Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2997

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
23-001164-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001164-17

datum uitspraak: 2 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-800543-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1982,

adres: [adres 1].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Voorts is de verdachte vrijgesproken van de hem onder 2 ten laste gelegde bewoordingen “Wil je zien dat ik je naar beneden gooi.. vergeet niet… je woont op 11 hoog...” Het hof leest de tenlastelegging onder 2 aldus dat laatstgenoemd feit dient te worden begrepen als impliciet cumulatief ten laste gelegd.

Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep nog inhoudelijk aan de orde – en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan, alsmede de beslissing op de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling en de motivering daarvan. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Daarnaast voegt het hof toe een nadere bewijsoverweging.

Nadere bewijsoverweging

In hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd ziet het hof geen grond voor het oordeel dat de door de raadsvrouw genoemde getuige in strijd met de waarheid heeft verklaard dan wel zij niet heeft kunnen waarnemen wat zij stelt te hebben gehoord nu daarvoor – anders dan de anders luidende verklaring van de verdachte – enig concreet aanknopingspunt ontbreekt. Het hof gaat daarom uit van de betrouwbaarheid van deze verklaring.

Met de rechtbank acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 2, voor zover nog inhoudelijk aan de orde, ten laste is gelegd.

Oplegging van straf.

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 24 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft de politierechter als bijzondere voorwaarden gesteld dat de verdachte zich moet melden bij de reclassering, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer en dat hij zich niet mag bevinden in de [adres 2] te Purmerend. De politierechter heeft bepaald dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 24 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw heeft verzocht – bij een eventuele bewezenverklaring – de verdachte te veroordelen tot een straf overeenkomstig de duur van het voorarrest, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke straf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zijn ex-partner verbaal met de dood bedreigd. Aldus heeft hij haar op een onheuse en agressieve wijze bejegend en een voor haar angstige situatie geschapen. Het feit is des te ernstiger, omdat het is gepleegd in de aanwezigheid van anderen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2018 is hij eerder voor het plegen van misdrijven onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Blijkens het voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever van de reclassering van 13 juni 2018 van [naam 1] en [naam 2], is de reclassering van oordeel dat de verdachte zich houdt aan de door de politierechter gestelde meldplicht en afspraken met de reclassering, dat er geen overtredingen van het contactverbod zijn geconstateerd en dat de controle op de naleving van het locatieverbod niet uitvoerbaar is gebleken.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden voldoende tot uitdrukking in de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Gelet op het genoemde voortgangsverslag acht het hof het– met de advocaat-generaal – niet noodzakelijk bijzondere voorwaarden te stellen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 24 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Gelet op het voorgaande en met name de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een lagere straf dan deze vrijheidsbenemende straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2014 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden. Het openbaar ministerie heeft bij besluit van 24 augustus 2015 beslist dat de verdachte over deze straf met ingang van 8 september 2015 voorwaardelijke invrijheidsstelling zou worden verleend, met een proeftijd van 304 dagen, met daarbij onder meer de algemene voorwaarde dat de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen als de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft op 2 december 2015 gevorderd dat een last zal worden gegeven tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 150 dagen, nu de verdachte zich niet aan de algemene voorwaarde heeft gehouden. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie een toewijzing van de vordering voor een periode van 150 dagen gevorderd. De politierechter heeft de vordering toegewezen tot een gedeelte van 75 dagen.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een gedeelte van 150 dagen gevorderd.

De raadsvrouw heeft betoogd – vanwege de bepleite vrijspraak – dat de vordering moet worden afgewezen. De raadsvrouw heeft subsidiair betoogd dat bij een eventuele veroordeling de vordering moet worden afgewezen, nu de verdachte zich aan alle overige voorwaarden heeft gehouden, het een feit betreft van een andere orde en vanwege het tijdsverloop.

Het hof acht de vordering tot herroeping toewijsbaar, nu de verdachte zich voor het einde van de bij laatstgenoemd besluit voorwaardelijke invrijheidstelling bepaalde proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit en ook overigens is voldaan aan de bij de wet gestelde voorwaarden. Voor het geloofwaardig functioneren van het wettelijke systeem van de voorwaardelijke invrijheidstelling is het van essentieel belang dat overtreding van een van de voorwaarden niet vrijblijvend is. Het hof zal daarom de vordering toewijzen en gelasten dat een gedeelte van de gevangenisstraf dat als gevolg van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd ter hoogte van 150 dagen alsnog moet worden ondergaan. In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding hiervan af te wijken.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde feit met betrekking tot de bewoordingen “Wil je zien dat ik je naar beneden gooi.. vergeet niet… je woont op 11 hoog...”.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de motivering daarvan alsmede de beslissing op de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 24 (vierentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van 2 december 2015, in de zaak met zaaknummer 99-000352-26, tot 150 (honderdvijftig) dagen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep – voor zover nog inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen – voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 augustus 2018.

mr. M.L.M. van der Voet is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.