Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2987

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
23-000908-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000908-18

datum uitspraak: 2 augustus 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-701386-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] (Roemenië) op [geboortedag 1] 1984,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen acht, althans een of meer, spijkerbroeken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 maart 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen acht spijkerbroeken toebehorende aan de [bedrijf].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring berust, zijn vervat in onderstaande bewijsmiddelen.

1. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 maart 2018, met nummer PL1300-2018047280-4, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] (p. 7-18). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten, of van één of meer van hen:

Op 7 maart 2018 bevond ik, [naam 1], mij op de Dam te Amsterdam. Ik zag dat [verdachte] op de Kalverstraat de [bedrijf] inliep. Hij droeg een grote zwarte tas. Na ongeveer tien minuten verliet hij de [bedrijf] en liep hij richting het Centraal Station. Daar bleef hij voor de ingang staan. Na ongeveer 30 minuten zagen wij, [naam 1], [naam 4], [naam 3] en [naam 2], dat [verdachte] contact legde met [medeverdachte]. Wij zagen vervolgens dat zij de stad inliepen en dat zij de Etos, Desigual, Super Dry en P&C binnenliepen. Wij zagen continu hetzelfde gedrag, namelijk:

- gescheiden van elkaar de winkel binnenlopen;

- oplettend kijken naar het winkelpersoneel en;

- gescheiden van elkaar de winkel uitlopen, eerst [medeverdachte] en daarna [verdachte].

De laatste winkel die zij bezochten was de [bedrijf], de winkel waar [verdachte] al binnen was geweest. Ik, [naam 2], zag dat de mannen op de begane grond om zich heen keken, met name naar het winkelpersoneel. Zij liepen de rechtertrap op, richting de ruimte met de paskamers. Ik zag dat dit een mannen afdeling betrof. Ik had vrij zicht op de trap. Ik zag dat [medeverdachte] meerdere keren terugliep naar de trap. Ik zag dat hij om zich heen keek in de richting van het winkelpersoneel kennelijk om de medewerkers in de gaten te houden. Vanaf deze positie kon hij de hele winkel in de gaten houden. Na ongeveer vijf minuten zag ik dat eerst [medeverdachte] en daarna [verdachte] naar buiten liep. Ik zag dat de tas van [verdachte] aanzienlijk dikker was, dan hij ermee de winkel in ging. Gezien het sterke vermoeden dat [medeverdachte] en [verdachte] een winkeldiefstal hadden gepleegd, hielden wij hen aan.

Verdachte: [medeverdachte], geboren op [geboortedag 2] 1980 te [geboorteplaats 2] in Roemenië

Verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedag 1] 1984 te [geboorteplaats 1] in Roemenië

Onder [verdachte] trof ik, [naam 1], de tas aan met gestolen goederen van de [bedrijf]. Acht spijkerbroeken [bedrijf] met alarmlabels er nog aan. De tas bleek geprepareerd te zijn. Ik nam de broeken mee naar de [bedrijf]. Totale waarde broeken: € 479,60.

Na de aanhouding van de verdachten zag ik, [naam 2], het volgende op de beelden van de [bedrijf]. Ik zag dat dat [verdachte] achter een tafel met daarop spijkerbroeken ging zitten. Hij maakte de tas open. Hij haalde een stapel broeken onder de tafel vandaan en stopte deze in de tas. Ik zag dat [medeverdachte] richting [verdachte] liep. Ik zag dat [verdachte] op de aanwezigheid van [medeverdachte] reageerde. Ik zag namelijk dat [verdachte] gelijk de tas wegschoof achter de tafel vandaan en zelf ook wegliep met de tas. Ik zag vervolgens dat [medeverdachte] zich omdraaide met zijn rug naar [verdachte]. Enkele seconden later zag ik een winkelmedewerker in beeld komen die vlak bij [medeverdachte] en [verdachte] ging staan.

2. Een proces-verbaal van aangifte van 7 maart 2018, met nummer PL1300-2018047280, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] (p. 5-6). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [naam 5]:

Namens winkelbedrijf [bedrijf], gevestigd aan de [adres] te Amsterdam, doe ik aangifte van de diefstal van acht broeken. De totale waarde van de weggenomen goederen bedraagt € 479,60.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van medeplegen, nu de medeverdachte geen bijdrage heeft geleverd aan het feit, dan wel dat diens bijdrage onvoldoende is om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de medeverdachte, [medeverdachte], meerdere winkels in een vast patroon hebben bezocht. Zij liepen namelijk gescheiden van elkaar de betreffende winkels in, keken oplettend naar het winkelpersoneel en liepen gescheiden van elkaar de winkels weer uit, waarbij [medeverdachte] iedere keer de winkels als eerste verliet, gevolgd door de verdachte. Vervolgens zijn de verdachten naar kledingwinkel [bedrijf] gegaan. In de [bedrijf] keken de verdachte en [medeverdachte] om zich heen naar het winkelpersoneel waarna zij samen de trap op liepen naar de mannen afdeling. [medeverdachte] liep meerdere keren terug naar de trap en keek om zich heen in de richting van het winkelpersoneel. De verdachte stopte ondertussen een stapel spijkerbroeken in een geprepareerde tas. Toen [medeverdachte] richting de verdachte liep, schoof deze de tas gelijk weg en liep weg met de tas. Enkele seconden later kwam een winkelmedewerker vlak bij de verdachten staan. Vervolgens liep [medeverdachte], wederom, als eerste de winkel uit gevolgd door de verdachte.

Naar het oordeel van het hof duiden de gedragingen van de verdachten, zoals die hierboven zijn weergegeven en blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen naar hun uiterlijke verschijningsvorm op het vooropgezette plan om een winkeldiefstal te plegen, waarbij de verdachten als een nauw samenwerkend team opereerden en hun gedragingen op elkaar afstemden. Naar het oordeel van het hof zijn de gedragingen van de verdachten zozeer met elkaar verweven dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor diefstal zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft – vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten – verzocht geen gevangenisstraf op te leggen die de duur van twee maanden overschrijdt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, waarbij de verdachte en zijn mededader spijkerbroeken met een aanzienlijke waarde hebben weggenomen. Daarmee heeft hij geen respect betoond voor het eigendomsrecht van het betreffende winkelbedrijf en dit bedrijf overlast bezorgd. De verdachten hebben het feit op tamelijk geraffineerde wijze, en waarbij gebruik is gemaakt van een geprepareerde tas, gepleegd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2018 is hij eerder voor een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Vanwege de recidive, de wijze waarop de diefstal, in geraffineerde samenwerking met een ander, is uitgevoerd en de hoge waarde van de buitgemaakte goederen kan alleen worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 augustus 2018.

mr. M.L.M. van der Voet is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.