Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2979

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
23-004295-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal horloges met bedreiging geweld en afpersing in vereniging. Bewijsverweren, betrouwbaarheid verklaringen, alternatieve scenario's.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004295-14

datum uitspraak: 30 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-670088-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 januari 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op de openbare weg Pieter Vlamingstraat, in elk geval op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen tien, in elk geval een of meer, (exclusieve) horloge(s) (waaronder van het/de merk(en) Conquestador Cortez en/of Conquestador en/of Bichrono Steel en/of Cartier Boutique Limite en/of Cartier Roadster en/of Breitling Bently Motors) en/of een Iphone (merk Apple), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een vuurwapen (met geluiddemper), in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand heeft/hebben genomen en/of aan [slachtoffer 1] een vuurwapen (met geluiddemper), in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of heeft/hebben voorgehouden en/of (daarbij) heeft/hebben gezegd: "En nu wegwezen. Telefoon", althans woorden van gelijke aard of strekking;

en/of

hij op of omstreeks 24 januari 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op de openbare weg Pieter Vlamingstraat, in elk geval op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging van geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van tien, in elk geval een of meer, (exclusieve) horloge(s) (waaronder van het/de merk(en) Conquestador Cortez en/of Conquestador en/of Bichrono Steel en/of Cartier Boutique Limite en/of Cartier Roadster en/of Breitling Bently Motors) en/of een Iphone (merk Apple), in elk geval enig(e) goed(erren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een vuurwapen (met geluiddemper), in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand heeft/hebben genomen en/of aan [slachtoffer 1] een vuurwapen (met geluiddemper), in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of heeft/hebben voorgehouden en/of (daarbij) heeft/hebben gezegd: "En nu wegwezen. Telefoon", althans woorden van gelijke aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot andere beslissingen ten aanzien van de straf, het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen komt dan de rechtbank.

Bewijsverweren

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij [slachtoffer 1] niet met behulp van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft beroofd. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Op grond van de uit het dossier blijkende gang van zaken is het meest waarschijnlijke scenario dat medeverdachte [medeverdachte] meende met [slachtoffer 2] een oplichtingstruc uit te halen bij [slachtoffer 1] , maar dat [medeverdachte] zelf is besodemieterd door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] die de verzekering wilden oplichten. De verdachte is hierbij onbewust betrokken door [medeverdachte] . De aangifte van [slachtoffer 1] is niet geloofwaardig, onder meer omdat hij door zijn wijze van handelen, waarbij de horloges aan een vreemde zijn meegegeven, niet verzekerd was en getuige [getuige 1] (werkzaam bij [bedrijf 2] ) andere horloges zegt te hebben gezien dan de klokken die [slachtoffer 1] in zijn aangifte heeft genoemd. Ook is aangevoerd dat niet goed voorstelbaar is hoe de verdachte een vuurwapen van meer dan 50 cm lang met daar bovenop nog een geluiddemper geschroefd uit zijn binnenzak zou hebben getrokken noch dat [slachtoffer 1] direct na de beroving zonder amok te maken naar het café terug is gelopen.

Ter ondersteuning van dit betoog heeft de raadsman gewezen op de inhoud van een aantal afgeluisterde, tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevoerde telefoongesprekken en heeft hij aangevoerd dat niemand van de overige getuigen een vuurwapen heeft gezien.

Het hof overweegt als volgt:

Alternatief scenario

Het hof acht het door de verdediging geopperde alternatief scenario niet aannemelijk nu het dossier geen solide aanknopingspunten bevat waarin bevestiging kan worden gevonden voor dit scenario, hoewel de politie onderzoek heeft gedaan naar de handelwijze van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , in welk verband de telefoongesprekken van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enige tijd na de aangifte van [slachtoffer 1] zijn afgeluisterd. De interpretatie van de raadsman van de door hem uitgelichte telefoongesprekken wordt door het hof niet gedeeld. Ook in de omstandigheid dat de handelwijze van [slachtoffer 1] opmerkelijk genoemd mag worden en in verschillende opzichten onverstandig, ziet het hof geen serieus te nemen aanwijzing voor een scenario als door de raadsman geschetst. Daar komt bij dat belangrijke elementen in de verklaring die medeverdachte [medeverdachte] heeft afgelegd over hoe dit scenario zich zou hebben voltrokken aantoonbaar onjuist zijn dan wel wringen met bewijsmateriaal in het dossier. In dit verband wijst het hof op de verklaring van [medeverdachte] bij de politie op 26 januari 2011, inhoudend dat hij, kort voor het moment waarop [slachtoffer 1] uit de auto van [medeverdachte] stapte en [medeverdachte] met de verdachte wegreed, nog contact had [naar het hof begrijpt: via zijn mobiele telefoon] met [slachtoffer 2] om te vragen hoe hij van [slachtoffer 1] af moest komen. Dit gesprek komt echter niet voor in de historische telefoongegevens van [medeverdachte] . En volgens deze gegevens is het laatste contact tussen een bij [medeverdachte] aangetroffen telefoon en de (enige) telefoon van [slachtoffer 2] om 14:15.57 uur geweest. Voorts blijkt uit de camerabeelden van [bedrijf 2] dat [medeverdachte] op dat tijdstip nog bij de juwelier was. Het door [medeverdachte] gestelde contact met [slachtoffer 2] heeft op dat moment dus níet plaatsgevonden

Afbreuk aan de aannemelijkheid van het door de verdediging geopperde scenario doet voorts, dat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij het horloge van het merk Audemars Piguet, dat hij bij zijn aanhouding om zijn pols droeg, enkele dagen vóór 24 januari 2011 van [slachtoffer 2] had gekocht. Zou deze verklaring juist zijn, dan maakte dit horloge geen deel uit van de horloges die [medeverdachte] volgens het plan van [slachtoffer 2] zogenaamd van [slachtoffer 1] zou gaan kopen. Daarmee staat op gespannen voet dat volgens [getuige 1] , werkzaam bij [bedrijf 2] , [medeverdachte] ook dit horloge heeft laten taxeren op 24 januari 2011. Daartegenover sluit de verklaring van [getuige 1] juist goed aan bij de verklaring van [slachtoffer 1] dat de Audemars Piguet onderdeel was van de te verkopen horloges en dat dit horloge op 24 januari 2011 in de gele Jumbotas zat met de rest van de weggenomen horloges. Tegen deze achtergrond hecht het hof geen geloof aan de door [medeverdachte] gegeven verklaring voor het bezit, bij zijn aanhouding op 24 januari 2011, van het van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afkomstige Audemars Piguet horloge.

Overigens rechtvaardigt de lagere taxatie door [getuige 1] van de hem getoonde horloges naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat hem andere dan de door [slachtoffer 1] als van hem weggenomen opgegeven horloges zijn getoond. Uit de bij de verklaring van [getuige 1] gevoegde gespecificeerde opsomming van de hem getoonde horloges leidt het hof af dat het om dezelfde horloges gaat.

In verband met de op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 mei 2014 afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte] dat het horloge van het merk DeLaCour op de foto’s van juni 2011 in diens BlackBerry van [getuige 2] is, is laatstgenoemde door de raadsheer-commissaris gehoord. In dat verhoor is hij ook geconfronteerd met een door de verdediging van [medeverdachte] in het geding gebracht emailbericht van 9 oktober 2014 waarin [getuige 2] zou hebben bevestigd dat het zijn horloge is. In zijn verhoor door de raadsheer-commissaris op 1 december 2015 is [getuige 2] met deze email geconfronteerd en heeft hij verklaard dat hij dat emailbericht niet heeft verstuurd en dat het emailadres waarmee dit bericht is verstuurd geen emailadres van hem was (geweest). Ook inhoudelijk biedt de verklaring van [getuige 2] geen verklaring voor het in het bezit zijn van het DeLaCour-horloge bij [medeverdachte] in juni 2011. Daar komt nog bij dat [slachtoffer 1] dit horloge aan de opvallende niet-originele polsband heeft herkend als een van de gestolen horloges. Ook het Cvtos horloge om de pols van [medeverdachte] op een in juni 2011 gemaakte foto heeft [slachtoffer 1] (gemotiveerd) herkend als van hem gestolen. Het hof ziet de hiervoor bedoelde foto´s van [medeverdachte] mitsdien als bewijs van het feit dat [medeverdachte] in juni 2011 beschikte over de van [slachtoffer 1] weggenomen DeLaCour- en Cvtos-horloges. Het hof ziet voorts in de Ping-gesprekken van [medeverdachte] van juni 2011 waarin deze de suggestie wekt te beschikken over verschillende exclusieve horloges van hetzelfde merk en type (Franck Muller, DeLaCour en Cvtos) als de weggenomen horloges en deze te gelde lijkt te willen maken een sterke aanwijzing dat [medeverdachte] destijds de beschikking had over een nog groter deel van de buitgemaakte horloges (in het bijzonder die van het merk Franck Muller, in de tenlastelegging aangeduid met hun type-benaming Conquestador en Conquestador Cortez).

In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de van [slachtoffer 1] onderscheidenlijk [slachtoffer 2] afkomstige Breitling- en Hublot-horloges waarover [medeverdachte] en Norde bij hun aanhouding beschikten niets anders waren dan een deel van de buit van het door hen gepleegde misdrijf.

Betrouwbaarheid [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van het hof is de aangifte van [slachtoffer 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De door de verdediging geopperde motieven voor [slachtoffer 1] om ten aanzien van het gebruik van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) onjuist te verklaren, acht het hof, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk. [slachtoffer 1] heeft in zijn aangifte en nadien consistent verklaard en zijn verklaringen vinden op essentiële onderdelen steun in de overige bewijsmiddelen. Zo heeft getuige [getuige 3] (de chauffeur van [slachtoffer 1] ) verklaard dat toen [slachtoffer 1] (na de beroving) aan kwam rennen, hij eigenlijk al meteen wist dat het fout was. [slachtoffer 1] was helemaal in paniek en overstuur. [slachtoffer 1] vertelde aan [getuige 3] dat hij was geript door die mensen en met een pistool was bedreigd. Ook aan [slachtoffer 2] en de ter plaatse gekomen politie heeft [slachtoffer 1] verteld dat hij met een pistool (met demper) was bedreigd. Bij de aanhouding van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , later op dezelfde dag, zijn bij hen twee van de gestolen horloges aangetroffen. Op foto’s die zijn aangetroffen op de BlackBerry van [medeverdachte] heeft [slachtoffer 1] twee andere horloges herkend aan eigenschappen van deze horloges die hij al bij zijn aangifte had genoemd.

De omstandigheid dat het door [slachtoffer 1] in zijn verklaring bij de rechter-commissaris omschreven vuurwapen ongeveer 50 centimeter (het hof begrijpt, anders dan de raadsman: inclusief de demper op de loop van ongeveer 30 centimeter) groot was, acht het hof niet van dien aard dat het daardoor voor de verdachte niet mogelijk kan zijn geweest dat vuurwapen vanaf de passagiersstoel op de op de achterbank gezeten [slachtoffer 1] te richten.

Verklaringen van de verdachte

De verdachte is op 24 januari 2011 omstreeks 21.35 uur samen met medeverdachte [medeverdachte] aangehouden in de auto die bij de beroving was gebruikt. Bij de verdachten zijn twee van de eerder die dag gestolen horloges aangetroffen. De verdachte heeft enkele dagen na zijn aanhouding verklaard dat hij er die middag niet bij was en pas om 17.30 uur bij [medeverdachte] in de auto is gestapt. Eerst op de terechtzitting van 9 oktober 2014 heeft hij verklaard dat hij als bijrijder in de auto zat op het moment dat [medeverdachte] een afspraak had met [slachtoffer 2] en dat zij naar een juwelier zijn gereden. In hoger beroep heeft de verdachte geen plausibele verklaring gegeven voor deze verschillen. Hij heeft aan zijn laatste verklaring nog toegevoegd dat hij wel vermoedde dat het ‘foute boel’ was, maar dat hij desondanks in de auto is blijven wachten. De verdachte heeft voorts - voor het eerst – in hoger beroep verklaard dat hij die middag door [medeverdachte] is afgezet bij de flat [adres 1] in Amsterdam-Zuidoost voor een bezoek aan zijn tante (de moeder van [medeverdachte] ) en daarna weer door [medeverdachte] is opgehaald. Gelet op deze wisselende verklaringen – tegen de achtergrond van de bewijsmiddelen - acht het hof de stelling van de verdachte dat hij op geen enkele wijze was betrokken bij de beroving en afpersing van [slachtoffer 1] , niet geloofwaardig.

De verweren worden in al hun onderdelen verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 januari 2011 te Amsterdam op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen tien (exclusieve) horloges, waaronder van de merken Cartier en Breitling, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader aan [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben voorgehouden en daarbij hebben gezegd: “En nu wegwezen”

en

hij op 24 januari 2011 te Amsterdam op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk zichzelf en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een iPhone merk Apple, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader aan [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben voorgehouden en daarbij hebben gezegd: “Telefoon”.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de onderstaande bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte met bijlagen van 24 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde p. 1-21. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van [slachtoffer 1] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van een overval, gepleegd op 24 januari 2011 op de [adres 3] te Amsterdam, ook namens mijn werkgever [bedrijf 1] . Deze overval is gepleegd door twee daders. Bij deze diefstal zijn horloges gestolen die mijn werkgever in eigendom toebehoren. Ook is bij deze diefstal mijn iPhone gestolen.

Afgelopen zaterdag heeft [slachtoffer 2] mij gebeld en vroeg hij mij of ik wat klokken kon laten zien. Hiermee bedoel ik horloges. [slachtoffer 2] vroeg naar exclusieve horloges en met name naar met diamanten bezette horloges. [slachtoffer 2] zou hier een klant voor hebben.

Mijn chauffeur, [getuige 3] , heeft afgelopen zaterdag een afspraak gehad met [slachtoffer 2] en de potentiële koper. Ik heb [getuige 3] 12 exclusieve horloges meegegeven. De potentiële koper had er een aantal uitgezocht die hij sowieso graag wilde hebben en een aantal is later door deze koper aan mij telefonisch doorgegeven en bevestigd. Uiteindelijk was er een order van 10 horloges die deze man graag wilde hebben. Ik had zelf geen idee wat de naam van de koper was. [slachtoffer 2] noemde hem [medeverdachte] (hof: medeverdachte [medeverdachte]).

Vandaag (het hof begrijpt: 24 januari 2011) zag ik de koper voor het eerst. Ik heb hem die klokken toen laten zien. We hadden een afspraak in een café aan de Dappermarkt (het hof begrijpt: in Amsterdam). Ik heb de spullen in de dozen aan hem laten zien. Hij belde nog iemand die [naam] heette. Deze [naam] zou werken bij de juwelier op de hoek van de Eerste Van Swindenstraat. [slachtoffer 2] en [medeverdachte] zijn naar die juwelier gelopen met de horloges in een onopvallende Jumbotas. Ik bleef in dat café zitten met [getuige 3] . Ik zei nog wel dat ik het vreemd vond en na vijf of tien minuten ben ik er ook heen gelopen. Ik kreeg het idee dat er misschien iets niet kon kloppen. Ik zag [medeverdachte] inderdaad in de winkel staan. Ongeveer vijf minuten later kwam [slachtoffer 2] met de tas in zijn hand en [medeverdachte] weer terug het café in. De horloges waren goedgekeurd. Die [medeverdachte] belde meerdere keren met [naam] om geld voor die klokken apart te leggen. Uiteindelijk na een paar keer bellen was het geregeld. [slachtoffer 2] ging hierna met [medeverdachte] weg en stapte met [medeverdachte] bij een man in een zwarte Opel Insignia.

Ik ben daarna op verzoek van [slachtoffer 2] naar de juwelier gelopen. Op het moment dat ik daar aan kwam lopen, zag ik dat [medeverdachte] met de Jumbotas uit de juwelier kwam lopen. [medeverdachte] zette die tas op de achterbank van de Opel. Ik ben in deze auto gestapt om te kijken of de dozen nog vol zaten. Ik zag dat in de ongeveer acht door mij gecontroleerde dozen alle horloges er nog in zaten.

Ik had toen het vermoeden dat het allemaal niet helemaal pluis was. Ik wilde bij de spullen blijven zitten omdat het allemaal lang duurde en het er geheimzinnig aan toeging. Ik maakte een praatje met de man op de bijrijdersstoel (hof: de verdachte).

[medeverdachte] kwam terug en ging achter het stuur zitten. Ik zat achterin naast mijn tas met spullen.

[medeverdachte] reed weg en zei dat we hier weg moesten omdat het hier een gevaarlijke plek was. We

staken de Dapperstraat over en parkeerden de auto op die parkeerplaatsen daar. [medeverdachte] pakte de tas met horloges en gooide deze in de achterbak. Ik snapte er niets van en voelde me bedreigd. Ik voelde dat het mis was met mijn spullen in de achterbak. Ik werd bang. Die vent op de bijrijdersstoel trok in één keer een groot vuurwapen met een grote demper erop. Hij richtte direct het wapen op mij. Ik schrok en dacht echt de lul te zijn. Toen die man dat pistool trok zei [medeverdachte] niets, die man had gewoon geen emotie. Die man met het pistool schreeuwde. Ik hoorde dat hij zei: “En nu wegwezen! Telefoon!”. Ik sprong direct uit de auto. Ik gooide de telefoon naar die man. Ik rende naar die kroeg toe en ben met [getuige 3] in mijn auto naar de juwelier gereden waar [slachtoffer 2] was. Ik was overstuur en zei dat het mis was, dat ze ons overvallen hadden.

De iPhone die van mij is gestolen, heeft een simkaart met nummer [nummer] .

Er zijn 10 horloges weggenomen. Er zaten ook twee horloges van [slachtoffer 2] bij: een Audemars

Piguet en een imitatie Hublot. Ik heb horloges in consignatieverkoop en daar zaten er ook drie van bij.

Een van de bij het proces-verbaal gevoegde bijlagen houdt als lijst van weggenomen horloges in:

Cartier Roadster

Hublot Chocolate Big Bang

Franck Muller Conquestador Cortez,

Franck Muller Conquestador

Breitling Bentley Motors

Cvstos Challenge Duo Time

Audemars Piguet Royal Oak

Jacob&Co Five Time zone

DeLaCour Bi Chrono Steel (zwarte Aligatorband),

Cartier Boutique Limité.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 26 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde p. 22-25. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van [getuige 3] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Afgelopen zaterdag 22 januari 2011 ben ik in opdracht van [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer 1] Hendrik [slachtoffer 1] ) naar Amsterdam gereden. [slachtoffer 1] vertelde mij dat ik naar [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) moest met een aantal horloges, omdat [slachtoffer 2] een klant had voor horloges. Ik zag dat het een donkere man was met lange dreadlocks. [slachtoffer 2] vertelde [slachtoffer 1] welke horloges de donkere man wilde hebben. Ik heb niet gezien dat de donkere man op dat moment horloges van [slachtoffer 2] kocht.

Op maandag (het hof begrijpt: 24 januari 2011) ben ik met [slachtoffer 1] in de auto naar Amsterdam gereden. [slachtoffer 2] ging met zijn eigen auto. We hebben in het café een uurtje gewacht op de klant. Een uur na de afgesproken tijd kwam de klant aanrijden in een Opel Insignia. De donkere klant ging naast [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zitten en ik zag dat de klant de horloges bekeek. Ik ben toen naar buiten gelopen om mijn auto te checken en toen zag ik die Opel en ik zag dat er een andere man in zat. Ik zag dat die man ook donker was.

De donkere man is weggegaan om geld te halen. Toen de man weer terugkwam bleek dat hij de horloges wilde laten bekijken, om te kijken of de horloges echt waren. Dat moest bij een andere juwelier gebeuren. [slachtoffer 2] en de donkere man zijn toen met de horloges in een Jumbotas het café uit gegaan. Later kwam [slachtoffer 2] met de donkere man terug in het café. Ik hoorde dat de donkere man zei dat hij geld moest regelen en dat het geld op een andere plek zou zijn.

[slachtoffer 2] en de donkere klant zouden weer naar de juwelier gaan omdat daar het geld zou worden overhandigd. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn met de tas naar de juwelier gegaan. Ik ben toen achtergebleven in het café. Toen zag ik [slachtoffer 1] aan komen rennen en toen wist ik meteen dat het fout was. [slachtoffer 1] was helemaal in paniek, hij was overstuur. Hij vertelde mij dat hij door die mensen was geript. Hij vertelde mij dat hij met een pistool was bedreigd.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 24 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , doorgenummerde p. 26-32. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van [slachtoffer 2] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik zei tegen [slachtoffer 1] dat ik een man met lange rastaharen had ontmoet die klokken met

stenen (het hof begrijpt: edelstenen) wilde kopen. Op zaterdag 22 januari 2011 heb ik hem een aantal klokken laten zien. De chauffeur van [slachtoffer 1] heeft de hele tijd staan wachten. Ik heb [slachtoffer 1] gebeld dat de man met de lange rastaharen klokken wilde kopen.

Op maandag 24 januari 2011 was ik samen met [slachtoffer 1] en zijn chauffeur in café ‘ [café]

(het hof begrijpt: in de Dapperstraat te Amsterdam). Ik zag dat de man met de lange rastaharen het café binnen kwam lopen. Ik zag dat [slachtoffer 1] een koffer met daarin diverse klokken aan de man met de lange rastaharen liet zien. De klokken die de man had besteld, zaten in een grote Jumbotas. In totaal wilde de man negen klokken kopen en hij wilde één imitatieklok er gratis bij krijgen. Ik hoorde dat de man de negen klokken wilde kopen voor een bedrag van

€ 120.000. [slachtoffer 1] en ik zijn hiermee akkoord gegaan. Ik hoorde dat de man zei: “ik ga het geld halen”.

Na ongeveer 45 minuten, misschien wel een uur kwam de man terug in het café en zei dat hij

de klokken wilde laten controleren bij een juwelier. Ik vond het goed en ben toen alleen met

de Jumbotas in de auto van de man met lange rastaharen gaan zitten. Ik ging achter de bijrijder zitten. Ik zag dat een man op de bijrijdersstoel zat. Ik zag dat de man met de lange rastaharen achter het stuur ging zitten en wegreed in de richting van de juwelier. Ik zag dat hij [bedrijf 2] binnenging. Vervolgens zag ik dat hij terug kwam lopen naar de auto en ik hoorde dat hij zei: “ik wil even je klokken laten controleren door die maat van mij. Het is een beetje druk binnen, hoop mensen, dus ik doe het wel even alleen”. Ik heb vervolgens twee klokken meegegeven. De man kwam teruglopen en zei: “Het ziet er goed uit, perfect”. Vervolgens hoorde ik hem zeggen dat het geld er nog niet was. Wij zijn toen met de auto van de man naar het café gereden om een broodje te halen. Ik heb de klokken toen aan [slachtoffer 1] gegeven.

Daarna zijn we naar de [bedrijf 2] gereden voor het geld. De man met de rastaharen ging de juwelier binnen en kwam na drie, vier minuten terug. Ik bleef in de auto zitten met de vriend van de man met de rastaharen. De man met de rastaharen zei: het geld is er pas over 30, 40 minuten. Vervolgens zijn we teruggegaan naar café [café] ’.

De man met de lange rastaharen zei “die maat van mij wil toch alle klokken controleren op echtheid”. Ik heb toen de tas bij [slachtoffer 1] vandaan gepakt en ben toen weer in de auto gestapt bij de man met de lange rastaharen en ben achter de bijrijder gaan zitten. We zijn met z’n drieën weer naar de juwelier gereden. Ik zag dat de man met de lange rastaharen met de Jumbotas met daarin 10 klokken, [bedrijf 2] binnenliep. Ik heb gezegd dat ik bij de ingang op hem zou

wachten. Ik heb [slachtoffer 1] gebeld en gezegd: “Er gaat hier afgerekend worden, ik wil dat je deze kant op komt”. Terwijl ik daar stond heb ik het kenteken van de zwarte Opel Insignia

opgeslagen in mijn telefoon. Het kenteken is: [kenteken] .

Terwijl [slachtoffer 1] aan kwam lopen, zag ik dat de man met de lange rastaharen de juwelier uit kwam lopen. Ik pakte de tas van de man en liep naar de auto van de man met de lange rastaharen. Ik zag dat [slachtoffer 1] achterin in de auto stapte en achter de bestuurdersstoel ging zitten. Ik gaf de tas vervolgens aan [slachtoffer 1] en zei: “Controleer of die klokken nog goed zijn, kijk ze na”. Ik hoorde hem na een tijdje zeggen: “Het is goed”. Vervolgens werd ik door de man met de lange rastaharen [bedrijf 2] ingeroepen. Ik hoorde dat hij zei: “Mijn vriend zet even een kop thee voor je”. De man met de lange rastaharen zei: “Er staan parkeerwachters. Moet ik hier met een parkeerkaart betalen of met geld?”. De man met de lange rastaharen liep naar buiten. Ik kreeg een kop thee van de juwelier. Vervolgens werd ik gebeld en hoorde ik dat [slachtoffer 1] zei: “Ze hebben me overvallen, ik heb een pistool op mijn kop gehad”. Ik zag dat [slachtoffer 1] mij met de telefoon van zijn chauffeur had gebeld.

In totaal zijn er tien klokken weggenomen. Twee van deze klokken zijn van mij: Audemars

Piguet, blauwe band, diamant gezet en Hublot Chocolat Rose.

4. Een proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , doorgenummerde p. 40-42. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, of van een of meer van hen, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 24 januari 2011 omstreeks 14.45 uur bevonden wij ons met autosurveillance belast op de Eerste van Swindenstraat te Amsterdam. Aldaar werden wij aangesproken door een man die opgaf te zijn genaamd [slachtoffer 1] . Hij verklaarde: “Ik ben net beroofd op de [adres 3] door twee Antillianen. Verderop staat een man die het kenteken genoteerd heeft van de auto waarin die twee zijn weggereden.”

Ik, eerste verbalisant, hoorde een man die opgaf te zijn genaamd [slachtoffer 2] . Hij verklaarde: “die twee gasten zijn weggereden in een zwarte Opel Insignia met kenteken [kenteken] . Ze hebben voor meer dan 100.000 aan klokken meegenomen. Ze staan ook op beeld bij [bedrijf 2] . Vervolgens sprak ik, derde verbalisant, met [slachtoffer 1] die het volgende verklaarde:

“Ik ben ingestapt in die auto waarvan mijn maat het kenteken heeft opgeschreven. Toen zijn we een rondje gaan rijden en bij een rustig stukje zette de chauffeur de auto aan de kant en kreeg ik een pistool met demper op mijn hoofd. Ik ben toen zo snel mogelijk de auto uit gegaan. Ik dacht nog: hier ga ik”.

5. Een proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , doorgenummerde pag. 43-47. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, of van een van hen, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 24 januari 2011 ‘s avonds hoorden wij dat eerder op de dag een overval had plaatsgevonden waarbij vuurwapens waren gebruikt, dat horloges waren buitgemaakt en dat de daders waren weggereden in een donkerkleurige Opel van het type Insignia, voorzien van kenteken: [kenteken] . Uit de politiesystemen bleek dat dit een huurauto was en werd gebruikt door een man genaamd [medeverdachte] , die woonachtig zou zijn op [adres 2] te Amsterdam. Hierop hebben wij onderzoek verricht in de omgeving van [adres 2] . Wij zagen omstreeks 21.35 uur een Opel Insignia met het kenteken [kenteken] voorbij rijden. Wij reden direct achter dit voertuig aan. Wij zagen dat de bestuurder zijn alarmlichten aan deed en vervolgens uitstapte. Hierop zijn wij uitgestapt en hebben wij de bestuurder aangehouden. De bestuurder bleek later te zijn genaamd: [medeverdachte] .

Vervolgens ben ik naar de passagierszijde gelopen alwaar een tweede man zat. Op het moment dat ik bij het portier stond zag ik dat de passagier half voorovergebogen zat en kennelijk iets met zijn handen aan het doen was. Hierop heb ik hem aangehouden. Deze persoon bleek later te zijn genaamd: [verdachte] .

Tijdens de insluiting zijn de horloges die de genoemde verdachten droegen terstond

inbeslaggenomen.

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 26 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , doorgenummerde p. 37a-37h. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van [medeverdachte] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) zei dat het gouden Breitling Bentley-horloge heel duur was. Dit horloge lag op de achterbank (het hof begrijpt: ten tijde van de aanhouding van de verdachte en zijn medeverdachte op 24 januari 2011). Het Hublot Chocolate-horloge heb ik aan mijn neef (het hof begrijpt: de verdachte) gegeven. Ik had zelf ook een horloge om en die had steentjes en de band was blauw (het hof begrijpt: het in bewijsmiddel 9 genoemde horloge). In de auto lag een doosje dat afkomstig is van [slachtoffer 2] .

Die man zat bij mij in de auto (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] op 24 januari 2011). Toen die man uit de auto kwam ben ik snel weggereden.

7. Een proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming van 24 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] , doorgenummerde p. 206-210. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van voornoemde verbalisant, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb de volgende voorwerpen in beslaggenomen:

- een doosje met opschrift ‘DeLaCour’. inhoudende een zwaar voorwerp

- een doosje met opschrift ‘Breitling’, inhoudende een zwaar voorwerp

De goederen werden aangetroffen in de auto van de verdachten.

8. Een proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming van 28 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde p. 200-202. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van voornoemde verbalisant, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb het volgende voorwerp in beslag genomen: horloge van het merk Breitling.

Het goed werd aangetroffen in de auto van de verdachten.

9. Een proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming van 25 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde p. 197-198. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van voornoemde verbalisant, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Bij de fouillering had verdachte [medeverdachte] een horloge om zijn pols. Ik heb dit in beslag genomen. Het is een horloge van het merk: royal oak, gezet met diamanten (het hof begrijpt: Audemars Piguet Royal Oak).

10. Een proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming van 24 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12] , doorgenummerde p. 194-196. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van voornoemde verbalisant, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Onder verdachte [verdachte] heb ik een horloge van het merk-type Hublot Big Bang in beslag genomen.

11. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van 14 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] , doorgenummerde p. 256-282. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van voornoemde verbalisant, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 1 juli 2011 is de BlackBerry, die in de slaapkamer van [medeverdachte] is aangetroffen,

uitgelezen. Hieronder volgt een beschrijving van de gevonden foto’s op de telefoon:

Foto 1, gemaakt op 19 juni 2011: horloge van het merk DeLaCour.

Foto 4, gemaakt op 16 juni 2011: foto van [medeverdachte] met om zijn linker pols eenzelfde horloge als op foto 1.

Foto 5, gemaakt op 22 juni 2011: horloge van het merk Cvstos Challenge, zwarte band en ingelegd met steentjes.

Foto 6, gemaakt op 24 juni 2011: foto van [medeverdachte] met om zijn linker pols eenzelfde horloge als op foto 5.

De twee bovenstaande horloges tonen dezelfde uiterlijke kenmerken als de horloges die buit zijn gemaakt bij een beroving op 24 januari 2011.

12. Een proces-verbaal met bijlagen van 12 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 14] , doorgenummerde p. 108/283-289/331-335). Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van [slachtoffer 1] en van voornoemde verbalisant, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 13 oktober 2011 toonde ik aan [slachtoffer 1] de foto’s die zijn aangetroffen op een BlackBerry-gsm (hof: de in bewijsmiddel 11 genoemde foto’s). Aangever [slachtoffer 1] verklaarde bij het zien van deze foto’s: Het horloge DeLaCour (op pagina 331) is zeker van mij. Ik weet dit voor 100 procent zeker. Het is namelijk zo dat die zwarte band niet origineel bij het horloge hoort. Het Cvstos-horloge (op pagina 335) herken ik ook. Dit horloge had ik in consignatie om te verkopen. De diamantjes horen niet standaard op dit horloge thuis. Deze zijn later pas op het horloge gezet. De doos op de foto (op pagina 108) hoort bij dit horloge. Het Cvstos-horloge zat op de dag van de diefstal in deze doos.

13. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2018, voor zover van belang inhoudend:

Ik kan mij 24 januari 2011 nog herinneren. Ik was die dag rond 12.00 in Amsterdam op Station Sloterdijk. Daar werd ik opgehaald door [medeverdachte] . [medeverdachte] had een afspraak met [slachtoffer 2] . [medeverdachte] had mij gevraagd mee te gaan. Bij het café zat ik een hele poos in de auto van [medeverdachte] . Ik zat op de bijrijdersstoel. Ik zag [medeverdachte] en de man die u [slachtoffer 2] noemt, samen praten. [bedrijf 2] kon ik zien vanuit de auto. Ik zag [medeverdachte] en [slachtoffer 2] daar een paar keer naar binnen gaan.

De latere aangever [slachtoffer 1] zat op een gegeven moment achter ons.

In die tijd maakte mij niets uit, ik had toch niets te doen, was gewoon een meeloper

Die avond zijn wij aangehouden. Ik droeg een Hublot-horloge. Ik heb in de auto een gouden

Breitling-horloge zien liggen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal op de openbare weg, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing op de openbare weg, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een tamelijk geraffineerd voorbereide beroving van een juwelier. De medeverdachte heeft zich tegenover het slachtoffer voorgedaan als bonafide koper door exclusieve horloges te bestellen, deze te laten taxeren en een prijs overeen te komen. Op het moment dat het slachtoffer zich samen met de verdachte en de medeverdachte in de auto bevond en de medeverdachte de horloges in de koffer had gelegd, toonde de verdachte het slachtoffer een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en sommeerde hem de auto te verlaten en zijn iPhone af te geven. De horloges vertegenwoordigden een grote waarde. Het slachtoffer heeft dit handelen van de verdachte en de medeverdachte als zeer bedreigend ervaren en heeft gevreesd voor zijn leven. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven daarvan nog lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. De verdachte en de medeverdachte hebben zich hiervan geen enkele rekenschap gegeven en hebben slechts hun eigen financieel gewin voor ogen gehad.

Het hof heeft gelet op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In die oriëntatiepunten wordt een gevangenisstraf van twee jaar genoemd voor een overval op een winkel met licht geweld en/of bedreiging. Naar het oordeel van het hof is het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte daarmee vergelijkbaar, ook al vond het niet plaats in een winkel.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 juli 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder een soortgelijk feit als het onderhavige. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte.

Gelet op het voorgaande en gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is in beginsel de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf alleszins passend.

Het hof houdt bij het bepalen van de straf rekening met het feit dat de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep ongeveer zeven en een half jaar heeft geduurd, hetgeen in beide instanties een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM oplevert. Deze overschrijding is niet aan de verdachte te wijten. Het hof zal daarom deze overschrijding verdisconteren in de op te leggen gevangenisstraf door de passend geoordeelde gevangenisstraf van twee jaren te verminderen met drie maanden.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep met stukken onderbouwd aangevoerd dat hij thans betaald werk heeft, waarvoor hij ook de nodige opleidingen heeft gevolgd. Hij heeft de gedeelde zorg voor zijn twee kinderen.

Hoewel de ernst van het bewezen verklaarde zonder meer een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt, ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hof ziet geen aanleiding de verdachte een lagere straf op te leggen omdat zijn rol bij het bewezen verklaarde kleiner zou zijn geweest dan die van zijn mededader, zoals de raadsman subsidiair heeft bepleit.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Deze bedraagt € 1.700. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk zal worden toegewezen.

De raadsman heeft de vordering betwist.

Het hof overweegt het volgende.

Artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt indien:

a. de aansprakelijke persoon het oogmerk had dergelijke schade toe te brengen of

b. de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Deze schadevergoeding wordt vastgesteld naar billijkheid, zodat rekening kan worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte het oogmerk had het slachtoffer immateriële schade toe te brengen en evenmin sprake is van toegebracht lichamelijk letsel of aantasting in de eer of goede naam, zal het hof moeten nagaan of het slachtoffer op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Daarvoor is, in gevallen als de onderhavige, niet vereist dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Wel zal in beginsel moeten vaststaan dat de benadeelde geestelijk letsel van min of meer ernstige aard heeft opgelopen. Door of namens de benadeelde zullen voldoende concrete gegevens moeten zijn aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische beschadiging is ontstaan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in het voegingsformulier en de schriftelijke slachtofferverklaring weliswaar de gevolgen die het slachtoffer van het bewezen verklaarde heeft ondervonden zijn omschreven, maar dat dat niet voldoende is komen vast te staan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 115.526,27. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 376,27. Voor het overige is de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof op dezelfde wijze als de rechtbank op de vordering zal beslissen.

De raadsman heeft de vordering betwist.

Het hof is van oordeel dat, nu een deel van de schade naar zeggen van [slachtoffer 1] (ter terechtzitting in eerste aanleg) door de verzekering is vergoed en niet duidelijk is op welke schade die vergoeding precies ziet, behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan [medeverdachte] van de in beslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    1 zaktelefoon BlackBerry Curve kleur wit (3992467)

  • -

    1 zaktelefoon BlackBerry Bold kleur wit (3992551).

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 2] van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 horloge Hublot Big Bang (3992449).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    1 zaktelefoon Nokia kleur zwart (3992458)

  • -

    1 zaktelefoon Nokia kleur zwart (3992544).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. M.L.M. van der Voet en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van

mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

30 juli 2018.

Mr. Kuiper en mr. Huizenga zijn buiten staat het arrest te ondertekenen.