Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2963

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
23-002585-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigeren ademanalyse.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002585-17

Datum uitspraak: 17 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96-066308-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 april 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een tweewielige bromfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte niet opzettelijk heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het ademonderzoek.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat er geen sprake is van overtreding van art. 163 WVW 1994 nu de verdachte niet conform het Besluit Alcoholonderzoeken nogmaals vier keer de gelegenheid is gegeven om tot een voltooide ademanalyse te komen of een bloedonderzoek aan te bieden.

Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat een zekere onmacht bestond bij de verdachte om zijn medewerking daadwerkelijk te verlenen, gelet op het feit dat hij kort daarvoor hard met zijn bromfiets was gevallen.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat uit het verhandelde ter terechtzitting en ook overigens op basis van het dossier niet is gebleken van bijzondere geneeskundige redenen die maakten dat de medewerking aan het ademonderzoek als bedoeld in art. 163, tweede lid, WVW 1994 onwenselijk was. Met de politierechter overweegt het hof daartoe dat de verdachte ter plaatse van het eenzijdige ongeval is onderzocht door het ambulancepersoneel en niet mee hoefde naar het ziekenhuis, terwijl voorts het bezoek aan de huisartsenpost twee dagen na het ongeval ook onvoldoende aanknopingspunten oplevert om aan te nemen dat de verdachte niet in staat kon worden geacht zijn medewerking te verlenen aan het ademonderzoek.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 1 mei 2017 blijkt dat zij de verdachte de procedure van de ademanalyse hebben uitgelegd en dat de verdachte te kennen heeft gegeven de procedure te hebben begrepen. Vervolgens hebben zij tweemaal getracht de verdachte met goed gevolg een test af te laten leggen en heeft de verdachte bij vier testen geen medewerking verleend. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte daarbij, alvorens de blaastest te starten, gesommeerd om diep in te ademen en vervolgens lang en krachtig uit te ademen in de daarvoor bestemde blaaspijp. Verbalisant [verbalisant 2] zag dat de verdachte daaraan niet voldeed en zag dat de verdachte gewoon bleef ademen en weinig tot geen adem uitblies. Verbalisant [verbalisant 2] kon dit zien aan het aantal sterretjes op het display van het ademanalyseapparaat. Ook zag hij dat de verdachte vervolgens met de blaaspijp nog in zijn mond inademende en direct daarop de blaaspijp uit zijn mond haalde. Tijdens het gehele proces bleef de verbalisant motiverend tegen de verdachte praten met de bedoeling om hem aan te moedigen de test tot een goed resultaat te brengen.

Het hof concludeert op grond van de hiervoor weergegeven inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 1 mei 2017 dat de verdachte opzettelijk geen medewerking aan het ademonderzoek heeft verleend. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte, naar kan worden afgeleid uit het proces-verbaal van bevindingen, rond het tijdstip van de uit te voeren ademanalyse in staat was te verklaren.

Nu de verdachte naar het oordeel van het hof opzettelijk heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, waren de verbalisanten op basis van het (destijds geldende) Besluit Alcoholonderzoeken niet verplicht tot tweemaal toe te trachten een voltooid ademonderzoek te verkrijgen, door hem zo nodig viermaal ademlucht in het ademanalyseapparaat te laten blazen. Bedoelde verplichting ziet slechts op die gevallen waarin ondanks de medewerking van een verdachte een onvoldoende meetresultaat wordt verkregen. Hetzelfde geldt voor het aanbieden van een bloedonderzoek op basis van art. 163, vierde lid, WVW94. Ook daar geldt dat slechts in het geval de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, de opsporingsambtenaar de verdachte kan vragen zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek.

In het hiervoor overwogene ligt besloten dat de verdachte, naar het oordeel van het hof, (ook) geen beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt, zodat alle verweren van de verdediging worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 april 2017 in de gemeente Zaanstad, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een bromfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van 425 euro, subsidiair 8 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 350 euro, subsidiair 7 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, nadat hij onder invloed van alcohol een bromfiets had bestuurd, geweigerd een bevel tot medewerking aan een ademanalyse op te volgen. De verplichting gevolg te geven aan een dergelijk bevel bestaat ter bevordering van de verkeersveiligheid, die in gevaar wordt gebracht als onder invloed van alcohol aan het verkeer wordt deelgenomen. Door het weigeren mee te werken aan een ademanalyse negeert de verdachte een door het bevoegd gezag genomen besluit. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 maart 2018 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld, hetgeen in zijn voordeel weegt.

Anders dan de advocaat-generaal, ziet het hof in hetgeen van de zijde van de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht geen reden om in matigende zin af te wijken van de door de politierechter opgelegde geldboete, die conform de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte in combinatie met een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur passend en geboden.

Ter zijde merkt het hof op dat, anders dan staat vermeld op de dagvaarding in hoger beroep, het onherroepelijk worden van het onderhavige arrest slechts mee brengt dat de verdachte een eerste strafpunt op zijn rijbewijs krijgt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 425,00 (vierhonderdvijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Bek, mr. G. Oldekamp en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 april 2018.

Mr. S. Bek is buiten staat dit arrest te ondertekenen.