Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2972

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
23-001903-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001903-17

Datum uitspraak: 17 april 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-062866-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

adres in het buitenland: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof de gronden waarop de straf berust zal vervangen door de navolgende en het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde bewijsverweer zal bespreken en de bewijsmiddelen zal aanvullen.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd i) dat geen sprake is van diefstal nu uit het bonnetje dat zich in het tasje met daarin de riemen en de zonnebril bevond blijkt dat de betreffende goederen waren afgerekend, ii) dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat het betreffende tasje niet van de verdachte is, alsmede iii) dat sprake is van een res nullius (het hof begrijpt: res derelicta) nu niemand aanspraak op het tasje heeft gemaakt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

  1. dat zich in het tasje een bonnetje bevond waaruit blijkt dat de beide riemen door de rechtmatige eigenaar zijn afgerekend, maakt niet dat er geen sprake meer kan zijn van diefstal in de zin van art. 310 Sr;

  2. uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het tasje niet aan de verdachte toebehoorde, nu daaruit blijkt dat de verdachte niet in het bezit van het tasje was toen hij het betreffende terras op liep, terwijl de verdachte voorts niet heeft verklaard dat het tasje aan hem toebehoorde;

  3. dat niemand aanspraak heeft gemaakt op het tasje maakt niet dat het daarmee kan worden gezien als een res derelicta. De onderhavige feiten en omstandigheden, meer in het bijzonder het feit dat uit het zich in het tasje bevindende bonnetje blijkt dat de beide riemen tamelijk kort voor de wegnemingshandeling zijn gekocht, rechtvaardigen geenszins de gedachte dat de rechtmatige eigenaar daarvan vrijwillig afstand heeft gedaan, terwijl voorts de verdachte dat ook niet heeft kunnen denken op het moment dat hij zich het tasje toegeëigende. De enkele omstandigheid dat het tasje kennelijk onbeheerd was achtergelaten door de rechtmatige eigenaar, is daartoe onvoldoende.

Naar het oordeel van het hof zijn de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijk verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het wegnemen van het betreffende tasje met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening, dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is. Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Bewijsmiddelen

2. Aan de inhoud van bewijsmiddel 2 wordt aan de eerste volzin toegevoegd: “omstreeks 20.00 uur”, zodat deze zin komt te luiden als volgt:

“Op 2 april 2017 omstreeks 20.00 uur te Amsterdam zagen wij twee mannen op de grond liggen”.

4. Aan de inhoud van bewijsmiddel 4 wordt toegevoegd:

Volgnummer 3

Goednummer PL1300-2017069363-5363429

Object: Bon (kassabon)

Bijzonderheden: Kassabon Primark

5. Een kassabon van [bedrijf], XPolno 2017069363, itemno.5363429-1.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[bedrijf]

[adres 2]

VERKOOP

Coded Belt € 6.00

Kassa 05

Datum: 02/04/17

Tijd: 13:45

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal. Diefstal is een ergerlijk feit, dat naast schade vaak veel hinder veroorzaakt voor de gedupeerden. Door te handelen zoals hij heeft gedaan heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 maart 2018 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarom kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Het hof komt wel tot een lagere straf dan geëist, nu sprake is van een eenvoudige diefstal. Het hof acht alles afwegende een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. C.N. Dalebout en mr. S. Bek, in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 april 2018.

Mr. S. Bek is buiten staat dit arrest te ondertekenen.