Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2882

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
200.226.315/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vervangende toestemming verhuizing en inschrijving op basisschool afgewezen. Het hof overweegt dat wilsuiting minderjarige geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend nu de moeder de verhuizing onvoldoende heeft voorbereid en de noodzakelijkheid van de verhuizing niet aannemelijk heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.226.315/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/253232 / FA RK 16-7845

Beschikking van de meervoudige kamer van 7 augustus 2018 inzake

[de moeder] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Rozemeijer te Velserbroek,

en

[de vader] ,

wonende te [B] , gemeente [C] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.A.J. Verschuur-van der Voort te Bloemendaal.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:

de minderjarige [dochter] (hierna: [de minderjarige] ), vertegenwoordigd door drs. A.D. Booms (hierna: de bijzondere curator).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

1.1

Tussen partijen liepen in eerste aanleg bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, twee bodemprocedures: een echtscheidingsprocedure, onder nummer C/15/252153 / FA RK 16-7253 (hierna: de echtscheidingsprocedure) en een procedure waarin de moeder verzocht om vervangende toestemming om met [de minderjarige] naar [A] te verhuizen, onder nummer C/15/253232 FA RK 16-7845 (hierna: de verhuisprocedure).

1.2

De moeder is op 27 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank van 2 augustus 2017, gegeven in de verhuisprocedure.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg in die procedure naar genoemde beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het beroepschrift van de moeder is ingekomen op 27 oktober 2017.

2.2

De vader heeft op 5 december 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de vader van 26 maart 2018 met bijlagen, ingekomen op 27 maart 2018;

- een faxbericht van de zijde van de moeder van 22 juni 2018 met bijlage, ingekomen op 22 juni 2018;

- een brief van de zijde van de vader van 26 juni 2018 met bijlage, ingekomen op 26 juni 2018.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 4 juli 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de bijzondere curator;

- de raad, vertegenwoordigd door dhr. R. Koops.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de moeder en de vader is [de minderjarige] geboren, [in] 2007.

De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Na het uiteengaan van partijen woonde de moeder aanvankelijk met [de minderjarige] in de voormalig echtelijke woning in [B] . Omstreeks de jaarwisseling van 2016 op 2017 is zij met haar nieuwe partner in [A] ( [provincie] ) gaan wonen.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 6 januari 2017 heeft de rechtbank als voorlopige voorziening gedurende de echtscheidingsprocedure bepaald - kort gezegd - dat [de minderjarige] tijdelijk aan de vader wordt toevertrouwd.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank van 1 februari 2017 in de verhuisprocedure is bepaald dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig als volgt is: [de minderjarige] verblijft bij de moeder ieder weekend van vrijdagmiddag tot en met zondagmiddag 17:00 uur en de vakanties worden in onderling overleg bij helfte verdeeld, met dien verstande dat [de minderjarige] de voorjaarsvakantie bij de moeder zal doorbrengen. Voorts heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of een verhuizing naar [A] met de moeder in het belang van [de minderjarige] te achten is.

3.5

De raad heeft op 17 juli 2017 rapport uitgebracht. Daarin adviseert de raad het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming voor de verhuizing van [de minderjarige] naar [A] af te wijzen.

3.6

In de echtscheidingsprocedure heeft de rechtbank bij beschikking van 14 maart 2018 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bij die beschikking is, voor zover thans van belang, voorts drs. A.D. Booms tot bijzondere curator benoemd met het verzoek, kort gezegd, de in rechtsoverweging 3.7 van die beschikking geformuleerde vragen te beantwoorden, met aanhouding van de beslissing over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderbijdrage in afwachting van het verslag van de bijzondere curator.

3.7

De bijzondere curator heeft op 6 juni 2018 verslag uitgebracht, dat zich ook in deze procedure bij de stukken bevindt.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is:

- het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming voor de verhuizing van [de minderjarige] naar [A] en inschrijving van [de minderjarige] bij de openbare basisschool [de basisschool] te [A] afgewezen;

- als regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat [de minderjarige] steeds drie weekenden van vrijdagmiddag tot en met zondagmiddag 17:00 uur bij de moeder in [A] verblijft en vervolgens één weekend bij haar vader in [B] . De regeling herhaalt zich iedere vier weken. Voorts is bepaald dat de vakanties in onderling overleg bij helfte tussen partijen worden verdeeld.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog haar inleidende verzoeken toe te wijzen.

4.3

De vader verzoekt de moeder niet ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan geformuleerde grieven en, voor zover de moeder wel ontvankelijk wordt geacht, het beroepsschrift ongegrond te verklaren en zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof acht de moeder ontvankelijk in haar hoger beroep. Anders dan de advocaat van de vader stelt, blijkt uit het beroepschrift van de moeder genoegzaam waartegen zij opkomt en op welke gronden zij dat doet. Haar beroepschrift legt het geschil in volle omvang aan het hof voor. Uit het verweerschrift blijkt dat het voor de man duidelijk is geweest waartegen hij zich in hoger beroep diende te verweren. Dat de moeder haar bezwaren tegen de bestreden beschikking niet op de gebruikelijke wijze heeft ingedeeld in “grieven”, maakt dat niet anders nu uit wet noch jurisprudentie een verplichting voortvloeit dat met zoveel woorden te doen.

5.2

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. Het hof dient in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van het kind en de daarmee gepaard gaande schoolkeuze van het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen en alle betrokken belangen af te wegen.

5.3

Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de verhuizing en inschrijving op de nieuwe school niet in het belang is van [de minderjarige] . Met de overweging dat de verbreking van de continuïteit in de woonomgeving en van het frequente contact met de andere ouder voor [de minderjarige] ingrijpend is en dat de woon- en leefomgeving van [de minderjarige] in [B] dient te blijven heeft de rechtbank miskend dat de moeder altijd de verzorgende ouder van [de minderjarige] is geweest en dat de vader overdag werkte. De moeder is in staat [de minderjarige] meer rust en continuïteit te bieden. Zij kan haar immers zelf halen en brengen van en naar school. De vader verzorgt [de minderjarige] nu met behulp van derden. Derhalve is in de huidige omstandigheden geen sprake van continuïteit. De zorg die de moeder kan bieden dient volgens de moeder zwaarder te wegen dan de gevolgen van een schoolwisseling. Bovendien heeft [de minderjarige] herhaaldelijk aangegeven bij de moeder te willen wonen, de rechtbank had dit zwaarder mee moeten wegen in haar beslissing. Verder is haar huidige partner gebonden aan de omgeving van [A] omdat hij als zelfstandig stukadoor een vaste klantenkring en vaste opdrachtgevers heeft. Dit is onvoldoende meegewogen in de beslissing van de rechtbank. Voorts voert de moeder aan dat de vader destijds de verkoop van de echtelijke woning al in gang had gezet, waardoor de moeder gedwongen was een sociale huurwoning in [C] te zoeken nu het voor haar financieel niet mogelijk is om in de vrije sector te huren. In [C] wordt woonruimte toegewezen via het reguliere systeem waardoor het onduidelijk was wanneer de moeder woonruimte zou vinden. De moeder acht de verhuizing naar [A] in het belang van [de minderjarige] . Er bestaat volgens haar voldoende grond voor het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing.

5.4

De vader betwist het standpunt van de moeder en voert daartoe het navolgende aan. [de minderjarige] is een heel kwetsbaar meisje met problemen op het cognitieve en sociale vlak. Bij de afweging om te verhuizen heeft de moeder geen aandacht aan deze bestaande problematiek van [de minderjarige] besteed. In de periode dat [de minderjarige] bij de vader woont heeft zij progressie gemaakt op cognitief en sociaal vlak. Dit laat zien dat [de minderjarige] op haar plek is bij de vader en kennelijk de dagelijkse zorg van de moeder niet nodig heeft om zich te ontwikkelen. Door [de minderjarige] in een nieuwe omgeving te plaatsen en de zorg van de moeder te continueren, zou de progressie die [de minderjarige] tot nu toe heeft gemaakt teniet worden gedaan. Dat [de minderjarige] aangeeft bij de moeder te willen wonen moet in de context van de situatie worden gezien. [de minderjarige] uit die wens om haar moeder ter wille te zijn maar realiseert zich daarbij niet de impact van een verhuizing op haar dagelijks functioneren. Verder zou de nieuwe partner van de moeder als zelfstandig stukadoor snel een nieuwe klantenkring kunnen opbouwen in de omgeving van [C] of [D] aangezien er een gebrek is aan goede bouwvakkers. De vader betwist de stelling van de moeder dat zij moest verhuizen.

5.5

De bijzondere curator heeft in haar verslag en ter zitting in hoger beroep als volgt verklaard. Bij [de minderjarige] is er sprake van een diepe overtuiging bij haar moeder te willen wonen. Deze wens is consistent en het zou niet goed zijn voor [de minderjarige] als haar wens opnieuw niet gehoord wordt. Alle betrokken volwassenen zijn van deze wens op de hoogte. De communicatie tussen de ouders wordt hierdoor bemoeilijkt, zij kunnen niet om de wens van [de minderjarige] heen. [de minderjarige] heeft last van het conflict tussen de vader en de moeder en zit in een loyaliteitsconflict. De ouders moeten hun ouderschap weer oppakken zodat zij het belang van [de minderjarige] op de eerste plaats kunnen zetten. Indien de ouders er samen niet uitkomen raadt de bijzondere curator aan om hulp en ondersteuning buiten het gezin te zoeken voor [de minderjarige] . Een Kiescoach of een traject bij Kinderen uit de Knel lijken aangewezen. Prioriteit heeft echter dat ouders hun problemen onderling oplossen om [de minderjarige] de kans te geven zich goed te ontwikkelen. De vader en de moeder hebben allebei aangegeven beter met elkaar te willen communiceren.

5.6

De raad heeft ter zitting als volgt verklaard. De raad ziet dat [de minderjarige] ontredderd is. Ondanks haar wens om bij moeder te wonen, was het ten tijde van het onderzoek door de raad niet in het belang van [de minderjarige] om haar wens in te willigen. De continuïteit van school, haar sociale contacten en haar ontwikkeling zijn belangrijker. De raad zag gedurende het onderzoek in juni 2017 bij de vader en de moeder geen ruimte om te communiceren. Positief is dat die ruimte er nu wel is. De raad zal geen nieuw advies geven, maar kan zich vinden in het huidige standpunt van de bijzondere curator, gelet op het feit dat [de minderjarige] consistent is in haar wens.

5.7

Het hof overweegt het volgende.

5.8

Vaststaat dat [de minderjarige] de consistente wens heeft bij de moeder te willen wonen. Naar het oordeel van het hof moet daaraan, ook bij een kind van haar leeftijd, in beginsel zwaarwegende betekenis worden toegekend. Het hof acht het echter niet onaannemelijk dat deze wilsuiting mede is gevormd door de strijd tussen vader en moeder, en het loyaliteitsconflict dat daaruit voor [de minderjarige] voortvloeit. De vader heeft daarop gewezen, en ook de bijzondere curator heeft in haar rapportage aangegeven dat niet valt uit te sluiten dat de wilsuiting van [de minderjarige] door de strijd tussen de vader en moeder is ingegeven. Reeds gelet op die achtergrond, is het hof van oordeel dat aan de wilsuiting van [de minderjarige] geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

5.9

De moeder stelt dat zowel zij als [de minderjarige] belang hebben bij continuering van de moeder als de verzorgende ouder. Uitgangspunt voor de moeder is dat deze zorg in [A] moet worden verleend, omdat zij genoodzaakt was te verhuizen. Het hof volgt de moeder echter niet in haar stellingen dat zij vanwege de verkoop van de voormalig echtelijke woning gedwongen was een huurwoning te zoeken en dat haar huidige partner vanwege zijn werkzaamheden gebonden is aan de omgeving van [A] . Ter zitting is gebleken dat de voormalig echtelijke woning tot op heden niet is verkocht. Tegen die achtergrond is niet aannemelijk geworden dat de moeder ten tijde van haar verhuizing de woning diende te verlaten. Tegenover de betwisting door de vader heeft de moeder voorts niet aannemelijk gemaakt dat haar partner, gelet op de aard van zijn werkzaamheden, als zelfstandig stukadoor bezwaarlijk in de omgeving van [C] of [D] werkzaam zou kunnen zijn en een nieuwe klantenkring zou kunnen opbouwen. Gelet op het voorgaande heeft de moeder de gestelde noodzaak om naar [A] te verhuizen niet aannemelijk gemaakt.

5.10

Voorts is niet gebleken dat de moeder zich destijds goed heeft voorbereid op de verhuizing van [de minderjarige] naar [A] , bijvoorbeeld wat de school betreft. Ook nu is daar geen sprake van. Ter onderbouwing heeft de moeder enkel een aanmeldingsformulier en de algemene schoolgids overgelegd. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder zich beroepen op een door haar ingewonnen advies bij [de basisschool] omtrent het huidige portfolio en de citotoets-voortgang van [de minderjarige] . Dit heeft zij echter niet onderbouwd met stukken. Bovendien heeft zij de vader niet actief en op voorhand betrokken bij het contact met [de basisschool] . Daar komt bij dat door de inspanningen van de huidige school het inmiddels veel beter met [de minderjarige] gaat op cognitief en sociaal vlak. Zij heeft nu sociale contacten die zich vooral bevinden in (de buurt van) [B] , zoals haar halfzus, vriendinnen en haar oom (de broer van de moeder). Op dit moment is onvoldoende duidelijk of [de minderjarige] , gezien haar cognitieve en sociale vaardigheidsproblemen, een overgang naar weer een nieuwe basisschool goed zou doorstaan, laat staan dat zij daarbij zou zijn gebaat. Dat de moeder in [A] het halen en brengen van [de minderjarige] naar school zelf voor haar rekening zou kunnen nemen, maakt dit niet anders.

5.11

Het hof is voorts van oordeel dat het op de weg van de moeder had gelegen om, met het oog op haar verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming, het initiatief te nemen om een zorgregeling tot stand te brengen die de gevolgen van de verhuizing voor [de minderjarige] en de vader in voldoende mate compenseert. Uit de overgelegde stukken is het hof gebleken dat de door de moeder aangeboden alternatieven ten tijde van haar verhuizing en gedurende de procedure slechts beperkt, en daarmee onvoldoende toereikend, zijn geweest. De moeder heeft zich tot voor de zitting in hoger beroep slechts op een eerder door de vader ingevuld (internet)formulier beroepen waarin de vader akkoord ging met een omgangsregeling van eens in de veertien dagen. Dit formulier heeft de vader toentertijd ingevuld in de overtuiging dat de moeder in (de buurt van) [B] zorg zou dragen voor [de minderjarige] . Anders ter zitting in hoger beroep heeft de moeder voor het eerst een zorgregeling voorgesteld waarbij de vader omgang zou kunnen hebben zoals zij die nu heeft met [de minderjarige] . Tevens blijkt uit de overgelegde stukken en de bijdrage van de bijzondere curator dat de vader en de moeder tot voor kort zeer slecht met elkaar communiceerden. Door de door de bijzondere curator in gang gezette, maar voortijdig beëindigde mediation is een begin gemaakt met verbetering van de onderlinge communicatie, maar van voorspoedig overleg is het hof nog niet gebleken. Het hof is van oordeel dat gelet op het voorgaande een verhuizing te zeer ingrijpend zal zijn voor het contact tussen de vader en [de minderjarige] .

5.12

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat het belang van [de minderjarige] om haar leven in de haar vertrouwde omgeving bij de vader en op haar huidige school voort te zetten en het belang van de vader en [de minderjarige] om hun contact niet te zeer te zien verschralen, op dit moment zwaarder wegen dan het belang van de moeder om [de minderjarige] naar haar in [A] te laten verhuizen en haar daar op [de basisschool] in te schrijven, en de wens van [de minderjarige] om weer bij haar moeder te gaan wonen. Dat de moeder in het verleden, naar zij stelt, de hoofdverzorger van [de minderjarige] is geweest doet daaraan niet af.

5.13

Voor zover de moeder haar verzoek heeft gehandhaafd om ook in deze verhuisprocedure een bijzondere curator te benoemen, ziet het hof daarvoor onvoldoende noodzaak, mede gelet op het feit dat de door de rechtbank in de echtscheidingsprocedure benoemde bijzondere curator ook in deze zaak door het hof ter zitting is gehoord.

5.14

De conclusie is dat het verzoek van de moeder in hoger beroep zal worden afgewezen en de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

In de echtscheidingsprocedure liggen bij de rechtbank nog de nevenverzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling open. Het hof overweegt dat de beslissing in deze verhuisprocedure niet noodzakelijkerwijs doorslaggevend hoeft te zijn voor de vraag bij wie de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] dient te worden bepaald. Beoordeeld zal moeten worden wat op dat moment in het belang van [de minderjarige] wenselijk is.

6 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.C. Schenkeveld en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 7 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.