Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2975

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
23-001770-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne; verweer lager nettogewicht slikkersbollen verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001770-18

datum uitspraak: 15 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 mei 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-077528-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te Distrikt Suriname (Suriname) op [verdachte] 1964,

adres: [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

1 augustus 2018.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 april 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 826,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 april 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden met aftrek van voorarrest. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft namens de verdachte aangevoerd dat bij het bepalen van de straf uit moet worden gegaan van een lager nettogewicht aan verdovende middelen, nu in het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 22 april 2018 onjuist is geverbaliseerd ten aanzien van de hoeveelheid cocaïne in de slikkersbollen die vallen onder categorie A, zodat de onder deze categorie opgenomen hoeveelheid buiten beschouwing moet worden gelaten bij het bepalen van de hoeveelheid. Voorts heeft zij bepleit een deels voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne vanuit Suriname binnen het grondgebied van Nederland gebracht. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De door de verdachte ingevoerde cocaïne zat verborgen in zogenoemde slikkersbollen, in het dossier aangeduid als respectievelijk 39 bollen categorie A en 37 bollen categorie B.

Het nettogewicht van de ingevoerde cocaïne onder categorie B bedroeg 11,8 gram per bol, zijnde in totaal bij 37 bollen circa (37 x 11,8 =) 436,6 gram.

Ten aanzien van categorie A merkt het hof op dat weliswaar vaststaat dat het 39 bollen betreft, maar dat uit het dossier onvoldoende duidelijk blijkt hoeveel gram een bol bevat, nu enerzijds in eerdergenoemd proces-verbaal is vermeld dat een bol 39 gram bevat en anderzijds in dat zelfde proces-verbaal is vermeld dat de totale hoeveelheid van de 39 bollen 390 gram betreft, derhalve 10 gram per bol. Het hof is evenwel van oordeel dat, gelet op de bij het proces-verbaal behorende foto’s op de pagina’s 36 tot en met 39 van het dossier, waaruit volgt dat de bollen van categorie A iets kleiner zijn dan de bollen van categorie B, maar in ieder geval niet kleiner dan de helft van een bol van categorie B, ervan uit mag worden gegaan dat een bol van categorie A in ieder geval 5,9 gram bevat (11,8 : 2), zodat de totale hoeveelheid van de 39 slikkersbollen in categorie A in ieder geval (39 x 5,9 =) 230 gram bedraagt. Het hof gaat in zijn beoordeling dan ook uit van een totaalgewicht van in ieder geval tussen de 500 en 1000 gram nettogewicht.

Gelet op dit gewicht moet de door de verdachte ingevoerde hoeveelheid bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Dit brengt met zich dat niet met een andere sanctie kan worden volstaan dan met een vrijheidsbenemende sanctie. Het hof heeft bij het bepalen van de straf als uitgangspunt genomen de straf vermeld in de hiervoor reeds genoemde LOVS-oriëntatiepunten. Bij de invoer van een gewicht tussen de 500 en 1000 gram is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 8 maanden. Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 juli 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van een soortgelijk feit is veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande acht het hof, alles afwegende, een straf gelijk aan de straf die door de rechtbank is opgelegd passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. W.F. Groos en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van

mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

15 augustus 2018.

[.......]

.