Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2843

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
23-002118-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling; bewijsoverweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002118-16

datum uitspraak: 8 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-055264-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

10 juli 2017, 28 februari 2018 en 25 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 januari 2016 te Heerhugowaard [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen althans eenmaal (met kracht) (met gebalde vuist(en)) tegen het (rechter)oog, althans het gezicht van die [slachtoffer] te slaan en/of te stoten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs zou zijn voor het toebrengen van letsel aan aangeefster door de verdachte.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Het hof heeft naast de aangifte acht geslagen op de verklaring van de dochter van aangeefster, getuige [getuige], die bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat zij, direct nadat haar moeder was thuisgekomen na de ontmoeting met haar vader, zag dat het onder het rechteroog van haar moeder een beetje dik was geworden. Dit waargenomen letsel correspondeert met hetgeen is geconstateerd in de letselverklaring van 7 januari 2016. Voorts heeft het hof ook hetgeen in een van de vertaalde Whatsapp-gesprekken, die deel uitmaken van het procesdossier, is vermeld in de beoordeling betrokken, namelijk dat aangeefster kort na het incident naar de verdachte een bericht heeft gestuurd met de inhoud: “En daarna geef jij me een klap in mijn oog. En geeft je me een blauw oog?”. Voornoemde omstandigheden maken dat het hof de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 januari 2016 te Heerhugowaard [slachtoffer] heeft mishandeld door tegen het oog van die [slachtoffer] te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg het aan hem ten laste gelegde bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren (subsidiair 20 dagen), waarvan 20 uren (subsidiair 10 dagen) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het aan hem ten laste gelegde ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft tijdens een woordenwisseling met zijn ex-vrouw haar op de bewezen verklaarde wijze mishandeld. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar pijn en letsel aan haar oog bezorgd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het, ondanks zijn medische gesteldheid ten gevolge van het feit dat hij hartpatiënt is, goed met hem gaat. Hij runt twee bedrijven en lijkt zijn leven op de rit te hebben. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een geweldsdelict is veroordeeld en ook nadien niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen. Het hof weegt het voorgaande ten gunste van de verdachte en ziet daarin aanleiding naast een geldboete een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete en voorwaardelijke taakstraf van na te melden hoogte respectievelijk duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.500,00, bestaande uit € 1.500,00 terzake van materiële schade en

€ 2.000,00 terzake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00 aan immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft – overeenkomstig het vonnis – gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof heeft aanleiding gezien om af te wijken van het de door de rechtbank toegewezen en door de advocaat-generaal gevorderde bedrag. Het hof acht een toekenning van

€ 250,00 voor het letsel, toegebracht door een enkele slag in het gelaat billijk. Daarbij heeft het hof gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Voor het overige zal het ter vergoeding van immateriële schade gevorderde worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 januari 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 augustus 2018.

Mr. A.M. Kengen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]