Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2866

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
200.195.539/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:2525
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:3233, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

zorgregeling en kinderbijdrage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 7 augustus 2018

Zaaknummer: 200.195.539/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/227776/FA RK 15-3514 en C/15/227799/FA RK 15/3528

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.M.E. Rietjens te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.B. Kramer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen hieromtrent is opgenomen in zijn (tussen)beschikkingen van 29 mei 2017 en 27 juni 2017.

1.2.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

- een brief van de zijde van de raad van 23 januari 2018 met bijlage (het raadsrapport van 22 januari 2018), ingekomen op 25 januari 2018;

- een brief van de zijde van de raad van 9 februari 2018 met bijlage (het raadsrapport van 6 februari 2018), ingekomen op 12 februari 2018;

- een brief van de zijde van de raad van 23 februari 2018 met bijlage (het raadsrapport van 15 februari 2018), ingekomen op 26 februari 2018;

- een brief van de zijde van de vrouw van 9 april 2018, met bijlagen (producties 12 t/m17), ingekomen op 10 april 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 10 april 2018, met bijlagen (jaaropgave 2017 en salarisstroken), ingekomen op 11 april 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 13 april 2018, met bijlage (rapportage Jeugdbescherming), ingekomen op diezelfde datum.

1.3.

De behandeling van de zaak is op 20 april 2018 voortgezet. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer V. Aelbers, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit hun relatie zijn geboren [A] (hierna: [kind a] ) [in] 2013 en [B] (hierna: [kind b] ) [in] 2015 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De man heeft de kinderen erkend.

De man heeft uit zijn door echtscheiding in 2011 ontbonden huwelijk met [X] nog drie kinderen.

2.2.

Bij beschikking van dit hof van 27 juni 2017 is de bestreden beschikking ten aanzien van het gezamenlijk gezag bekrachtigd. Partijen zijn derhalve gezamenlijk belast met het gezag over beide kinderen.

2.3.

Bij (tussen)beschikking van 29 mei 2017 van dit hof is de raad verzocht onderzoek te verrichten naar de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Daarnaast is op verzoek van de man een voorlopige voorziening ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken bepaald (in de zaak met nummer 200.195.539/02 die daarmee is afgedaan), inhoudende dat de man en de kinderen gerechtigd zijn omgang met elkaar te hebben voor de duur van dit geding:

- de ene week op zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur;

- de andere week op zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur en op zondag van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij [kind a] vanaf 1 juli 2017 van zaterdag op zondag blijft slapen bij de man;

- iedere donderdag van 16.30 uur tot 18.30 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en hen terugbrengt naar de vrouw;

Tevens is bepaald dat deze tijdelijke zorgregeling doorloopt gedurende de vakanties.

2.4.

Bij beschikking van 7 maart 2018 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland zijn de kinderen met ingang van 7 maart 2018 onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar.

3. Het geschil in hoger beroep in principaal appel wat betreft de verdeling van de zorgtaken en de kinderalimentatie en het geschil in hoger beroep in incidenteel appel

3.1.

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de man voor zover thans van belang, tussen de man en de kinderen de volgende (opbouw van de) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:

  • -

    Beide minderjarigen verblijven iedere zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur bij de man, alsmede iedere woensdag of donderdag van 16.30 uur tot 18.30 uur, waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en de man de minderjarigen naar de vrouw terugbrengt.

  • -

    Vanaf het moment dat [kind a] drie jaar is, verblijven beide minderjarigen de ene week op zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur bij de man en de andere week van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man, alsmede iedere woensdag of donderdag van 16.30 uur tot 18.30 uur bij de man, waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en de man de minderjarigen naar de vrouw terugbrengt.

  • -

    Vanaf het moment dat [kind a] vier jaar is verblijven beide minderjarigen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 16.30 uur tot zondag 17.00 uur bij de man, waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en de man de minderjarigen naar de vrouw terugbrengt, alsmede iedere woensdag van 16.30 uur tot donderdag naar school, waarbij de man de minderjarigen op donderdag naar school brengt.

  • -

    Partijen dienen de verdeling van de feestdagen en vakanties voor de beide minderjarigen in onderling overleg te regelen totdat [kind a] de leeftijd van vier jaar heeft bereikt. Vanaf het moment dat [kind a] vier jaar is dienen de schoolvakanties bij helfte te worden gedeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 12 mei 2015 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind a] dient te voldoen van € 154,- per maand en ten behoeve van [kind b] van € 227,- per maand.

3.2.

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep, voor zover thans nog in hoger beroep van belang, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de onderhoudsbijdrage voor [kind a] vast te stellen op € 264,- per maand en voor [kind b] op € 300,- per maand en vanaf 5 augustus 2017 een onderhoudsbijdrage voor [kind a] van € 227,- per maand en voor [kind b] van € 264,- per maand.

Zij heeft haar verzoek met betrekking tot de zorgregeling bij brief van 9 april 2018 gewijzigd in die zin dat zij thans verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij [kind a] eens per twee weken een weekend naar de man zal gaan van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur, en waarbij [kind b] nog niet blijft logeren bij de man en dus bij hem zal verblijven eens per twee weken op zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur en op zondag van 10.00 tot 17.00 uur. Daarnaast zullen beide kinderen eens per twee weken, in de week dat zij niet in het weekend naar de man gaan op woensdagmiddag bij hem verblijven van 12.30 uur tot 16.30 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij school of het kinderdagverblijf en de kinderen weer bij de vrouw terugbrengt.

3.3.

De man verzoekt in principaal appel de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

Naar het hof begrijpt verzoekt hij in incidenteel appel, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, voor zover thans nog relevant en zoals gewijzigd en aangevuld ter mondelinge behandeling op 20 april 2018:

  • -

    te bepalen dat [kind a] en [kind b] elke donderdagmiddag tot vrijdagochtend bij de man verblijven, waarbij [kind a] en [kind b] door de man van school en kinderdagverblijf worden gehaald en op vrijdag naar school ( [kind a] ) en naar de vrouw ( [kind b] ) worden teruggebracht;

  • -

    te bepalen dat [kind a] en [kind b] om de veertien dagen bij hem verblijven van zaterdagochtend tot en met zondagavond;

  • -

    een regeling te treffen voor de feestdagen en vakanties, om te beginnen de zomervakantie 2018;

  • -

    te bepalen dat de vrouw gehouden is tot nakoming van de bij de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling alsmede aan het in incidenteel appel verzochte bij gebreke waarvan de vrouw voor elk dagdeel dat zij in gebreke is een dwangsom ad € 100,- zal verbeuren.

3.4.

De vrouw verzoekt de verzoeken van de man in incidenteel appel af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

In hoger beroep is thans nog aan de orde de zorgregeling en de door de man te betalen kinderbijdrage. Het hof zal hierna eerst de zorgregeling behandelen.

De zorgregeling

4.2.

Zoals vermeld onder 2.2. heeft het hof in de tussenbeschikking van 29 mei 2017 in het kader van een voorlopige voorziening een tijdelijke zorgregeling bepaald en is de raad verzocht onderzoek te verrichten en advies uit te brengen ten aanzien van de zorgregeling.

De raad heeft op 15 februari 2018 een rapport uitgebracht. De raad heeft in het rapport de kinderrechter verzocht een ondertoezichtstelling uit te spreken en geadviseerd -kort gezegd- een zorgregeling vast te stellen waarbij [kind a] eens per twee weken een weekend naar de man zal gaan van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur, en waarbij [kind b] nog niet blijft logeren bij de man en dus bij hem zal verblijven eens per twee weken op zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur en op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur. In de week dat de kinderen niet naar de man gaan, zijn zij een middag bij de man (in een vorm die de ouders kunnen vinden die het minst belastend voor hen is), waarbij de man de kinderen van school haalt en ze weer bij de vrouw thuisbrengt. Onder begeleiding van de gezinsvoogd zal er opgebouwd worden naar een gelijkwaardige vakantieregeling en zal [kind b] ook in de weekenden bij de man blijven slapen. De raad adviseert in het rapport voorts dat de gezinsvoogd de aankomende zomervakantie zal benutten voor het gezamenlijk logeren van [kind b] en [kind a] .

4.3.

De mondelinge behandeling in hoger beroep is voortgezet op 20 april 2018.

De vrouw heeft (bij monde van haar advocaat) ter zitting verklaard dat de door het hof vastgestelde tijdelijke zorgregeling de ouders overvraagt qua samenwerking en te onrustig is voor de kinderen. De vrouw verzoekt een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen, naast een weekend in de veertien dagen, eens in de twee weken op woensdag bij de man verblijven. Volgens haar is omgang op donderdag niet in het belang van de kinderen omdat donderdag een lange dag is voor hen en een extra wisselmoment op die dag belastend is voor hen. Bovendien heeft de vrouw binnenkort geen ouderschapsverlof meer, waardoor zij niet langer woensdagmiddag vrij kan nemen. De vrouw handhaaft voorts haar standpunt dat [kind b] nog niet toe is aan een overnachting in het weekend bij de man. De vrouw ziet hier pas ruimte voor als [kind b] vier jaar oud is. Volgens de vrouw geeft [kind b] aan dat ze niet bij de man wil logeren en ervaart [kind a] het overnachten als een verplichting. De vrouw heeft voorts zorgen over de agressie van de man. Volgens haar worden deze zorgen gedeeld door haar psychotherapeut.

De man heeft (bij monde van zijn advocaat) ter zitting verklaard dat hij van mening is dat de door de raad in het rapport geadviseerde regeling te beperkt is en geen recht doet aan hetgeen de wetgever met betrekking tot het gelijkwaardig ouderschap heeft bepaald. De man heeft kritiek op (de totstandkoming van) het advies in het raadsrapport en de werkwijze van de raad gedurende het onderzoek. Deze kritiek behelst onder meer dat de raad volgens hem conclusies verbindt aan niet op feiten gebaseerde aannames en ten onrechte de ouders over één kam scheert en ten onrechte (ook) het gedrag van de man kenmerkt als strijd voeren en/of inadequaat gedrag. De man acht het gedrag van de vrouw zo zorgelijk dat hij subsidiair verzoekt een deskundigenonderzoek door het NIFP te gelasten.

De man is van mening dat er om het weekend en iedere week op een doordeweekse dag, te weten de donderdag, omgang zou moeten zijn. De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw de omgang op woensdag plaats te laten vinden. Hij voert aan dat de kinderen op woensdagmiddag hun sociale contacten hebben. Hij werkt bovendien op woensdag, maar hij kan, indien nodig, zijn werk zo organiseren dat hij woensdag vrij is.

Ten aanzien van de overnachting is de man van mening dat [kind b] hieraan toe is. De kinderen hebben veel plezier en zijn veilig bij hem. [kind b] vraagt al wel eens of zij mag blijven slapen, net als haar zusje. De man betwist dat [kind a] het overnachten als een verplichting ziet, zij vindt het juist leuk. De man verzoekt het hof een tijdelijke regeling op te nemen, waarbij de GI de opdracht krijgt toe te werken naar de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling met aanvulling van de vakantie- en feestdagen regeling zoals door hem in incidenteel hoger beroep verzocht.

De raad heeft ter zitting (in aanvulling op het raadsrapport) geadviseerd. De raad heeft daarbij opgemerkt dat de man zijn kritiek op het raadsrapport schriftelijk aan de raad kan doen toekomen. De raad begrijpt het punt dat de man opwerpt ten aanzien van de woensdagmiddag en het vergroten van het sociale netwerk van de kinderen in hun omgeving. Anderzijds wonen de ouders bij elkaar in de buurt, zodat de sociale omgeving bij de vrouw die bij de man nagenoeg overlapt. Daarnaast is de donderdag als omgangsdag een lange en vermoeiende dag voor de kinderen. De raad onthoudt zich van een advies ten aanzien van de omgang op de woensdag of donderdag. De raad benadrukt dat uit het raadsrapport in ieder geval naar voren komt dat de kinderen het leuk vinden bij de man. De raad heeft ter zitting geadviseerd te starten met overnachtingen van [kind b] bij de man in het weekend, en het advies zoals neergelegd in het raadsrapport in die zin enigszins gewijzigd. De raad is van mening dat er rust moet komen in de zorgregeling en dat het tussentijds halen en brengen (van [kind b] ) in het weekend geen rust geeft. Daarnaast zijn [kind a] en [kind b] een steunende factor voor elkaar. De raad heeft voorgesteld dat de ouders bijvoorbeeld kunnen afspreken dat de kinderen als zij samen overnachten bij de man ’s avonds nog even skypecontact hebben met de vrouw.

4.4.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen geacht kan worden. Het hof constateert dat de man ter zitting in hoger beroep verschillende bezwaren kenbaar heeft gemaakt tegen (de totstandkoming van) het advies in het raadsrapport. Nog daargelaten dat de man deze bezwaren pas ter zitting in hoger beroep van 20 april 2018 naar voren heeft gebracht, heeft hij niet concreet gemaakt welke consequenties aan zijn bezwaren verbonden moeten worden. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het raadsrapport bij de beoordeling buiten beschouwing te laten.

Het hof stelt vast dat de ouders het erover eens zijn dat de kinderen een weekend in de veertien dagen (van zaterdagochtend tot zondagavond) bij de man zullen verblijven, zoals ook door de raad is geadviseerd. Zij verschillen van mening over de vraag of [kind b] bij de man zal overnachten tijdens het weekend en over de vraag of de kinderen naast de weekendregeling iedere week, dan wel om de week een (mid)dag bij de man zijn, of dat op woensdag of op donderdag moet zijn en of zij dan blijven overnachten.

Ten aanzien van de omgang door de week overweegt het hof dat de kinderen inmiddels al langere tijd gewend zijn aan een wekelijks contactmoment met de man. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat dit gecontinueerd wordt. Het hof ziet aanleiding dit contact te bepalen op de woensdag(middag) zoals door de vrouw is verzocht. Onder meer uit het raadsrapport komt naar voren dat de omgang op donderdag voor de kinderen vermoeiend is, omdat het een lange dag is en er op die dag al meerdere wisselmomenten zijn. De woensdagmiddag is rustiger voor de kinderen en zij hebben dan ook meer tijd om met de man door te brengen. Nu de ouders bij elkaar in de buurt wonen, ziet het hof geen belemmering met betrekking tot de sociale contacten van de kinderen op woensdagmiddag. Ook als zij bij de man verblijven, kunnen zij eventueel met vriendjes spelen. De man heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat hij zijn werk zo kan inrichten dat hij woensdagmiddag vrij is in plaats van donderdagmiddag, zodat het hof hiervan uitgaat. Een uitbreiding met een overnachting door de week zoals door de man ter zitting is voorgesteld acht het hof op dit moment een te grote verandering die onrust met zich brengt en daarmee niet in het belang is van de kinderen.

Ten aanzien van de overnachting van [kind b] in het weekend begrijpt het hof de bezwaren van de vrouw hiertegen aldus dat deze zijn gelegen in de jonge leeftijd van [kind b] en het (agressieve) gedrag van de man. Het hof overweegt dat van geval tot geval dient te worden beoordeeld of jonge kinderen kunnen overnachten bij de andere ouder. In het onderhavige geval is van belang dat [kind b] een goed en uitgebreid contact heeft met haar vader en dat haar oudere zus ook bij de man overnacht. In het raadsrapport van 15 februari 2018 heeft de raad geadviseerd toe te werken naar een overnachting van [kind b] bij de man en ter zitting van 20 april 2018 heeft de raad geadviseerd te starten met de overnachting van [kind b] bij de man. De raad ziet derhalve voldoende mogelijkheden bij [kind b] voor een overnachting bij de man. Het hof ziet in het gedrag van de man geen belemmering voor een overnachting van [kind b] bij hem. Er is niet gebleken dat de man zich agressief jegens de kinderen zou opstellen of heeft opgesteld. Daarnaast is het hof van oordeel dat een regeling waarbij beide kinderen in het omgangsweekend bij de man overnachten rustiger en duidelijker voor hen is dan de huidige regeling waarbij de vrouw [kind b] op zaterdag ophaalt en zondag weer brengt en de kinderen dus tijdelijk worden gescheiden. Bovendien dienen de wisselmomenten, mede gelet op de gespannen verhouding tussen de ouders, die zijn weerslag op de kinderen heeft, zoveel mogelijk te worden beperkt. Het hof is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de navolgende zorgregeling in het belang van de kinderen is: de kinderen verblijven eens per twee weken een weekend bij de man van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur en daarnaast iedere week op woensdag van 12.30 uur (of zoveel eerder of later als school of kinderdagverblijf eindigt) tot 17.00 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw of bij school of het kinderdagverblijf en de kinderen weer bij de vrouw terugbrengt.

Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing ten aanzien van de zorgregeling te nemen. Nog daargelaten dat de man niet heeft onderbouwd tot welk doel een dergelijk onderzoek moet strekken, zal het (subsidiaire) verzoek van de man een nader deskundigenonderzoek door het NIFP te gelasten dan ook worden afgewezen.

Voorts is nog de verdeling van de zorg gedurende de vakantie- en feestdagen aan de orde. De man had aanvankelijk in incidenteel hoger beroep verzocht een verdeling van de vakantie- en feestdagen in 2015/2016 vast te stellen. Deze periode is inmiddels verstreken. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verzocht een vakantieregeling vast te stellen. Het hof is van oordeel dat de schoolvakanties vanaf het moment dat [kind b] vier jaar oud is (aldus vanaf de zomervakantie 2019) in onderling overleg, waarbij de gezinsvoogd eventueel kan ondersteunen, bij helfte dienen te worden gedeeld. Daarnaast zal het hof bepalen dat de kinderen in het komende schooljaar 2018/2019 tot de zomervakantie 2019 twee maal een schoolvakantieweek aaneengesloten bij de man zullen verblijven. Partijen kunnen in overleg met de GI bepalen welke vakantieweken dit zullen zijn.

4.5.

Voor het opleggen van een dwangsom, zoals door de man in incidenteel appel verzocht, ziet het hof geen aanleiding nu de vrouw in ieder geval sinds de tussenbeschikking van 29 mei 2017 de vastgestelde (tijdelijke) zorgregeling naar behoren is nagekomen en er geen aanwijzingen zijn dat zij de thans te bepalen regeling niet zal nakomen.

De kinderalimentatie

4.6.

Ten aanzien van de kinderalimentatie is tussen partijen enkel de zorgkorting in geschil. De rechtbank heeft ten aanzien van [kind a] rekening gehouden met een zorgkorting van 25% en ten aanzien van [kind b] met een zorgkorting van 15 %. De vrouw is van mening dat er met een lager bedrag aan zorgkorting rekening dient te worden gehouden. Dit hangt samen met haar verzoek een beperktere zorgregeling vast te stellen.

Het hof overweegt dat gelet op de zorgregeling zoals thans in hoger beroep wordt vastgesteld, zowel regulier als tijdens de vakanties, er geen aanleiding bestaat uit te gaan van een lagere zorgkorting dan de rechtbank heeft gedaan. Nu de grief van de vrouw in hoger beroep ten aanzien van de kinderbijdrage niet slaagt, betekent dit dat het hof de beschikking waarvan beroep op dit punt zal bekrachtigen.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarin is bepaald dat de man met ingang van12 mei 2015 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind a] dient te voldoen van € 154,- per maand en ten behoeve van [kind b] van € 227,- per maand;

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken:

  • -

    dat [kind a] en [kind b] eens per twee weken een weekend bij de man verblijven van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen naar de vrouw terugbrengt,

  • -

    dat de kinderen daarnaast iedere week op woensdag van 12.30 uur (of zoveel eerder of later als school of kinderdagverblijf eindigt) tot 17.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw of school of het kinderdagverblijf en de kinderen weer bij de vrouw terugbrengt;

  • -

    dat de zorg voor de kinderen in de schoolvakanties met ingang van de zomervakantie 2019 tussen de ouders gelijkelijk wordt gedeeld;

  • -

    dat de kinderen het komende schooljaar 2018/2019 tot de zomervakantie 2019 twee maal een, in onderling en met de GI te voeren overleg nader te bepalen, schoolvakantieweek aaneengesloten bij de man zullen verblijven;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. S.F.M. Wortmann, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 7 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar door de voorzitter.