Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2942

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
200.200.402/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte. Eindarrest na tussenarrest (ECLI:NL:GHAMS:2017:5299). Vordering verhuurder tot betaling door huurder van omzetbelasting over huurprijs in het verleden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-08-2018
V-N Vandaag 2018/1791
FutD 2018-2271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.200.402/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4485032 CV EXPL 15-25968

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 augustus 2018

inzake

[X] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. M.J. Sarfaty te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. N. van Tamelen te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [X] en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 19 december 2017 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

[geïntimeerde] heeft een memorie na enquête genomen, en daarbij nog een (tweeledige) productie in het geding gebracht.

[X] heeft een memorie van antwoord na enquête genomen.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest is het hof al tot de conclusie gekomen dat de kantonrechter de vorderingen van [X] tot beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde terecht heeft afgewezen en alle daartegen gerichte grieven falen, nu zij op dit onderdeel niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Wat daarna nog resteerde was de vordering van [X] tot betaling van omzetbelasting over de huurprijs vanaf 1 januari 2015, die de kantonrechter heeft afgewezen en waarop de grieven 2 en 3 (mede) betrekking hebben. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

2.2

Het hof heeft in het tussenarrest voorop gesteld dat het in dit geval gaat om een huurovereenkomst, gesloten tussen twee professionele partijen. Hoewel bij de uitleg van een overeenkomst, gesloten tussen (in dit geval) twee professionele partijen, groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

2.3

Artikel 4 (1) van de huurovereenkomst vermeldt dat partijen overeenkomen dat verhuurder aan huurder “wèl” omzetbelasting in rekening brengt over de huurprijs.
De kantonrechter heeft overwogen dat na de huurovereenkomst partijen nader zijn overeengekomen dat over de huur geen btw is verschuldigd. Aangezien het huurcontract een onderhandse akte is die tussen partijen dwingend bewijs oplevert, is [geïntimeerde] naar aanleiding van zijn bewijsaanbod door het hof toegelaten tot het leveren van (tegen)bewijs, dat hij over de huurprijs geen omzetbelasting verschuldigd is. Dit tegenbewijs is door [geïntimeerde] niet bijgebracht. Dit betekent dat het hof als vaststaand moet aannemen dat partijen met btw belaste huur zijn overeengekomen.

2.4

[geïntimeerde] heeft vanaf de aanvang van de huurovereenkomst, in 1985, slechts de huurprijs zonder btw betaald. Tussen partijen is niet in geschil dat [X] sr., tot de overdracht van het pand aan zijn zoon, in 2014, nooit facturen met btw aan [geïntimeerde] heeft gestuurd, ook niet nadat hij [geïntimeerde] naar zijn zeggen voor het eerst in 2002 had aangemaand tot betaling van omzetbelasting.

2.5

Voorts bepaalt het huurcontract dat verhuurder namens huurder een verzoek kan doen aan de Belastingdienst om btw in rekening te kunnen brengen. Mocht het verzoek niet worden ingewilligd terwijl dat aan verhuurder te wijten is, dan wordt de huurprijs níet verhoogd met omzetbelasting. Verhuurder [X] heeft nooit bij de Belastingdienst een verzoek ingediend om btw in rekening te kunnen brengen. [geïntimeerde] benadrukt in zijn memorie na enquête dat [X] ook niet heeft gevorderd dat [geïntimeerde] zal meewerken aan het indienen van een dergelijk verzoek.

2.6

[X] vordert derhalve betaling van btw over de huur, vanaf 2015, enkel op basis van de keuze die partijen in 1985 hebben gemaakt voor btw-belaste huur door het woordje ‘geen’ door te halen in het modelcontract (van de Makelaarsvereniging Amsterdam). Dit is onvoldoende, aangezien dit doorhalen verder niet is gevolgd door enige actie van vader of zoon [X] in de richting van de Belastingdienst, met als gevolg dat voor heffing van btw over de huur geen enkele fiscale grondslag bestaat.

2.7

Daarbij is van belang dat huurder [geïntimeerde] eventueel betaalde btw alleen bij de btw‑aangifte als voorbelasting zal kunnen opgeven wanneer deze hem in die periode (dat kwartaal of die maand) door zijn verhuurder in rekening is gebracht. De Belastingdienst moet kunnen weten welke leverancier die btw gaat afdragen. Btw int men immers niet voor zichzelf maar voor de overheid. [geïntimeerde] zal dus niet met terugwerkende kracht nog btw kunnen verrekenen. Het gevorderde bedrag aan btw kan om de hiervoor vermelde redenen dan ook niet worden toegewezen.

2.8

Opmerking verdient dat partijen alsnog in de praktijk invulling kunnen geven aan een met btw-belaste huur. Strikt genomen is dit ook het enige wat in de memorie van antwoord na enquête nog door [X] wordt beoogd: dat het hof bepaalt dat [geïntimeerde] over de huurprijs omzetbelasting is verschuldigd. Partijen kunnen dat zelf vanaf heden bewerkstelligen. Een daarop gerichte vordering van [geïntimeerde] ontbreekt echter.

2.9

De slotsom in deze procedure moet zijn dat alle grieven falen. De vorderingen tot beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zijn niet toewijsbaar, evenmin als de vordering tot betaling van vervallen btw-bedragen. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd. [X] zal als in het ongelijk gestelde partijen worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af hetgeen [X] in hoger beroep voorts nog heeft gevorderd;

veroordeelt [X] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 718,= aan verschotten en € 4.868,50 voor salaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, J.C.W. Rang en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2018.