Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:299

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
03-01-2019
Zaaknummer
200.200.651/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:3954, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woonstichting heeft met de Rabobank een renteswapovereenkomst afgesloten. Vordering van Woonstichting op grond van artikel 843a Rv ten aanzien van een aantal documenten. De eerste rechter heeft deze vordering ten aanzien van een gedeelte van de documenten afgewezen. Een verder gedeelte voldoende bepaald, resp. daarbij voldoende belang? Ten aanzien van de rest voldoende onderbouwd dat Rabobank over meer documenten beschikt dan met Woonstichting zijn gedeeld? Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer: 200.200.651/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/608258 / HA ZA 16-507

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 januari 2018

inzake

WOONSTICHTING VRYLEVE,

gevestigd te Lobith,

appellante,

advocaat: mr. C.H.D.W. van den Borne-Verheijen te Arnhem,

tegen:

COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFFEISEN - BOERENLEENBANK ,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. X.D. van Leeuwen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Vryleve en Rabobank genoemd.

Vryleve is bij dagvaarding van 28 september 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2016, gewezen tussen Vryleve als eiseres en Rabobank als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven.

Rabobank heeft daarna een memorie van antwoord met producties ingediend.

Vervolgens is arrest gevraagd.

Vryleve heeft geconcludeerd zoals vermeld op de bladzijden 19 tot en met 21 van de appeldagvaarding.

Rabobank heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met een beslissing over de proceskosten, met nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 de feiten vastgesteld die zij aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en worden door het hof eveneens als vaststaand aangemerkt.

3 Beoordeling

3.1

Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

(i) Vryleve is een woningbouwstichting. Het Treasury Reglement van Vryleve bepaalt dat de treasuryfunctie van Vryleve erop gericht is: “de risico’s te beheersen en te sturen en het bedrijf zal in haar treasurybeleid geen onnodige risico’s nemen of openlaten”.

(ii) Na overleg en advisering in het najaar van 2007 heeft Vryleve op 23 april 2008 met Coöperatieve Rabobank De Liemers U.A. te Zevenaar , de rechtsvoorgangster van Rabobank , een renteswapovereenkomst (hierna ook: de renteswap) gesloten.

(iii) Vryleve stelt - samengevat - dat de renteswap een speculatief karakter heeft door een forse ‘overhedge’ en een mogelijk voor haar nadelige ‘break-clausule’, dat niet is gebleken dat oudere, bij ABN AMRO Bank afgesloten renteswapovereenkomsten zijn overgenomen, terwijl daarvoor wel een prijs is verdisconteerd in de renteswap en dat Rabobank én als adviseur van Vryleve én als wederpartij van Vryleve is opgetreden.

3.2

Teneinde haar (proces)positie jegens Rabobank vast te stellen heeft Vryleve in eerste aanleg op grond van artikel 843a Rv gevorderd primair Rabobank te bevelen (afschrift van) een aantal documenten te verstrekken , gegroepeerd in de volgende vijf categorieën:

( a) documenten, gespreksverslagen, interne verslagen, emailcorrespondentie en dergelijke in welke vorm dan ook, die zien op de advisering van de renteswap en het bepalen van de hoofdsom en de duur van de renteswap;

( b) de BBS Klantbeeldformulieren waarop een overzicht is vermeld van de obligo’s van Vryleve , vanaf de aanvang van de renteswap tot heden;

( c) uittreksels uit de administratie waaruit blijkt welke negatieve waarde de rentswaps van de ABN AMRO Bank hadden en hoe deze negatieve waarde is verdisconteerd in de marge van de renteswap;

( d) uittreksel uit de administratie waaruit blijke welke marge(s) en/of provisies door Rabobank met betrekking tot de renteswap geboekt zijn;

( e) de rentevisiedocumenten.

Vryleve heeft subsidiair gevorderd de onder (b) tot en met (e) genoemde documenten in depot te verstrekken, met voor haar onbeperkte bevoegdheid tot inzage.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis Rabobank bevolen de onder (b) en (c) genoemde documenten aan Vryleve te verstrekken en de vorderingen voor het overige afgewezen.

3.3

Tegen deze afwijzing en de gronden waarop zij berust, alsmede tegen de compensatie van de proceskosten, komt Vryleve met vier grieven op.

3.4

Grief I richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde verstrekking van afschrift van de onder categorie 3.2 (a) genoemde documenten. De rechtbank heeft de vordering tot het verstrekken (van afschrift) van deze documenten afgewezen, oordelend dat de gevorderde documenten onvoldoende bepaald zijn. In de conclusie van haar appeldagvaarding heeft Vryleve deze categorie als volgt nader omschreven:

"Documenten, gespreksverslagen, interne verslagen, emailcorrespondentie, kredietvoorstellen, en de beslissingen daarop van de kredietcommissies en/of voorstellen van de treasuryafdeling en de beslissingen daarop van de desbetreffende commissies en dergelijke in welke vorm dan ook die zien op de advisering en de besluitvorming met betrekking tot de Renteswap en het bepalen van de hoofdsom en de duur van de Renteswap die zien op de periode van oktober 2007 tot juni 2008 zoals opgesteld door medewerkers van de Rabobank die in die periode werkzaam waren bij de Rabobank te Liemersepoort U.A. en/of door de medewerkers die werkzaam waren bij de Treasury van de Rabobank Internationale Corporate Clients Nederland en/of door de desbetreffende kredietcommissies en/of beoordelingscommissies;"

3.5

Vryleve betoogt dat de documenten in deze omschrijving voldoende bepaald zijn omdat zij die heeft afgebakend in tijd (oktober 2007 tot juni 2008), instanties/personen (employees van Rabobank Liemerse Poort U.A,), dossier ("dossier Vryleve ") en onderwerp (de renteswap).

3.6

Het hof stelt voorop dat artikel 843a Rv niet ertoe strekt dat een sleepnet kan worden uitgeworpen om bij de wederpartij naar informatie te vissen in de hoop daarin iets te ontdekken dat (processueel) van dienst kan zijn. De gevraagde informatie moet dan ook voldoende bepaald zijn. Naar het oordeel van het hof zijn de bescheiden zoals omschreven in de appeldagvaarding nog steeds onvoldoende bepaald in de zin van artikel 843a Rv. Het is een ruim geformuleerde verzameling van allerlei denkbare bij Rabobank berustende bescheiden: "Documenten, gespreksverslagen, interne verslagen, emailcorrespondentie, kredietvoorstellen, en de beslissingen daarop van de kredietcommissies en/of voorstellen van de treasuryafdeling en de beslissingen daarop van de desbetreffende commissies…", waaraan dan nog is toegevoegd: "en dergelijke" alsmede "in welke vorm dan ook". Het hof onderkent dat Vryleve niet precies weet wat voor documenten bij Rabobank voorhanden zijn die mogelijk dienstig zijn voor haar voorgenomen procedure tegen Rabobank , en dat zij daarom niet precies kan benoemen van welke bescheiden zij afschrift wil, maar aldus kenmerkt de vordering van Vryleve zich als een fishing expedition waartoe artikel 843a Rv zoals gezegd geen grondslag biedt. De door Vryleve toegevoegde beperkingen inhoudende dat de bescheiden afkomstig moeten zijn van employees van Rabobank en moeten zien op de advisering en de besluitvorming inzake de renteswap in de periode oktober 2007 tot juni 2008 brengen het hof niet tot een ander oordeel. Ook met inachtneming van deze afbakeningen blijft de vordering dusdanig ruim geformuleerd dat deze niet voldoet aan de eis dat de vordering alleen bepaalde - in de zin van voldoende concreet aangewezen - bescheiden betreft. Grief I faalt dan ook.

3.7

Grief II richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde inzage in de onder3.2 (d) genoemde documenten

De rechtbank heeft de op deze bescheiden gerichte vordering tot inzage afgewezen op de grond dat sprake is van een fishing expedition omdat de hoogte van de marges en provisies niet zonder meer relevant is voor de vraag of de advisering door Rabobank onjuist is geweest en dat een goede rechtsbedeling ook zonder inzage van deze bescheiden gewaarborgd is. Vryleve bestrijdt dit oordeel met de stellingen dat de hoogte van de marges en de provisies van belang zijn om inzicht te verkrijgen in het eigen belang van Rabobank bij het aangaan van de renteswap en om duidelijkheid te verkrijgen of de renteswap marge-gedreven was.

3.8

Het hof acht - evenals de rechtbank - het belang van Vryleve bij deze bescheiden onvoldoende gegeven. Niet althans niet zonder meer valt immers in te zien waarom de door Rabobank genoten marges of provisies van belang zijn voor de door Vryleve in rechte aanhangig te maken vorderingen, die zij in haar inleidende vordering heeft omschreven als gegrond op de verwijten dat Rabobank Vryleve van onjuist advies heeft voorzien en dat Rabobank haar onderzoeksplicht en informatieplicht heeft verzaakt. De als toelichting gegeven wens van Vryleve om van deze informatie kennis te nemen om duidelijkheid te verkrijgen of de betrokken renteswap marge-gedreven was, is, bij gebreke van een nadere toelichting, klaarblijkelijk niet erop gericht om bewijs te vergaren dát Rabobank wat betreft de marges en provisies jegens haar op enige concrete juridische grondslag aansprakelijk is, maar alleen om te onderzoeken óf er aanwijzingen zijn te vinden op grond waarvan Rabobank in dit opzicht eventueel aansprakelijk gesteld zou kunnen worden. Aldus is ook deze vordering aan te merken als een fishing expedition waarvoor artikel 843a Rv niet is bedoeld. Ook grief II faalt derhalve.

3.9

Grief III richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde inzage in de onder 3.2 (e) genoemde documenten. Rabobank betwist dat zij wat dit betreft over meer bescheiden beschikt dan zij met Vryleve heeft gedeeld. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen op grond van het oordeel dat Vryleve niet voldoende heeft onderbouwd dat Rabobank beschikt over meer dan zij al met Vryleve heeft gedeeld. Vryleve bestrijdt dit oordeel door erop te wijzen dat het zeer aannemelijk is dat Rabobank onderzoek heeft gedaan naar de te verwachten rente alvorens een derivaat zoals de renteswap aan te bieden en dat het ook zeer aannemelijk is dat Rabobank een interne rentevisie heeft neergelegd in documenten. Het hof wil wel aannemen dat door Rabobank onderzoek is en wordt gedaan naar de te verwachten verschillende rentes, en dat de verwachtingen te dien aanzien ook op schrift zijn gesteld, maar dat is, bij gebreke van een nadere toelichting van Vryleve over wat zij al heeft verkregen en over wat voor mogelijke documenten Rabobank dienaangaande meer of anders beschikt, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat Rabobank over meer bescheiden beschikt dan zij met Vryleve heeft gedeeld. Grief III faalt derhalve eveneens.

3.10

Met grief IV komt Vryleve op tegen de beslissing van de rechtbank om de proceskosten te compenseren. Deze grief faalt omdat de Rechtbank de proceskosten terecht heeft gecompenseerd gezien de gedeeltelijke toewijzing en gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van Vryleve , terwijl uit het voorgaande volgt dat in appel over de vorderingen niet anders wordt beslist.

3.11

Het hof passeert het bewijsaanbod van Vryleve als onvoldoende specifiek, althans als niet gericht op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

3.12

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Vryleve zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

verwijst Vryleve in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van Rabobank gevallen, op € 718,- aan verschotten en € 894,- voor salaris advocaat, bij gebreke van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de datum van dit arrest;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, M.P. van Achterberg en A.C. van Schaick en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 30 januari 2018.