtoffer 3] waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

6:
hij op of omstreeks 16 oktober 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 4] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan en/of stompen tegen de nek en/of kaak, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 4] waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Hoewel het hof zich goeddeels kan verenigen met de inhoud van het vonnis waarvan beroep, zal het vonnis worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en kwalificatie komt dan de rechtbank, en tot een andere beslissingen naar aanleiding de vordering van de benadeelde partij.

Procesbekwaamheid van de verdachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen en dat de vervolging op de voet van artikel 16 Sv moet worden geschorst. Daarbij heeft zij erop gewezen dat een verdachte ingevolge artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) recht heeft op een actieve participatie in het strafproces.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 16, eerste lid, Sv luidt:

Indien de verdachte aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, schorst de rechter de vervolging, in welke stand zij zich ook bevindt.

De ratio van deze bepaling is gelegen in één van de beginselen van het Nederlands strafprocesrecht, namelijk dat de verdachte gedurende zijn berechting in staat dient te zijn om zijn verdediging te (doen) voeren. De verdachte moet, met andere woorden, niet procesonbekwaam kunnen worden geacht. De werking van artikel 16 Sv beperkt zich – in de woorden van de wetgever – tot de gevallen waarin de verdachte volstrekt niet in staat is in een strafproces partij te geven (Kamerstukken II, 1980-1981, 11932, nrs. 5-7, p. 64).

Met betrekking tot het uit het derde lid van artikel 6 van het EVRM voortvloeiende recht van een verdachte “to participate effectively in his trial” heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) onder andere in § 98 van het arrest van 31 oktober 2013 in de zaak van [naam 1] tegen Oekraïne (nr. 17416/03) overwogen:

“Effective participation” in this context presupposes that the accused understands in general the character of the proceedings and what is at stake for him, including the scope of any penalty which may be imposed. He must also be able to explain to his lawyers his version of events, to point out any statements with which he does not agree and to inform them of any facts which should be put forward in his defence. The circumstances of the case may require Contracting States to take positive measures to enable the accused to participate effectively in court hearings (…).

Het hof leidt hieruit af dat artikel 6, derde lid, EVRM vereist dat een verdachte een algemeen begrip1 dient te hebben van de aard van het strafproces en hetgeen daarin aan de orde komt en wat er voor hem op het spel staat en zich daaromtrent moet kunnen verstaan met zijn raadsman. Deze vereisten uit de rechtspraak van het EHRM lenen zich ervoor te worden toegepast bij de beoordeling van de vraag of een verdachte in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Die vraag ligt in deze zaak voor.

Naar de geestvermogens van de verdachte is onderzoek gedaan door [naam 2] en [naam 3], respectievelijk als psychiater en GZ-psycholoog verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC). Zij hebben daarover op 22 december 2017 een rapport uitgebracht en zijn daarin tot de volgende bevindingen en conclusies gekomen.

De verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van schizofrenie (van het gedesorganiseerde type). Hoogstwaarschijnlijk heeft het langdurig bestaan van psychotische episodes gezorgd voor een ernstig cognitief verval. Als resultaat daarvan is hij thans behept met een (ongespecificeerde) neurocognitieve stoornis, waarbij hij op een zeer laag (zwakzinnig) niveau functioneert. Deze problematiek is chronisch, ernstig van aard en invaliderend op alle levensgebieden. Positieve psychotische symptomen zoals waanideeën en hallucinaties zijn op dit moment niet meer prominent; dit is te danken aan medicamenteuze behandeling. Wel heeft de verdachte te maken met de negatieve symptomen van schizofrenie, in het bijzonder desorganisatie (chaotisch gedrag, gebrek aan overzicht, inadequaat effect). Het meest op de voorgrond staat echter zijn zwakzinnig niveau van functioneren. De verdachte leeft vrijwel volledig in het hier en nu, zijn verbale vaardigheden zijn beperkt.

In het rapport is verder opgenomen dat:

- de verdachte tot uitdrukking heeft gebracht dat hij weet dat hij als verdachte is aangemerkt, onderwerp is in een rechtszaak en in het PBC is omdat hij niet mag slaan;

- de onderzoekers de verdachte hun advies hebben uitgelegd, daarbij de term schizofrenie hebben genoemd en hebben verteld dat hij niet terug kan naar zijn moeder en naar een (TBS-)kliniek moet;

- dat de verdachte daarop heeft gezegd dat het hem duidelijk was en betekenisvol heeft geknikt;

- de verdachte weet dat een rechter gaat kijken wat het beste voor hem is, ook al wil hij het liefste naar zijn moeder.

Op grond hiervan en op basis van het beeld dat de gedragsdeskundigen verder van de verdachte hebben gekregen concluderen zij dat de verdachte zich er in globale zin van bewust is dat hij iets heeft gedaan dat niet mag, dat hij zich daarom in detentie bevindt en dat hij daarvoor zal worden gestraft. Op de momenten waarop de verdachte zijn aandacht erbij kan houden lijkt hij de grote lijn van zijn detentie en de voordeling door de rechtbank te snappen. Ook hebben de deskundigen de indruk dat de verdachte de globale strekking van de uitkomsten van het onderzoek heeft begrepen. Verder heeft hij in grote lijnen door dat een advocaat een persoon is die er is om hem te helpen, maar de strekking van de positie en handelingen van een advocaat kan hij niet plaatsen. Evenmin snapt hij hoe een rechtsgang (precies) in elkaar steekt. Hij moet niet in staat worden geacht te kunnen begrijpen dat hetgeen hij in de strafprocedure zegt van invloed kan zijn op een latere beslissing van rechter, omdat hij niet in staat is verder in de toekomst gelegen consequenties te overzien.

In 2016 is er al eerder in het PBC onderzoek gedaan naar de geestvermogens van de verdachte en wel door [naam 3] voornoemd en psychiater [naam 4]. Zij hebben daarover op 20 september 2016 een rapport uitgebracht en zijn daarin omtrent de problematiek van de verdachte niet tot andere bevindingen en conclusies gekomen dan in 2017. Psychiater Vermunt heeft op de terechtzitting in eerste aanleg van 29 juni 2016 toegelicht dat de sociaal-emotionele ontwikkeling van de verdachte ligt op het niveau van een één- tot driejarige en zijn cognitieve ontwikkeling van een enigszins hoger niveau is. De verdachte begrijpt standjes en complimenten. De psychiater heeft verklaard dat de verdachte ‘zeker in staat is’ de beschuldigingen tegen hem te begrijpen, onder meer omdat de verdachte heeft gezegd dat hij in het PBC was omdat hij iemand had geslagen. De verdachte realiseert zich dat de rechter een bepaalde autoriteitsfunctie heeft, maar weet niet exact wat de functie van de rechter is, aldus deze psychiater.

In opdracht van de verdediging heeft psychiater [naam 5] op 9 juli 2018 een rapport uitgebracht omtrent de geestvermogens van de verdachte. Ook Offfermans is niet tot een andere diagnosestelling gekomen dan [naam 2] en [naam 3] in het PBC-rapport van 22 december 2017, zij het dat hij heeft geconcludeerd dat de verdachte emotioneel én cognitief functioneert op een niveau van een twee- tot vierjarige.

Op de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2018 heeft het hof de verdachte ondervraagd met behulp van eenvoudig taalgebruik. Daar heeft de verdachte duidelijk gemaakt dat hij, hoewel hij behoorlijk Nederlands spreekt, liever via de aanwezige tolk met het hof wilde communiceren. In reactie op de uitleg dat hij zich tegenover rechters bevond, heeft hij onmiddellijk gevraagd of hij niet naar zijn moeder mocht gaan. Dit heeft hij nogmaals gedaan nadat werd toegelicht dat de rechters moeten beslissen wat goed voor de verdachte is. Verder heeft hij daar gezegd dat hij weet dat hij niet mag slaan en dat hij straf kan krijgen als hij dingen doet die niet mogen. Hij heeft duidelijk gemaakt dat hij nog weet dat hij in Amsterdam bij Inforsa opgenomen is geweest en dat hij toen nooit iemand geslagen heeft, maar dat dat is gedaan door iemand die op hem leek, en dat andersluidende verklaringen daarover niet kloppen. Ook heeft hij verteld dat hij gesproken heeft met zijn advocaat en haar heeft verteld dat hij niemand heeft geslagen. Hij heeft tot slot te kennen gegeven dat hij niets wil zeggen over de gestelde diagnose schizofrenie en het advies om hem in een kliniek te behandelen. Uit de verklaring die psychiater [naam 5] op deze terechtzitting als deskundige heeft afgelegd kan worden afgeleid dat er een (adequaat) verband bestaat tussen antwoorden die de verdachte daar heeft gegeven op de vragen die het hof hem op het juiste begripsniveau heeft gesteld.

Het hof is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat zich niet de situatie voordoet dat de verdachte niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, ook niet als bij de toetsing aan die maatstaf de in de rechtspraak van het EHRM geformuleerde eisen wordt betrokken. Daarbij is, naast de indruk die de verdachte bij de communicatie op de terechtzitting op het hof heeft gemaakt, in het bijzonder in aanmerking genomen dat op grond van het voorgaande geconcludeerd kan worden dat de verdachte (a) de beschuldigingen tegen hem (tot op zekere hoogte) begrijpt, (b) zij het op eenvoudige wijze, zijn procespositie aan het hof heeft duidelijk gemaakt, (c) door heeft dat een advocaat er is om hem te helpen, (d) met zijn raadsvrouw over zijn procespositie heeft gesproken, (e) te kennen heeft kunnen geven dat hij op de terechtzitting er de voorkeur aan gaf te worden bijgestaan door een tolk, (f) tot op zekere hoogte heeft begrepen dat de deskundigen hebben geadviseerd dat hij vanwege de vastgestelde stoornis moet worden opgenomen in een TBS-kliniek, (g) daar zijn eigen wens om terug naar zijn moeder te gaan tegenover heeft gesteld en (h) in elk geval snapt dat de rechter iemand is die over hem kan beslissen. In hetgeen over de procesbekwaamheid van de verdachte in het rapport van psychiater [naam 5] van 9 juli 2018 is vervat, ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, omdat (i) in dat rapport niet wordt uitgelegd welke betekenis moet worden toegekend aan de voornoemde door de verdachte tegenover de PBC-deskundigen gedane uitlatingen die erop wijzen dat de verdachte tot op zekere hoogte bepaalde aspecten van de strafprocedure wel degelijk kan overzien en (ii) het hof voor dit oordeel de hiervoor onder a tot en met h genoemde factoren doorslaggevend acht en ’s hofs taxatie van die factoren steun vindt in de door psychiater [naam 5] ter terechtzitting afgelegde verklaring, in die zin dat (mede) op grond daarvan duidelijk is geworden dat de verdachte op de terechtzitting in staat is geweest (adequaat) antwoord te gegeven op de door het hof gestelde vragen die voor de beoordeling van de procesbekwaamheid van belang zijn.

Dit oordeel laat onverlet dat andere aspecten van de tegen de verdachte ingestelde vervolging en het strafproces niet of slechts zeer beperkt tot de fors geestelijk beperkte verdachte zullen zijn doorgedrongen. Desondanks heeft het de verdachte, het strafproces als geheel in beschouwing nemend, aan effectieve verdedigingsmogelijkheden niet ontbroken, mede doordat de verdachte reeds vanaf diens voorgeleiding bij de rechter-commissaris op 20 april 2015 bijstand heeft gehad van een actieve, ervaren en in het strafrecht gespecialiseerde raadsvrouw. Daarbij wordt voorts nog aangetekend dat het hof, met de op de regiezitting van 16 mei 2017 genomen beslissingen en bij de ondervraging van de verdachte op 11 juli 2018, bijzondere aandacht heeft geschonken aan de bijzonderheden rondom de verdachte en diens kwetsbare positie in het strafproces.

Op grond van het voorgaande wordt het verweer verworpen. Aan de door partijen opgeworpen – en in de literatuur stevig bediscussieerde – vraag of het bepaalde in artikel 16 Sv ook van toepassing is op de verdachte die reeds ten tijde van het ten laste gelegde leed aan de geestestoestand die hem in het strafproces procesonbekwaam maakt, komt hof niet toe.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd bewijsverweer

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde aangevoerd dat, gelet op de verklaring van de getuige [getuige], niet méér kan worden vastgesteld dan dat de verdachte de aangever [benadeelde] één keer met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bovendien kan tussen het slaan door de verdachte en het letsel en de blijvende arbeidsongeschiktheid van de aangever geen causaal verband worden aangenomen, aldus de raadsvrouw. Het hof verstaat dit als een tot vrijspraak strekkend verweer en overweegt daaromtrent als volgt.

De aangever heeft verklaard dat de verdachte, die erg sterk is, hem op 19 maart 2014 met gebalde vuisten met kracht tegen het rechter jukbeen, in het gezicht, tegen het achterhoofd, in de nek en tegen de kaak heeft geslagen. De verdachte was dermate ontremd dat het twee personen grote moeite heeft gekost om hem onder controle te krijgen; zelfs de toepassing van een houdgreep was daartoe niet toereikend. Bij de spoedeisende eerste hulp, alwaar de aangever onder andere gewag heeft gemaakt van klappen in het gezicht en in de nek, is vastgesteld dat de aangever ter rechterzijde van het gezicht een hematoom en drukpijn in het infraorbitaal gebied had. Daarnaast heeft hij een zware hersenschudding opgelopen. Het hof heeft, mede gelet op de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de betrokken medici (die onder meer steun bieden aan de verklaring van de aangever dat hij meermalen is geslagen), geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangever. Dat de getuige [getuige] in haar summiere verklaring van 29 september 2015 slechts melding heeft gemaakt van één slag van de pluraliteit aan vuistslagen maakt dat niet anders, allereerst omdat zij zich op dat moment ook op zaken heeft geconcentreerd als het slaan van alarm en het in de rede ligt dat zij daardoor niet alle vuistslagen heeft kunnen waarnemen. Daarnaast kan uit haar verklaring worden opgemaakt dat de verdachte op een gegeven moment is gestopt met slaan, hetgeen wijst op een voortzetting van toegepast geweld.

Verder leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte die vuistslagen met kracht heeft toegebracht. Het in ontremde toestand toedienen van harde vuistslagen tegen het jukbeen, (elders) in het gezicht en in de nek van een persoon roept naar het oordeel van het hof voorts de aanmerkelijke kans in het leven dat die persoon daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt, mede omdat zich op die plekken vitale structuren bevinden. Dit gedrag van de verdachte, die erom bekend staat dat hij zich bij toepassing van geweld met name richt op het hoofd van anderen, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard; van contra-indicaties is niet gebleken.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan onder zwaar lichamelijk letsel mede worden begrepen ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat en een voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Ook indien het letsel gepaard gaat met een lange periode van herstel of een langere periode van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel, met in die periode van herstel pijn en/of fysieke beperkingen, kan sprake zijn van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82, eerste lid, Sr (vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051). Dat in het geval van de aangever van zwaar lichamelijk letsel als zojuist bedoeld sprake is, volgt rechtstreeks uit de ‘Rapportage medisch onderzoek gezondheidsschade na arbeidsongeval’ van bedrijfsarts [naam 7] van 17 januari 2018. Nu daarin is vermeld dat voor de klachten waarmee de aangever kampt geen andere oorzaak is aan te wijzen, neemt het hof als vaststaand aan dat het zwaar lichamelijk letsel dat de aangever heeft opgelopen is veroorzaakt door het incident van 19 maart 2014.

Het verweer wordt – in alle onderdelen – verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 4 primair, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:
hij op 20 april 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer 1] met dat opzet (meermalen)

- met kracht heeft gestompt in het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] en

- met kracht heeft gestompt tegen het achterhoofd van voornoemde [slachtoffer 1];

2:
hij op 26 oktober 2014 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 2] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met kracht slaan tegen de bovenlip van voornoemde [slachtoffer 2] waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4 primair:
hij op 19 maart 2014 te Amsterdam aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een zware hersenschudding, heeft toegebracht, door voornoemde [benadeelde] met dat opzet met kracht te stompen tegen het jukbeen, de kaak, het achterhoofd en de nek van voornoemde [benadeelde];

5:
hij op 30 april 2014 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 3] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met kracht dichtknijpen van de keel van voornoemde [slachtoffer 3] waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

6:
hij op 16 oktober 2014 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 4] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met kracht stompen tegen de nek en kaak van voornoemde [slachtoffer 4] waardoor voornoemde [slachtoffer 4] pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder 1 primair, 2, 4 primair, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Deze bewijsmiddelen zijn opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2, 4 primair, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2, 5 en 6 bewezen verklaarde levert telkens op:

mishandeling.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

In de PBC-rapporten van 20 september 2016 en 22 december 2017, die voor wat betreft de bevindingen en conclusies nauwelijks van elkaar afwijken, is omtrent de ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte en de doorwerking daarvan in zijn gedrag, naast hetgeen hiervoor al aan de orde kwam, het volgende opgenomen.

De desorganisatie die voortspruit uit de schizofrenie waaraan de verdachte lijdt, uit zich in inadequaat, chaotisch, regressief en vreemd tot bizar gedrag met oordeels- en kritiekstoornissen (onder andere op het vlak van het zicht op eigen functioneren, de afstand- nabijheidsregulatie en het overzien van de consequenties van het eigen handelen). De verdachte is sterk impuls gestuurd en gericht op bevrediging van zijn primaire behoeften (waaronder eten, rookwaar en koffie). Wanneer er iemand in de weg komt te staan aan de directe bevrediging van zijn behoeften, in het bijzonder die waarmee hij gepreoccupeerd is, kan hij de frustratie die daardoor wordt veroorzaakt niet verdragen en reageert hij – gespeend van impulscontrole en (nagenoeg) van het vermogen tot agressieregulatie – vrijwel direct met agressie, waarbij hij zich richt op het hoofd of de hals van de ander. Het gebrek aan inlevingsvermogen, gewetensfunctie, decorum of inzicht in de consequenties van zijn handelen zorgen ervoor dat hij zichzelf hierin vervolgens niet kan corrigeren (er is geen ‘rem’ op zijn agressie) en hij nagenoeg volledig afhankelijk is van extern ingrijpen om de agressie te doen ophouden.

Eén en ander heeft ook een sturende rol gespeeld bij de ten laste gelegde feiten en wel in die mate dat wordt geadviseerd de verdachte daarvoor, bij bewezenverklaring van die feiten, volledig ontoerekeningsvatbaar te achten.

Nu de conclusies van de aan het PBC verbonden deskundigen met betrekking tot de ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte en de doorwerking daarvan in het bewezen verklaarde handelen, worden gedragen door hun bevindingen, neemt het hof die over en maakt die tot de zijne. Dit brengt mee dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte naar het oordeel van het hof (in het geheel) niet kunnen worden toegerekend. De verdachte is ter zake van die feiten niet strafbaar, zodat hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van vrijheidsbenemende maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van de in eerste aanleg onder 1 primair, 2, 4 primair, 5 en 6 bewezen verklaarde feiten ontslagen van alle rechtsvervolging en hem ter zake van de onder 1 primair en 4 primair bewezen verklaarde feiten de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair, 2, 4 primair, 5 en 6 ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard en dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

De raadsvrouw heeft het hof, bij wijze van (meer) subsidiair standpunt, verzocht de verdachte de feiten niet toe te rekenen en hem op de voet van artikel 37 Sr de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar op te leggen. Daartoe is aangevoerd dat de TBS-maatregel een ultimum remedium is. In dat verband is gewezen op de relatieve ernst van de ten laste gelegde feiten en op de omstandigheid dat de verdachte jarenlang klinisch is behandeld bij Forensisch Psychiatrische Kliniek van Inforsa te Amsterdam, terwijl hij daar te veel op zijn tenen moest lopen en werd overvraagd. Daarnaast heeft de raadsvrouw de vraag opgeworpen of de verdachte in het verleden adequate medicatie heeft gehad. Hij dient de kans te krijgen om met de juiste medicatie te gedijen in een passende, gestructureerde setting. Die setting kan worden gevonden bij Trajectum [naam 8], alwaar de verdachte ook kan worden geplaatst op de titel van artikel 37 Sr.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich gedurende de opname in een forensisch psychiatrische kliniek vijf maal schuldig gemaakt aan ernstige geweldstoepassingen op personeelsleden van die kliniek. Eén van hen heeft hij met gebalde vuist op de bovenlip geslagen. Van een tweede slachtoffer heeft de verdachte de keel vastgepakt en vervolgens erg hard in haar keel geknepen. Een derde personeelslid heeft hij dermate hard met de vuist tegen diens nek en kaak geslagen, dat deze letterlijk sterretjes heeft gezien. Een vierde medewerker heeft hij drie tot vier vuistslagen in het gezicht en vier vuistslagen op het achterhoofd toegediend. Ten gevolge hiervan heeft zij een hersenschudding opgelopen. De vijfde ongelukkige heeft hij herhaaldelijk getrapt en hard en meermalen met gebalde vuist in het gezicht, tegen het achterhoofd, in de nek en tegen de kaak geslagen. Dit slachtoffer heeft hieraan niet alleen een zware hersenschudding over gehouden, maar heeft ook te kampen gekregen met duizelingen, problemen in zijn energiehuishouding en klachten in de prikkel- en informatieverwerking. Ook is hij gediagnostiseerd met een Posttraumatisch Stress Syndroom (PTSS), waarvoor hij zich onder behandeling heeft moeten stellen. Pogingen tot arbeidsreïntegratie zijn gestrand en onlangs is door een bedrijfsarts geconcludeerd dat gezondheidsschade die het slachtoffer ten gevolge van het gewelddadige voorval is toegebracht, een blijvend karakter heeft.

Voor alle slachtoffers zal gelden dat de incidenten op hen de nodige indruk zullen hebben gemaakt en in meerdere of mindere mate een weerslag zullen hebben gehad op hun (werkende) leven. Ook voor de overige personeelsleden van de kliniek zullen de feiten voor gevoelens van onveiligheid hebben gezorgd.

Uit de genoemde PBC-rapporten komt naar voren dat de kans dat de verdachte in de toekomst opnieuw overgaat tot toepassing van (acuut) geweld, met mogelijk ernstig lichamelijk letsel voor derden, als hoog moet worden ingeschat. Daarbij is aangetekend dat geweld met ernstiger gevolgen dan thans het geval is, nadrukkelijk niet kan worden uitgesloten, omdat de fysieke agressie van de verdachte zich voornamelijk richt op het hoofd en de hals en hij, ter voorkoming van ernstiger escalatie van die agressie, vrijwel volledig afhankelijk is van externe correctie. Het toestandsbeeld van de verdachte in 2017 is ten opzichte van het voorgaande jaar iets stabieler te noemen. Dit lijkt te kunnen worden toegeschreven aan een andere bejegening van de verdachte, die passend is bij mensen met een ernstige verstandelijke beperking, de individuele begeleiding die is ingezet, de meer gestructureerde en prikkelarme omgeving die hem is geboden en de stabiliteit in de voorgeschreven medicatie. Dit laat onverlet dat het recidiverisico onverminderd als hoog moet worden gezien; kleine veranderingen in de structuur van begeleiding, wijze van bejegening of andere (externe) problemen kunnen het thans bereikte fragiele evenwicht snel doorbreken, met gewelddadig gedrag van de verdachte tot gevolg. De verdachte is sinds 2000 bekend met psychotische klachten. Afgezien van een onttrekking is de verdachte vanaf 2003 tot aan zijn aanhouding in de onderhavige zaak op 20 april 2015 zonder onderbreking op klinische afdelingen opgenomen geweest, hetzij op grond van de maatregel van artikel 37 Sr, hetzij krachtens de Wet BOPZ, te weten bij de GGzE te Eindhoven, de GGZ Haagstreek (onder andere in het Centrum Intensieve Behandeling te Leidschendam) en de Forensisch Psychiatrische Kliniek Inforsa te Amsterdam. Gedurende de gehele periode bestond er een noodzaak voor een hoog gestructureerde gesloten setting met intensieve verpleging en begeleiding. Ondanks de in de loop der jaren ondernomen pogingen de verdachte in te stellen op diverse antipsychotica (en combinaties van antipsychotica), dempende medicatie en stemmingsstabilisatoren en intensieve begeleidingsregimes op verschillende locaties is er geen evidente verbetering in het toestandsbeeld van de verdachte opgetreden. Nu er geen (enkele) verwachting bestaat dat het toestandsbeeld van verdachte binnen een jaar wezenlijk zal verbeteren, wordt door de rapporteurs van het PBC niet aangeraden de verdachte de maatregel van artikel 37 Sr op te leggen. Geadviseerd wordt de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Aangezien de verdachte niet bij machte is zich aan voorwaarden te houden, wordt aangeraden daarbij tevens te bevelen dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. De fragiele stabilisatie van de situatie van de verdachte die zich sinds 2016 lijkt te hebben voltrokken, heeft niet geleid tot een ander advies. De verdachte blijkt baat te hebben bij een sterk gestructureerde setting met een hoog beveiligingsniveau. Enkel in een sterk gestructureerde setting van een TBS-kliniek, bij voorkeur gericht op mensen met psychiatrische problematiek én een verstandelijke beperking, kan worden verwacht dat die fragiele stabiliteit gehandhaafd kan blijven. Het voorbije jaar heeft aangetoond dat de omgeving van de verdachte de enige te beïnvloeden factor is om het risico op herhaling van agressief gedrag te beïnvloeden, aldus de PBC-deskundigen.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte in verband met de vastgestelde ziekelijke stoornis van de geestvermogens en ter bescherming van de samenleving tegen het hoge recidivegevaar dat hij in zich bergt, gedwongen een (langdurige) klinische behandeling dient te ondergaan in een setting met een hoog beveiligingsniveau. Anders dan de raadsvrouw vindt het hof het geen reële optie om de verdachte met het oog daarop (slechts) de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar op te leggen, alleen al omdat reeds nu vast staat dat de duur van de behandeling die de verdachte zal moeten ondergaan de periode van één jaar (ver) zal overschrijden. Dit volgt ook uit de verklaring die psychiater [naam 5] op de terechtzitting in hoger beroep als deskundige heeft afgelegd. In zijn optiek is de forensisch psychiatrische kliniek van Trajectum [naam 8] de meest aangewezen instelling om de verdachte de noodzakelijke klinische behandeling te laten ondergaan. Hij verwacht niet dat de verdachte binnen een termijn van drie jaar zal kunnen worden doorgeplaatst naar een vervolgvoorziening van die instelling.

[naam 5] heeft het hof – anders dan de PBC-deskundigen – geadviseerd om de verdachte de maatregel van artikel 37 Sr op te leggen, om de reden dat de TBS-maatregel, vanwege het daarmee verbonden stigma, in de praktijk tot problemen leidt bij de uitplaatsing van terbeschikkinggestelden naar vervolgvoorzieningen. Hoewel [naam 5] hier mogelijk een wezenlijk probleem aankaart, rechtvaardigt zijn argument in dit geval geen andere uitkomst.

Het hof stelt resumerend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan, immers:

- bij de verdachte was ten tijde van het begaan van de bewezen feiten sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens,

- de onder 1 primair en 4 primair bewezen verklaarde feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en

- de algemene veiligheid van personen vereist de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De maatregel zal worden opgelegd wegens zware mishandeling en een poging daartoe, misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Tot slot beveelt het hof het Openbaar Ministerie aan in overweging te nemen de behandeling in het kader van de TBS-maatregel te doen plaatsvinden bij (de FPK van) Trajectum [naam 8] te [naam 8].

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich terzake van het onder 4 primair ten laste gelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 10.000. De rechtbank heeft de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel moet worden toegewezen.

Van de zijde van de verdachte is het standpunt ingenomen dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. Daartoe is aangevoerd dat onduidelijk is of het letsel dat is vastgesteld door bedrijfsarts [naam 7] is terug te voeren op het onder 4 ten laste gelegde incident van 19 maart 2014.

Het hof overweegt als volgt.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij die van de zijde van de verdachte niet voldoende gemotiveerd zijn weersproken. Om redenen die hiervoor zijn genoemd neemt het hof als vaststaand aan dat de blijvende gezondheidsschade die de bedrijfsarts blijkens zijn rapport van 17 januari 2018 heeft vastgesteld, het gevolg is van het onrechtmatig handelen van de verdachte op 19 maart 2014. Er is dan ook geen reden om op de namens de verdachte aangevoerde grond te concluderen dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (HR 17 november 2000, NJ 2001/215). Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid schatten op (minimaal) het gevorderde bedrag van € 10.000. Daarbij is in het bijzonder in aanmerking genomen

- de beangstigende en vasthoudende wijze waarop de verdachte de benadeelde partij in diens werkomgeving met fors geweld tegemoet is getreden;

- dat de benadeelde partij aan het incident een zware hersenschudding en een kneuzing in het gezicht heeft overgehouden en (vooral) aanhoudende duizelingen, klachten in de prikkel- en informatieverwerking en problemen met de energiehuishouding, waardoor hij zich – ook thans nog – genoodzaakt ziet om (buiten diens reguliere nachtrust) drie keer per dag op bed te rusten;

- dat de benadeelde partij zich langdurig onder behandeling heeft moeten stellen van een revalidatiearts;

- dat hij is gediagnostiseerd met PTSS, waarvoor hij zich onder psychologische behandeling heeft moeten stellen;

- dat herhaalde pogingen tot arbeidsreïntegratie zijn gestagneerd;

- dat de gezondheidsschade die ten gevolge van het gewelddadige voorval is toegebracht, een blijvend karakter heeft;

- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters in de nationale rechtspraak is toegekend.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof zal de duur van de vervangende hechtenis van de verdachte bepalen op één dag, omdat zijn huidige en – zo kan, mede gelet op diens buitengewoon ernstige psychische problematiek en de oplegging van de TBS-maatregel, worden verwacht – toekomstige financiële draagkracht uitermate beperkt is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 4 primair, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 4 primair, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 4 primair bewezen verklaarde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juli 2018.

1 Vgl. § 124 van het arrest van het EHRM van 20 januari 2009 in de zaak van [naam 9] tegen Turkije (70337/01), in de Franse vertaling: “La «participation réelle», dans ce contexte, présuppose que l’accusé comprenne globalement (onderstreping hof) la nature et l’enjeu pour lui du procès, notamment la portée de toute peine pouvant lui être infligée”.