Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2908

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
K17/230361
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klacht over de inhoud van een column die als beledigend wordt ervaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K17/230361 van

- [stichting],

gevestigd te Rotterdam,

(hierna te noemen: de Stichting),

- [klager] en 21 andere personen, klagers,

allen woonplaats kiezende ten kantore van

mr. [naam 1] en mr. [naam 2], advocaten te ’s-Gravenhage.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 14 september 2017 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde] (hierna: beklaagde) ter zake van belediging van een groep mensen wegens hun ras of godsdienst, artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en eenvoudige belediging, artikel 266 Sr.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 18 januari 2018 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift met bijlagen;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket

Amsterdam van 24 oktober 2017, met bijlage;

- de door de advocaten op 19 juni 2018 per e-mail verstuurde brief met bijlagen.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft de Stichting en klaagster [klager] in de gelegenheid gesteld op 21 maart 2018 het beklag toe te lichten. In raadkamer is de vertegenwoordigingsbevoegdheid aan de orde geweest. Klagers konden binnen veertien dagen stukken inzenden ter onderbouwing van het standpunt dat er een rechtsgeldig besluit van de Stichting was tot het, mede ten behoeve van de andere klagers, doen van aangifte en het indienen van een klaagschrift. Deze reactie is op 19 juni 2018 door het hof ontvangen.

Het hof heeft vervolgens de Stichting en klaagster [klager] op 20 juni 2018 opnieuw in de gelegenheid gesteld het beklag toe te lichten. Namens het bestuur van de Stichting is [naam 3], vice-voorzitter, bijgestaan door mrs. [naam 1] en [naam 2] voornoemd, in raadkamer verschenen.

Klaagster [klager] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Mr. [naam 2] heeft het beklag namens alle klagers nader toegelicht aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen, die bij de stukken van het dossier zijn gevoegd.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft zij geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De ontvankelijkheid van klagers in het beklag

5.1.

Individuele klagers

In artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is – kort gezegd – bepaald dat de rechtstreeks belanghebbende beklag kan doen bij het gerechtshof als een strafbaar feit niet wordt vervolgd. Het hof is van oordeel dat de individuele klagers zich door het gebruik van het woord “Nederturken” – over welk begrip hierna meer – zich door beklaagde aangesproken kunnen voelen en daarmee in beginsel een rechtstreeks belang kunnen hebben bij een eventuele vervolging van beklaagde wegens (groeps)belediging. Uit het dossier komt voldoende naar voren dat zij mrs. [naam 2] en [naam 1] en vóór hen, wijlen mr. [naam 4] tot het indienen van een klacht wegens niet vervolging hebben gemachtigd. Zij kunnen daarom op eigen titel in hun klacht worden ontvangen. De vraag of de Stichting in alle gevallen rechtsgeldig gemachtigd was om namens de individuele klagers een klacht in te dienen kan daarom buiten beschouwing blijven.

5.2.

De Stichting

Op grond van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, Sv kan ook een rechtspersoon rechtstreeks belanghebbende zijn, als deze krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging rechtstreeks wordt getroffen.

Het hof heeft zich afgevraagd of de Stichting als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 12, tweede lid, Sv kan worden aangemerkt. Het hof heeft daartoe allereerst gekeken naar de doelstelling van de Stichting zoals deze blijkt uit artikel 2 van haar statuten. Deze luidt als volgt:

1. Het doel van de Federatie is:

a. Het instandhouden en het verkondigen van het Islamitische Geloof en de Turkse Cultuur in Nederland.

b. Het bevorderen en stimuleren van de samenwerking tussen de organisaties die voor dit doel zijn opgericht en werkzaam zijn en het coördineren van hun activiteiten op hoog niveau.

c. Het vertegenwoordigen van de in Nederland woonachtige Turkse gemeenschap in alle opzichten en het behartigen en verdedigen van hun religieuze, nationale, sociale, culturele, sportieve en alle andere rechten.

2. De Federatie tracht dit doel onder meer te bereiken door:

a. Het nemen van de nodige initiatieven bij de Nederlandse overheidsinstellingen en particuliere instanties namens de Turkse gemeenschap in Nederland.

b. Het samenwerken en meedenken met democratische instellingen die binnen en buiten Nederland in overeenstemming met haar doelstelling werken. De federatie is onafhankelijk en democratisch.

c. Het op een juiste manier onderhouden van betrekkingen tussen het Directoraat voor Religieuze Zaken in Turkije en de bij de Federatie aangesloten organisaties.

d. Het ondernemen van op hun toekomst in Nederland gerichte godsdienstige, nationale, culturele, sociale en sportieve activiteiten voor de in Nederland woonachtige Turkse gemeenschap.

e. Het op verschillende manieren zorgen voor communicatie en berichtgeving onder de Turkse gemeenschap en het zorgen voor uitgave van publikaties door gebruik te maken van allerlei mogelijkheden van godsdienstige, sociale en culturele aard; en het trachten gebruik te maken van media en andere publikatiemogelijkheden.

f. Het zorgen voor het in aanmerking komen van de in Nederland woonachtige Turkse gemeenschap voor alle onderwijsmogelijkheden hier te lande; en het ondernemen van activiteiten om de Turkse gemeenschap te laten genieten van het onderwijs op basis van de Islamitische godsdienst en moraal.

5.2.2.

Bij de behandeling in raadkamer is aan de orde geweest dat de Stichting functioneert als een samenwerkingsverband van, niet nader genoemde, stichtingen en organisaties die moskeeën beheren. Desgevraagd heeft de vertegenwoordiger van de Stichting verklaard dat de Stichting voor haar achterban opkomt en dat over de uitlatingen van beklaagde bij de achterban veel onrust is ontstaan. Deze achterban bestaat uit de bezoekers van de aangesloten moskeeën of mensen die bij de aangesloten stichtingen betrokken zijn, voor zover zij Nederlandse burgers zijn met een Turkse achtergrond. Dat het daarbij overigens kennelijk niet om alle Nederlanders met een Turkse achtergrond gaat, waar in de statuten wordt gesproken over ‘de Turkse gemeenschap in Nederland’, blijkt alleen al uit het feit dat beklaagde eveneens een in Nederland wonende Nederlandse is met Turkse voorouders.

Gevraagd naar de feitelijke werkzaamheden van de Stichting is als voorbeeld genoemd dat de Stichting, nadat moskeeën beklad waren, brieven heeft geschreven, haar achterban heeft gepoogd gerust te stellen door het bewerkstelligen van extra beveiliging van de moskeeën en een werkgroep heeft opgericht die contact met de overheid onderhoudt over dit soort aangelegenheden.

Het hof is van oordeel, gelet op de zeer algemeen en ruim geformuleerde doelstelling van de Stichting en het feit dat zij organisaties vertegenwoordigt en niet rechtstreeks individuele burgers, dat niet gezegd kan worden dat de Stichting een specifiek eigen belang heeft dat door het niet vervolgen van beklaagde met het oog op de artikelen 137c en 266 Sr bepaaldelijk wordt getroffen. Dat er bij de niet nader bepaalde achterban van de bij haar aangesloten organisaties onrust zou heersen vanwege de uitlatingen van beklaagde, is daarvoor niet genoeg. Evenmin is gebleken, anders dan door het doen van de hier aan de orde zijnde aangifte, van feitelijke werkzaamheden van de Stichting op het terrein van de door deze strafbepalingen beschermde belangen. De conclusie moet dan ook zijn dat de Stichting als zodanig niet-ontvankelijk is in haar beklag.

6 De inhoud van het dossier

6.1.

De aangifte en het standpunt van klagers

Mr. [naam 4] heeft bij brief van 22 juli 2016 namens klagers aangifte gedaan van belediging als bedoeld in de artikelen 137c Sr (groepsbelediging) en 266 Sr (eenvoudige belediging).

De aangifte namens klagers betreft uitlatingen van beklaagde die zijn weergegeven in respectievelijk haar column in dagblad Metro van 26 april 2016 en op haar Twitter-account in de periode van april tot en met juli 2016. Beklaagde richtte de gewraakte uitlatingen op “Nederturken”. Volgens de aangifte kunnen de “Nederturken” als een ras worden gezien ex artikel 137c Sr, nu het begrip wordt afgebakend door een nationale en etnische afstamming. Beklaagde vergeleek hen met NSB’ers, had het over hun mislukte Nederlanderschap, noemde hen lui en geitenneukers en beschuldigde hen van inbraak in haar huis. Ook liet beklaagde zich volgens de aangifte beledigend uit over de godsdienst van de “Nederturken” te weten het moslimgeloof. De uitspraken zijn volgens aangevers onnodig grievend, discriminerend en beledigend.

Namens klagers is betoogd dat de uitspraken niet zijn gedaan in het kader van het maatschappelijk debat en niet vallen onder de artistieke expressie. Het gaat daarom niet om uitingen die beschermd worden door het in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vastgelegde beginsel van vrijheid van meningsuiting.

6.2.

De uitlatingen

De uitlatingen van beklaagde waarop de aangifte betrekking heeft zijn de volgende.

A) Twitter, 25 april 2016:

“FUCK YOU NEDERTURKEN”

B) Uit een column in de krant Metro van 26 april 2016:

(…) “Maar dan tot slot het volgende: gefeliciteerd nageboorte van een mislukte gastarbeidersgeneratie. GEFELICITEERD. Ik denk dat jullie ouders, die huis en haard verlaten hebben om jullie een thuis in vrijheid en veiligheid te bieden, trots zijn op jullie. Jullie ouders die jarenlang hun familie gemist hebben, onder erbarmelijke omstandigheden geleefd en gewerkt hebben zodat jullie, hun kinderen het beter zouden krijgen in het leven dan zij. GEFELICITEERD met jullie totaal mislukte Nederlanderschap. GEFELICITEERD met jullie loyaliteit aan een stel berggeiten uit Turkije, geitenneukers zo je wilt, die jullie volgen zodra ze oproepen tot NSB-gedrag. Enig idee wat een NSB’er was? O wacht nee, die lessen over de Tweede Wereldoorlog zijn geschrapt he? Ja, dank voor het weg met ons.

Ik feliciteer jullie Nederturken met je NSB-gedrag. Jullie zijn de reden dat ik vastzit in Turkije. Jullie zijn de reden waarom mijn huis in Amsterdam verzegeld is. (…)”

C) Twitter, 6 mei 2016:

“Het houdt niet op: “We received a request to reset the password for your account.” Fuck you nederturkjes”

D) Twitter, 9 mei 2016

“Kijk nederturkjes ik snap zo goed dat jullie jaloers zijn op mijn leven. Maar ik werk ervoor. Probeer dat ook eens?”

E) Twitter, 9 mei 2016:

“Niet alleen nederturken zijn dom”

F) Twitter, 11 mei 2016:

“oorlog aan de NSB Turken. Dit kan gewoon niet langer.”

G) Twitter, 15 mei 2016:

“De inbrekers hebben ook m’n oranje MINI tas meegenomen. Dus als jullie een nederturk zien met de tofste oranje MINI tas ever: das de mijne.”

H) Twitter, 26 juni 2016:

“Die hele ramadan zal me jeuken. Leer die soortgenoten eerst NS fatsoenlijk gedrag voordat ze gaan ramadannen”

I) Twitter, 26 juni 2016:

“Omdat ZAK, ik van 200m2 naar 60m2 verhuis dankzij een stel mocro’s en nederturkjes. Zeg maar moslims.”

J) Twitter, 26 juni 2016:

“KUTMOCROS IK HAAT JULLIE IK HAAT JULLIE IK HAAT JULLIE IK HAAT JULLIE EN IK HAAT JULLIE MOSLIMBROEDERS EN ZUSTERS OOK> FUCK YOU ALL”

K) Twitter, 26 juni 2016:

“Wacht ff: we trekken het breder. Tyfushekel aan “moslims”. Vooral de “vrome” soort. Met je respect.”

L) Twitter, 5 juli 2016:

“denk je werkelijk dat jouw ramadan me ook maar ene f interesseert?”

Aan de uitlatingen zal hierna gerefereerd worden door vermelding van de letters A tot en met L.

6.3.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in zijn sepotbrief van 26 juni 2017 aan klagers medegedeeld dat niet wordt overgegaan tot strafvervolging van beklaagde.

In de brief wordt de achtergrond van de berichten in Metro en op Twitter uiteengezet: Beklaagde werd op 23 april 2016 in Turkije gearresteerd wegens tweets over de Turkse president [naam 5]. Bekend werd dat ook Turkse Nederlanders vanuit Nederland in Turkije aangifte hadden gedaan tegen beklaagde. In afwachting van een proces werd beklaagde door de Turkse autoriteiten een ‘landarrest’ opgelegd. In afwachting van een beslissing over de afdoening van de aangifte kon beklaagde op 10 mei 2017 terugkeren naar Nederland. Tijdens haar afwezigheid was er ingebroken in haar woning te Amsterdam en was het woord “hoer” op een muur geschreven. Bedreigingen brachten haar ertoe uit Amsterdam weg te gaan en naar een andere stad te verhuizen. Toen beklaagde op 26 juni 2016 bezig was met het inladen van haar spullen en een Twitterbericht plaatste over haar verhuizing, werd zij van haar telefoon beroofd. Ook hierover plaatste zij een tweet.

Volgens de officier moeten beklaagdes uitlatingen tegen deze achtergrond worden beschouwd; de uitlatingen zijn veelal gericht op een groep moslims die een bepaald soort gedrag vertoont en niet op alle moslims; daarbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat beklaagde, columnist en zelf van Turkse afkomst, kritiek levert op misstanden binnen de eigen groep, hetgeen een bijdrage levert aan het maatschappelijk debat.

In dit licht acht de officier van justitie geen van de door beklaagde gedane uitlatingen strafbaar op basis van de discriminatie-artikelen, noch op grond van enig ander artikel in het Wetboek van Strafrecht.

7 De overwegingen van het hof

7.1.

Het beoordelingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling ter zake van artikel 137c en/of artikel 266 Sr, dan wel ter zake van enig ander strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

Artikel 137c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht luidt:

Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht luidt:

1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

2. Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.

Ten aanzien van het strafbaar stellen van het beledigen van een groep mensen als bedoeld in artikel 137c Sr heeft de wetgever voor zover hier van belang nog het volgende overwogen (Kamerstukken II 1969–1970, 9724, Memorie van Antwoord, nr. 6, p. 4):

Onjuist is echter de bewering dat het wetsontwerp elke belediging van de genoemde groepen zowel naar vorm als naar inhoud strafbaar zou willen stellen. Hierbij wordt uit het oog verloren dat de ontworpen bepaling slechts straf stelt op (opzettelijke en openbare) belediging van die groepen wegens hun ras, godsdienst of levensovertuiging. Deze toevoeging limiteert niet alleen de beschermde groepen, maar brengt tevens een zeer aanzienlijke beperking aan in de strafbaarheid van belediging van die groepen.

(…)

Het voorgestelde artikel 137c is echter slechts gericht tegen krenking op punten waarop niet meer kan worden geargumenteerd en tegen aantasting in hetgeen voor het menselijk bestaan van fundamentele waarde is. Strafbaar is enkel het aantasten van de eigenwaarde of het in diskrediet brengen van de groep, omdat die van een bepaald ras is, een bepaalde godsdienst belijdt of een bepaalde levensovertuiging is toegedaan. Kritiek op opvattingen en gedragingen — in welke vorm ook — valt buiten het bereik van de ontworpen strafbepaling.'

Bij de vraag of er sprake is van handelen in strijd met de artikelen 137c en 266 Sr dienen drie vragen aan de orde te komen:

1. Is de uiting op zichzelf beledigend?

2. Neemt de context waarin de uiting is gedaan het beledigend karakter van de uiting weg?

3. Is de uiting al dan niet onnodig grievend?

7.2.

Inleidende overwegingen

Bij de beantwoording van de hiervoor bedoelde drie vragen speelt de bescherming die het EVRM in artikel 10 aan het recht van vrije meningsuiting biedt een grote rol. Dit recht mag alleen beperkt worden op een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende wijze wanneer daartoe in een democratische samenleving de noodzaak bestaat. Volgens vaste rechtspraak van het Europese hof voor de rechten van de mens (EHRM) kan die noodzaak niet snel worden aangenomen indien de uitingen in de media worden gedaan en als bijdrage aan het publieke debat kunnen worden beschouwd. Voorts geldt dat er in een democratie in beginsel ook ruimte moet zijn voor uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten, en dat in een democratie uit het kwetsende karakter van bepaalde uitlatingen niet te snel een rechtvaardiging voor een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting moet worden afgeleid.

Beklaagde is columniste en een deel van de uitlatingen waarover wordt geklaagd zijn gedaan in haar column van 26 april 2016. Een column heeft veelal het karakter van een korte, betrekkelijk oppervlakkige en enigszins ironische beschouwing, waarbij overdrijving niet wordt geschuwd en die bovendien provocerend en shockerend kan zijn. Het is niet ongebruikelijk dat juist in een column maatschappelijke verschijnselen op uitvergrote – en daardoor ongenuanceerde – wijze aan de kaak worden gesteld om daarmee een bijdrage aan het maatschappelijk debat te leveren. In het algemeen zal de lezer van een column zich bewust zijn van de aan een column eigen stijlkenmerken en de daarin gebezigde termen met de nodige korrels zout nemen. De grenzen worden echter overschreden indien een columnist bij het uiten van zijn of haar persoonlijke mening over personen kwalificaties bezigt of vergelijkingen treft waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. Bepaalde aspecten mogen dus wel worden uitvergroot, maar moeten wel steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.

7.3.

De uitlatingen

7.3.1.

Karakter

Het hof is van oordeel dat alle hiervoor genoemde uitlatingen op zichzelf een beledigend karakter kunnen hebben in die zin dat deze geschikt zijn om iemands waardigheid die hem in het maatschappelijk verkeer toekomt, aan te randen.

7.3.2.

Context

Beklaagde is een Nederlandse columniste van Turkse afkomst. Het hof betrekt bij de beoordeling van de gewraakte uitlatingen de hierboven door de officier van justitie uiteengezette achtergrond daarvan. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat in april 2016 (voordat de column van 26 april in Metro verscheen) in het nieuws was dat het Turkse consulaat Turkse Nederlanders had opgeroepen om beledigers van president [naam 5] aan te geven bij het consulaat; daarover was door het consulaat een e-mail verstuurd aan Turkse organisaties in Nederland. Beklaagde heeft ook over die e-mail een kritische column in Metro geschreven. Beklaagde schreef daarin onder meer: “Maar tegen elke Nederturk die de oproep van het Turkse consulaat steunt en meent NSB'ertje te kunnen spelen over wat Nederlanders in Nederland zeggen over Sultan [naam 5],(…), heb ik maar een ding te zeggen: go fuck yourself.” Hoewel het beklag niet op deze column ziet, speelt deze wel een rol bij de beoordeling van latere uitlatingen van beklaagde, omdat deze daar niet los van kunnen worden gezien.

De Twitterberichten van beklaagde staan evenmin op zichzelf; zij moeten in samenhang met de voorgeschiedenis (de vrijheidsbenemende maatregel in Turkije, de columns en de daaropvolgende verhuizing en beroving van beklaagde) worden beschouwd. De Twitterberichten vertonen een duidelijke verband met de teksten die beklaagde als columniste in Metro publiceerde en kunnen dan ook worden beschouwd als uitingen die beklaagde in dezelfde hoedanigheid van columnist heeft gedaan.

7.3.3.

Conclusies tot zover

Gelet op het hiervoor overwogene gaan de uitlatingen van beklaagde – daargelaten de vraag of de door haar bedoelde “Nederturken” als een ras kunnen worden gezien als bedoeld in artikel 137c Sr – over maatschappelijk relevante onderwerpen en kunnen zij worden geacht te zijn gedaan in het kader van het maatschappelijk debat. In dat debat vroeg beklaagde (zelf Nederlandse van Turkse afkomst) aandacht voor andere Nederlanders van Turkse afkomst (‘de Nederturken’) die in haar ogen verradersgedrag (‘NSB-gedrag’) toonden door vanuit Nederland vermeende beledigers van de Turkse president aan te geven bij de Turkse autoriteiten. Tijdens haar verblijf in Turkije ondervond beklaagde daarvan aan den lijve de gevolgen.

In dit licht dient ook de term ‘mislukt Nederlanderschap’ te worden beoordeeld. Beklaagde schreef dat zij van mening was dat de door haar bedoelde groep, anders dan zijzelf, onvoldoende in de Nederlandse samenleving was geïntegreerd en een (te) grote loyaliteit aan het voormalig vaderland vertoonde. Dat is kritiek op leden van deze groep wegens hun gedrag en dat is, zo volgt uit de wetsgeschiedenis, niet strafbaar. De term ‘geitenneukers’ behoeft geen verdere bespreking omdat, anders dan klagers lijken te menen, beklaagde deze term niet voor de ‘Nederturken’ gebruikte, maar, om dit onderscheid aan te houden, voor de Turkse Turken. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de term ‘mocro’s’, een woord dat in de straattaal wordt gebruikt om mensen van Marokkaanse origine aan te duiden.

Ten aanzien van de tweets van 26 juni 2016 en 5 juli 2016, onder H tot en met L, geldt bovendien dat deze deel uitmaken van een reeks berichten waarin beklaagde en anderen over en weer een heftige discussie voeren in stevige, grove bewoordingen. Ook hierbij geldt dat in aanmerking dient te worden genomen dat beklaagde als columnist in haar tweets (een zekere) vrijheid toekwam om eenzelfde stijl en toonzetting te hanteren als in haar columns. Als beklaagde door een van degenen die reageren wordt gevraagd respect te tonen voor de ramadan, reageert zij met een weigering die zij onderbouwt met een verwijzing naar kennelijk het door haar (zoals hiervoor aangeduid) bekritiseerde gedrag van de door haar, tussen aanhalingstekens, als ‘vroom’ aangemerkte groep.

Het hof overweegt op grond van het voorgaande dat de strafrechter aan wie deze zaak zou worden voorgelegd, tot het oordeel zou komen dat de geschetste context waarin alle gewraakte uitlatingen zijn gedaan het beledigend karakter daarvan wegneemt.

Wat betreft de met de letters J en K aangeduide tweets kan wel gezegd worden dat beklaagde zich op glad ijs begeeft, wanneer zij zich lijkt te richten tot moslims in het algemeen. Ook deze uitlatingen echter zullen naar verwachting bezien in het licht van het maatschappelijk debat over het gedrag en de integratie in de Nederlandse samenleving van al dan niet ‘vrome’ moslims van al dan niet Turkse afkomst in zoverre als functioneel worden beoordeeld, waarmee het beledigend karakter wegvalt.

7.3.4.

Onnodig grievend?

Dat beklaagde bij het aan de orde stellen van de naar haar idee op dit punt bestaande maatschappelijke misstanden niet bepaald fijnzinnig te werk ging, moge duidelijk zijn. Alles afwegend valt echter niet te verwachten dat deze uitlatingen als onnodig grievend zullen worden aangemerkt; niet gezegd kan worden dat er sprake is van een wanverhouding tussen de functionaliteit van de uitlatingen en de mate van grievendheid daarvan. Evenmin kan gezegd worden dat de door beklaagde in haar hoedanigheid van columnist gebezigde kwalificaties en vergelijkingen de hiervoor aangeduide grens overschrijden.

7.3.5.

Samenvattende conclusie

Bij deze stand van zaken is de kans dat de strafrechter tot een veroordeling van beklaagde ter zake van (groeps)belediging of ter zake van enig ander strafbaar feit zal komen niet waarschijnlijk. Het hof kan zich derhalve verenigen met de beslissing van de officier van justitie om niet tot vervolging van beklaagde over te gaan.

Het hof zal daarom als volgt beslissen.

8 De beslissing

Het hof verklaart de Stichting niet ontvankelijk in haar beklag.

Het hof wijst het beklag van de individuele klagers af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

15 augustus 2018 door mrs. P.C. Kortenhorst, voorzitter, J.L. Bruinsma en M. Senden, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.