Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2974

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
23-002938-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling, meermalen gepleegd; beroep op noodweer(exces) verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002938-17

datum uitspraak: 15 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer

15-241133-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

1 augustus 2018.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 november 2016 te Den Helder [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een kopstoot in het gezicht, althans tegen het hoofd, te geven en/of die [slachtoffer 2] een vuistslag, althans een klap, in het gezicht te geven en/of die [slachtoffer 3] een trap en/of een knietje tegen haar benen te geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsmiddelen en noodweer(exces)verweer

Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep de volgende feiten vast.

Op 24 november 2016 ziet aangever [slachtoffer 1] vanuit zijn woonkeuken te Den Helder een voor hem onbekende man plantenbakken omgooien.1 [slachtoffer 1] loopt naar buiten om deze man, naar later is gebleken de verdachte, aan te spreken en er ontstaat een woordenwisseling. De verdachte loopt naar aangever toe, waarna zij dicht bij elkaar komen te staan. Vervolgens geeft de verdachte aangever een kopstoot tegen zijn oogkas en neus, waarna aangever zich versuft voelt en een bloedneus heeft. Onder meer getuige [getuige 1] en de vrouw van [slachtoffer 1], aangeefster [slachtoffer 2], nemen deze kopstoot van de verdachte richting [slachtoffer 1] waar.2 Vervolgens ontstaat er een worsteling tussen de verdachte en aangever, waarna ook [slachtoffer 2], die de verdachte kent als [verdachte] of [verdachte], naar de verdachte toeloopt en hem bij haar man probeert weg te krijgen.3 De verdachte geeft haar vervolgens een stoot met zijn vuist op haar hoofd.4 Door deze vuistslag voelt [slachtoffer 2] een pijnscheut in haar gezicht5, scheurt haar bovenlip en breekt de bovenprothese van haar gebit.6 Een aantal buurtbewoners ziet dit gebeuren, waaronder mevrouw [slachtoffer 3]. Zij krijgt ten slotte van de verdachte een knietje tegen haar been, hetgeen door getuige [getuige 2] en aangeefster [slachtoffer 2] wordt bevestigd.7

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend aangever [slachtoffer 1] een kopstoot te hebben gegeven en aangeefster [slachtoffer 2] een vuistslag in het gezicht8, maar stelt dat sprake is geweest van noodweer: de verdachte zou zijn aangevallen, namelijk door aangever [slachtoffer 1] bij (de drukpunten op) zijn schouders zijn vastgepakt en tegen een hek geduwd, en door aangeefster [slachtoffer 2] tegen de elleboog zijn geslagen, waarna hij heeft gehandeld zoals vermeld. De verdediging heeft tevens aangevoerd dat, indien het geweld als disproportioneel moet worden aangemerkt, de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen staat op zichzelf en vindt zijn weerlegging in de hiervoor vermelde verklaringen van aangevers en getuigen, welke verklaringen op hooflijnen overeenkomen. Een noodweersituatie, er in bestaande dat de verdachte werd aangevallen, is niet aannemelijk geworden. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het verweer dat sprake is van noodweer, wordt verworpen.

Nu het hof geen noodweersituatie aanwezig acht, slaagt het beroep op noodweerexces reeds daarom eveneens niet.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 november 2016 te Den Helder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een kopstoot in het gezicht te geven en die [slachtoffer 2] een vuistslag in het gezicht te geven en die [slachtoffer 3] een knietje tegen haar been te geven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van drie personen. Alle drie de personen hebben hierdoor letsel en/of pijn ondervonden, waarvan één, aangeefster [slachtoffer 2], schade aan haar gebitsprothese. Door zijn handelwijze heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers aangetast. Wat er ook zij van de aanleiding tot het incident, was de reactie van de verdachte overtrokken en buitenproportioneel.

Nu de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 juli 2018, gedurende een zeer lange tijd niet meer met de politie of justitie in aanraking is gekomen, en in aanmerking nemende de ter terechtzitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ziet het hof aanleiding om van de door de rechtbank opgelegde, en door de advocaat-generaal gevorderde, straf af te wijken in die zin dat een deel van de straf voorwaardelijk zal worden opgelegd, als stok achter de deur dan wel steun in de rug.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.974,43. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.724,43. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd, en door de verdediging is niet betwist, dat de bovengebitsprothese door het geweldsincident is gebroken en reparatie behoefde. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te weten € 79,88. De overige kosten die namens de benadeelde partij zijn aangevoerd met betrekking tot de gebitsproblematiek leveren naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Met de advocaat-generaal schat het hof de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid op € 500,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 628,66. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen, waarbij de reiskosten naar slachtofferhulp ad € 23,24 zijn aangemerkt als proceskosten. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Ten aanzien van de materiële schade is het hof voldoende gebleken dat de verdachte bijstand heeft verzocht van Slachtofferhulp Nederland. Het hof zal dan ook overgaan tot vergoeding van de reiskosten die hij hiervoor heeft moeten maken. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te weten € 23,24. De overige door hem gevorderde materiële schade is echter onvoldoende onderbouwd en de behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade ad € 350,00, zijdens de verdachte niet verder betwist, komt het hof billijk voor en zal in het geheel worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 579,80 (vijfhonderdnegenenzeventig euro en tachtig cent) bestaande uit € 79,80 (negenenzeventig euro en tachtig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 579,80 (vijfhonderdnegenenzeventig euro en tachtig cent) bestaande uit € 79,80 (negenenzeventig euro en tachtig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 november 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 373,24 (driehonderddrieënzeventig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 23,24 (drieëntwintig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 373,24 (driehonderddrieënzeventig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 23,24 (drieëntwintig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 november 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. W.F. Groos en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van

mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

15 augustus 2018.

[.......]

1 [.......]

2 [.......]

3 [.......]

4 [.......]

5 [.......]

6 [.......]

7 [.......]

8 [.......]