Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2862

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
14-08-2018
Zaaknummer
200.230.233/ 01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag vereffenaar afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN,
NEVENZITTINGSPLAATS AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak : 7 augustus 2018

Zaaknummer : 200.230.233/ 01

Zaaknummer rechtbank : C/05/317682/Ha RK 17-70

Beschikking van de meervoudige kamer van inzake

1 [verzoeker sub 1] ,

wonende te [woonplaats a] ,

2. [verzoekster sub 2] ,

wonende te [woonplaats b] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekers] ,

advocaat: mr. B. Breederveld te Alkmaar,

en

1. mr. J.C.J. Smallenbroek, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] ,

kantoorhoudende te Leiderdorp,

2. [verweerster sub 2] ,

wonende te [woonplaats c] , Zwitserland,

verweerders in hoger beroep,

verder te noemen: Smallenbroek en [verweerster sub 2] ,

advocaat: mr. J. van der Steenhoven te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 27 juli 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

[verzoekers] zijn op 25 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van voornoemde rechtbank bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

2.2

Bij beschikking van 12 december 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling.

2.3

Smallenbroek en [verweerster sub 2] hebben op 20 februari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- op 18 juni 2018 een brief van gelijke datum met bijlagen namens [verzoekers] ;

- op 20 juni 2018 een brief van gelijke datum met bijlage namens Smallenbroek en [verweerster sub 2] .

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 28 juni 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- [verzoekers] bijgestaan door hun advocaat;

- Smallenbroek en [verweerster sub 2] , bijgestaan door hun advocaat.

3 De feiten

3.1

[verzoekers] en [verweerster sub 2] zijn de kinderen van [de moeder] (hierna: erflaatster) en [de vader] (hierna: erflater). Erflaatster en erflater zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Erflaatster is overleden op 25 april 2012. Erflater is overleden op 17 maart 2014.

3.2.

Erflaatster heeft bij testament van 1 augustus 2011 over haar nalatenschap beschikt. Zij heeft [verzoekers] als erfgenamen uitgesloten en erflater en [verweerster sub 2] tot haar enige erfgenamen benoemd. Erflater heeft bij testament van 16 augustus 2012 over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft [verzoekers] onterfd en [verweerster sub 2] tot zijn enig erfgenaam benoemd. Voorts heeft erflater Smallenbroek en [verweerster sub 2] benoemd tot executeurs en afwikkelingsbewindvoerders van zijn nalatenschap.

3.3

Bij akte van 28 maart 2014 heeft [verweerster sub 2] de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.

3.4

[verzoekers] hebben, voor zover de testamenten van erflaatster en erflater in stand blijven, een beroep gedaan op hun legitieme portie in beide nalatenschappen.

3.5

Bij vonnis van 18 juni 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland het testament van erflaatster nietig verklaard op grond van wilsonbekwaamheid van erflaatster. Tegen dit vonnis hebben [verweerster sub 2] en Smallenbroek hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, welk hof de zaak heeft verwezen naar dit hof voor verdere behandeling. In deze zaak is nog geen eindarrest gewezen.

3.6

Bij vonnis van 16 november 2016 heeft de rechtbank Gelderland de vordering van [verzoekers] voor recht te verklaren dat de testamenten van erflater van 1 augustus 2011 en 16 augustus 2012 nietig zijn, afgewezen. Tegen dit vonnis zijn [verzoekers] in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, welk hof de zaak heeft verwezen naar dit hof voor verdere behandeling. In die zaak wordt heden arrest gewezen.

3.7

Bij beschikking van 23 januari 2017 heeft de rechtbank Gelderland Smallenbroek op verzoek van [verweerster sub 2] benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflater.

3.8

Bij kortgedingvonnis van 18 april 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland [verweerster sub 2] als vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster verboden andere dan noodzakelijke beheersmaatregelen te treffen, zolang niet onherroepelijk is beslist door dit hof in het door [verweerster sub 2] en Smallenbroek ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juni 2014. In hetzelfde vonnis heeft de voorzieningenrechter Smallenbroek verboden andere dan noodzakelijke beheersmaatregelen te treffen zolang niet is beslist in de onderhavige zaak.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking zijn afgewezen de verzoeken van [verzoekers] om Smallenbroek te ontslaan als vereffenaar van de nalatenschap van erflater en een onafhankelijk professioneel vereffenaar te benoemen als opvolgend vereffenaar, alsmede om een lid van de rechtbank te benoemen tot rechter-commissaris.

4.2

[verzoekers] verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door [verzoekers] in eerste aanleg verzochte alsnog toe te wijzen, aldus dat Smallenbroek wordt ontslagen als vereffenaar in de nalatenschap van erflater en daartoe door het hof een onafhankelijk professionele vereffenaar als opvolgend vereffenaar wordt benoemd en voorts met benoeming van een lid van het hof tot raadsheer-commissaris.

4.3

[verweerster sub 2] en Smallenbroek verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De rechtbank heeft overwogen dat [verzoekers] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van gewichtige redenen die het ontslag van Smallenbroek als vereffenaar van de nalatenschap van erflater rechtvaardigen. Ten aanzien van het verzoek tot benoeming van een rechter-commissaris heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is een rechter-commissaris te benoemen. Niet is gebleken dat Smallenbroek tekort is geschoten in zijn taak als vereffenaar. Smallenbroek heeft een boedelbeschrijving opgesteld, goederen te gelde gemaakt om de schulden te kunnen voldoen en contact onderhouden met de belastingdienst. Het wachten is nog op de uitspraken in hoger beroep over de al dan niet nietigheid van de testamenten van erflaatster en erflater. Afgezien van het wantrouwen van [verzoekers] jegens Smallenbroek is de vereffening van de nalatenschap van erflater niet dermate complex dat een rechter-commissaris dient te worden benoemd, aldus – samengevat - de rechtbank.

5.2

[verzoekers] hebben drie grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikking. De grieven luiden:

I. Ten onrechte heeft de rechtbank bij haar overwegingen niet betrokken, althans onvoldoende gemotiveerd, dat het door [verzoekers] verzochte ontslag (mede) is gebaseerd op het afwezig zijn bij hen als direct betrokkenen bij de afwikkeling van de nalatenschap, van enig vertrouwen in Smallenbroek en de ernstig verstoorde relatie tussen hen en Smallenbroek, waartoe zij afdoende feiten hebben gesteld en aannemelijk gemaakt.

II. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat [verzoekers] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van gewichtige redenen, die het ontslag van Smallenbroek als vereffenaar van de nalatenschap van erflater rechtvaardigen.

III. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is een rechter-commissaris te benoemen.

De grieven zullen hierna gezamenlijk worden besproken.

5.3

Het hof stelt voorop dat het ontslag van een vereffenaar slechts kan worden verleend wanneer sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 4:206 lid 5 BW. Daarvan is sprake onder meer indien de vereffenaar in ernstige mate tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen of daartoe ongeschikt is.

5.4

[verzoekers] stellen in hoger beroep dat de rechtbank heeft nagelaten de stellingen van [verzoekers] mede te beoordelen in het licht van de door hen gestelde slechte verstandhouding tussen Smallenbroek en [verzoekers] als legitimarissen/schuldeisers in de nalatenschap van erflater. De relatie en de rechtsverhouding tussen [verzoekers] enerzijds en Smallenbroek en [verweerster sub 2] anderzijds is zo slecht dat van een werkbare situatie, nodig om tot een deugdelijke afwikkeling te komen, geen sprake is zolang Smallenbroek vereffenaar is. Voorts heeft Smallenbroek, zo stellen [verzoekers] , zijn taken niet naar behoren vervuld, waarbij het niet alleen gaat om Smallenbroek’s hoedanigheid van vereffenaar, maar tevens – daaraan voorafgaand – om zijn handelen en gedrag als (voormalig) executeur of adviseur. [verzoekers] wijzen erop dat Smallenbroek heeft nagelaten een “ruimschootsverklaring” af te geven teneinde, na de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van erflater door [verweerster sub 2] , zijn taak als executeur voort te zetten. Nu Smallenbroek dit achterwege heeft gelaten, heeft dit tot gevolg dat de taak van de executeur na de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap is beëindigd. Verder is niet gebleken dat Smallenbroek bij de beëindiging van zijn taak als executeur rekening en verantwoording heeft afgelegd conform het bepaalde in artikel 4:151 BW. Ook heeft de rechtbank nagelaten om de wijze waarop Smallenbroek [verzoekers] heeft bejegend, zoals blijkt uit brieven aan hun advocaat van respectievelijk 21 en 24 maart 2014, mee te wegen bij de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot ontslag van de vereffenaar. Smallenbroek is volgens [verzoekers] niet onafhankelijk en manifesteert zich als de belangenbehartiger van [verweerster sub 2] . Alleen al het feit dat Smallenbroek met [verweerster sub 2] samen in hoger beroep is gekomen van de nietigverklaring door de rechtbank van het testament van erflaatster, getuigt niet van onpartijdigheid aan de zijde van Smallenbroek. Tevens weigert Smallenbroek diepgaand onderzoek te verrichten naar de door [verzoekers] gestelde vermogensverschuivingen van erflaatster en erflater naar [verweerster sub 2] in Zwitserland. Tot slot blijkt de niet-onafhankelijke positie van Smallenbroek uit zijn gedrag inzake de door [verweerster sub 2] ingediende klacht tegen [verzoeker sub 1] bij het Regionaal Tuchtcollege.

5.5

Smallenbroek en [verweerster sub 2] wijzen in het verweerschrift erop dat [verzoekers] zich bij leven van erflaatster en erflater onmogelijk hebben gemaakt, hetgeen onder meer blijkt uit de door beide erflaters afgelegde notariële verklaringen (Hof: hun levenstestamenten). Erflater heeft daarin laten opnemen dat over het bewind over zijn goederen nooit contact opgenomen zou mogen worden met [verzoekers] Erflater heeft dat als volgt uitgelegd in die verklaring: “De reden van dit nadrukkelijk verzoek is onder meer dat deze personen mijn vertrouwen in ernstige mate hebben beschaamd er verschillende juridische procedures lopen en enkele ook zijn afgerond (...)” en voorts: “Ik wens geen contact te hebben met, noch bezoek te ontvangen van mijn kinderen [verzoeker sub 1] , zijn echtgenote [Y] en mijn dochter [verzoekster sub 2] en de kinderen van hen (...)”.

Smallenbroek heeft ter zitting in hoger beroep tevens verklaard dat de fiscus, nadat [verzoekers] bij de inspecteur de kwestie over het vermogen in Zwitserland hadden aangekaart, een zogeheten informatie-beschikking heeft afgegeven. Op grond daarvan heeft de fiscus onderzoek gedaan. Er is vanaf 2003 terug gekeken. Naar aanleiding van dat onderzoek is de informatie-beschikking ingetrokken, omdat er geen malversaties of onjuistheden waren geconstateerd. Het gehele Zwitserse vermogen is tijdens het leven van erflater van Zwitserland naar Nederland overgeheveld en steeds op juiste wijze verantwoord, aldus de fiscus. Er zijn, nadat het onderzoek door de fiscus was afgerond door [verzoekers] tot op heden geen nadere feiten of omstandigheden aangedragen die tot verder of aanvullend onderzoek door Smallenbroek zouden moeten leiden. Voor zover [verzoekers] er een punt van maken dat het chalet dat erflaatster en erflater in Zwitserland bezaten thans op naam van [verweerster sub 2] staat, is dat onbegrijpelijk. Aan [verzoekers] , althans aan hun advocaat, is van aanvang af meegedeeld dat de waarde van het chalet (met vruchtgebruik) meegenomen wordt in de afwikkeling van de nalatenschap. De waarde van het chalet in Zwitserland telde voor de fiscus niet mee bij de aangifte voor de erfbelasting omdat het ten tijde van het overlijden niet meer op naam van erflaatster en/of erflater stond, zodat het feit dat het chalet daarin niet is meegenomen, geen misslag oplevert en dus geen gewichtige reden is voor ontslag. [verzoekers] hebben nimmer persoonlijk contact opgenomen met Smallenbroek, het contact is altijd via hun advocaat gelopen aan wie Smallenbroek alle gewenste informatie heeft verstrekt. Smallenbroek heeft in een vroeg stadium aan de advocaat van [verzoekers] een overzicht van de boedel van de nalatenschap gezonden, waaruit bleek dat de boedel zoals deze op dat moment bekend was, ruimschoots voldoende was om alle schulden te betalen. Voor een separate “ruimschootsverklaring” bestaat in dat geval geen aanleiding.

Smallenbroek stelt dat hij kort na aanvaarding van zijn rol als vereffenaar nogmaals overzichten van beide boedels heeft gezonden aan de advocaat van [verzoekers] , zodat hij daarmee geacht moet worden aan zijn plicht tot rekening en verantwoording te hebben voldaan. Als er een vereffenaar benoemd moet worden is het doel van de rekening en verantwoording van een executeur dat die vereffenaar inzicht krijgt in de boedel en een startpunt krijgt. In dit geval verenigde Smallenbroek de functies van executeur en bewindvoerder in zichzelf, zodat hij volledig inzicht had in de boedel die door zijn wijziging van functie niet was gewijzigd. Smallenbroek heeft alle informatie gegeven en alle handelingen verricht die een goed vereffenaar moet geven c.q. uitvoeren.

Smallenbroek en [verweerster sub 2] stellen voorts dat het optreden van Smallenbroek als adviseur tijdens het leven van erflater, nimmer een reden kan zijn voor zijn ontslag als vereffenaar.

Het feit dat Smallenbroek het niet eens is met de vernietiging van het testament van erflaatster, zo stellen Smallenbroek en [verweerster sub 2] voorts, wil niet zeggen dat hij zijn taak als vereffenaar van de nalatenschap van erflater niet goed uitvoert. Het is voor hem niet te doen om hangende een procedure waarbij de nietigheid of vernietigbaarheid van de testamenten aan de orde is, allerlei berekeningen over de legitimaire massa te maken. De kosten van de vereffening lopen mede door toedoen van [verzoekers] door en op. Zodra er uitspraak is gedaan over de rechtsgeldigheid van de testamenten, zal Smallenbroek de legitimaire berekenen en de erfgenaam en de legitimarissen daarover informeren.

In de door [verweerster sub 2] jegens [verzoeker sub 1] ingediende medische tuchtklacht (die overigens gegrond is verklaard) heeft Smallenbroek geen enkele rol gespeeld. [verweerster sub 2] wilde dat hij bij haar afwezigheid aanwezig zou zijn bij het vooronderzoek, doch dat bleek vanwege het feit dat dit deel van het onderzoek besloten is, niet mogelijk. Bovendien zegt het niets over zijn optreden als vereffenaar, aldus Smallenbroek en [verweerster sub 2] .

Voor ontslag als vereffenaar is geen aanleiding, noch voor het benoemen van een raadsheer-commissaris nu het slechts wachten is op de uitkomst van de twee bij dit hof aanhangige procedures, waarna zijn werkzaamheden kunnen worden afgerond, zo stellen Smallenbroek en [verweerster sub 2] tot slot.

5.6.

Evenals de rechtbank ziet het hof geen aanleiding Smallenbroek te ontslaan als vereffenaar in de nalatenschap van erflater, nu onder de gegeven omstandigheden geen sprake is van gewichtige redenen in de zin van artikel 4: 206 lid 5 BW.

Het hof stelt daarbij voorop dat in de laatste jaren voorafgaande aan het overlijden van erflater, de familieverhoudingen tussen erflater en [verzoekers] ernstig onder druk zijn komen te staan. Smallenbroek en [verweerster sub 2] zijn na het overlijden van erflater, krachtens het testament van erflater, als executeur in de nalatenschap van erflater opgetreden. Smallenbroek heeft ter zitting aangegeven dat erflater juist in hem vertrouwen stelde, hetgeen wordt ondersteund door het gegeven dat Smallenbroek door erflater mede tot executeur werd benoemd. Op verzoek van [verweerster sub 2] is Smallenbroek door de rechtbank benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van erflater, hetgeen ook voor de hand lag vanwege zijn eerdere optreden als executeur in deze nalatenschap.

[verzoekers] verwijten Smallenbroek dat hij (nog steeds) geen boedelbeschrijving heeft opgesteld. Tegenover de gemotiveerde betwisting door Smallenbroek en [verweerster sub 2] hebben [verzoekers] echter onvoldoende aangevoerd voor hun stelling dat Smallenbroek hen tot op heden geen boedelbeschrijving heeft doen toekomen en evenmin inzicht heeft verstrekt in alle giften die van belang zijn voor de legitieme. Vast staat dat de waarde van het chalet (met vruchtgebruik) in Zwitserland wordt meegenomen bij de berekening van de legitimaire massa. Dat er sprake is van overige giften die Smallenbroek op voorhand weigert mee te nemen in de berekening van de legitimaire massa terwijl deze wel moeten worden meegenomen, hebben [verzoekers] in deze procedure op geen enkele wijze onderbouwd of aangetoond. De door [verzoekers] gestelde onterechte vermogensverschuivingen tussen erflaatster, erflater en [verweerster sub 2] hebben [verzoekers] , in het licht van de betwisting daarvan door Smallenbroek en [verweerster sub 2] en mede gelet op het door de fiscus verrichte onderzoek, niet, althans onvoldoende onderbouwd. Het hof heeft in al hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor een objectieve grond op basis waarvan het door [verzoekers] gestelde wantrouwen in Smallenbroek gerechtvaardigd is en die op zichzelf of in onderling verband gezien dienen te leiden tot ontslag als vereffenaar van Smallenbroek. De taak van executeur in de nalatenschap van erflater is naadloos overgegaan in die van vereffenaar, zodat het ontbreken van een formele rekening en verantwoording aan het einde van het executeurschap of het ontbreken van een “ruimschootsverklaring” een dergelijke grond evenmin oplevert. Het enkele feit dat [verzoekers] geen vertrouwen hebben in Smallenbroek is geen gewichtige reden voor ontslag van Smallenbroek. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat [verzoekers] de mening zijn toegedaan dat Smallenbroek hen niet op correcte wijze bejegent. Als voormalig vertrouwenspersoon van erflater, zal Smallenbroek vanwege de belaste familieverhoudingen uitlatingen kunnen hebben gedaan die [verzoekers] onwelgevallig waren. Daarmee is niet gezegd dat Smallenbroek tekort zou schieten in zijn taakvervulling.

Hoewel [verzoekers] kan worden toegegeven dat Smallenbroek ook wel een toonzetting kiest waarin de voorgeschiedenis doorklinkt, wijst het hof er op dat [verzoekers] , door het opwerpen van de tot nu toe ongefundeerd gebleken bezwaren aan het adres van Smallenbroek en [verweerster sub 2] , van hun kant een niet onaanzienlijke bijdrage hebben geleverd aan de thans ontstane situatie. Voor het hof kan die houding van [verzoekers] er niet toe leiden dat Smallenbroek thans zou moeten worden ontslagen als vereffenaar in de nalatenschap van erflater. [verzoekers] hebben in dit verband onweersproken gelaten dat voor de afwikkeling van de nalatenschappen geen noemenswaardige werkzaamheden meer moeten worden verricht en dat het wachten slechts is op de beslissingen van de twee hoger beroepen die bij dit hof aanhangig zijn. Gelet daarop is naar het oordeel van het hof ook de benoeming van een raadsheer-commissaris niet noodzakelijk.

5.7

De conclusie van het voorgaande is dat de grieven falen en dat de beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [verzoekers] zullen worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep aan de zijde van Smallenbroek en [verweerster sub 2] tot op heden begroot op € 313,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris advocaat.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

veroordeelt [verzoekers] in de kosten van het geding, in hoger beroep tot op heden aan de zijde van Smallenbroek en [verweerster sub 2] begroot op € 313,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het door [verzoekers] meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs H.A. van den Berg, G.J. Driessen - Poortvliet en T.A.M. Tijhuis, in tegenwoordigheid van P. Helgering als griffier en is op 7 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.