Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2841

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
23-001380-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

telkens zware mishandeling; bewijsoverwegingen betrouwbaarheid getuigenverklaringen en zwaar lichamelijk letsel bij ontsierend litteken; beroep op (putatief) noodweer(exces) verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001380-16

datum uitspraak: 8 augustus 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-654001-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1980,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

volgens eigen opgave wonende te [adres] (Roemenië).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

2 augustus 2016 en 25 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 27 december 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten grote en/of diepe steekwonden in de rechterwang en/of het achterhoofd, heeft toegebracht, door eenmaal of meermalen - te duwen tegen en/of te trekken aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of - in het gezicht en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] te slaan en/of - met een (stuk) glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] te steken;

1.
subsidiair:
hij op of omstreeks 27 december 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, eenmaal of meermalen - heeft geduwd tegen en/of getrokken aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of - in het gezicht en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of - met een (stuk) glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1.
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 27 december 2015 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Amstel, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit eenmaal of meermalen - duwen tegen en/of trekken aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of - in het gezicht en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] slaan en/of - met een (stuk) glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] steken, waarbij hij, verdachte, - heeft geduwd tegen en/of getrokken aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of - in het gezicht en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of - met een (stuk) glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten grote en of diepe steekwonden in de rechterwang en/of het achterhoofd) voor voornoemde [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

2 primair:
hij op of omstreeks 27 december 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten grote en/of diepe steekwonden in het gezicht en/of het linkeroog en/of ruptuur van de linker oogbol met naar buiten komen van de iris, heeft toegebracht, door eenmaal of meermalen - te duwen tegen en/of te trekken aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of - in het gezicht en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] te slaan en/of - met een (stuk) glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het oog en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] te steken;

2
subsidiair:
hij op of omstreeks 27 december 2015 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Amstel, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit eenmaal of meermalen - duwen tegen en/of trekken aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of - in het gezicht en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] slaan en/of - met een (stuk) glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het oog en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] steken, waarbij hij, verdachte, - heeft geduwd tegen en/of getrokken aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of - in het gezicht en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of - met een (stuk) glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of het oog en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken, en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (te weten grote en/of diepe steekwonden in het gezicht en/of linkeroog en/of ruptuur van de linker oogbol met naar buiten komen van de iris), althans enig lichamelijk letsel voor voornoemde [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit omdat – kort samengevat – de verklaringen van de aangevers, te weten dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] plotseling op hen afkwamen en zij zich hebben moeten verweren, onvoldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te worden gebezigd. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van beide aangevers met betrekking tot de periode van één uur tot enkele minuten voor het incident omissies en onjuistheden bevatten.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer 1]. Niet aannemelijk is dat de genezing van het letsel langer dan zes weken heeft geduurd en niet elk litteken in het aangezicht geeft aanleiding tot het aannemen van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof verwerpt de verweren er overweegt als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met betrekking tot het steekincident gelijkluidend en consistent zijn. Zo heeft aangever [slachtoffer 1] bij de politie verklaard dat hij zeker weet dat de verdachte een flesje in zijn handen had en dat er, nadat hij door de verdachte was aangevallen, bloed uit zijn wang liep. Ook aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij, nadat hij naar zijn broer en de verdachte was toegegaan omdat hij zijn broer een uitroep van pijn hoorde doen, door de verdachte is geslagen. [slachtoffer 2] ziet en voelt dat hij op zijn linkeroog wordt geraakt en het wordt gelijk zwart voor zijn ogen. De lezing van deze gebeurtenissen door aangevers wordt ondersteund door de verklaring en het letsel van medeverdachte [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat zijn vriend [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) iemand had neergestoken en dat hij, [medeverdachte], zijn letsel, namelijk een snee in zijn rechterduim en kras- en snijwonden op zijn rechterhand, heeft opgelopen toen hij glas van de verdachte afpakte. Blijkens de letselverklaring in het dossier, en naar het oordeel van het hof, past voornoemd letsel bij het grijpen in een scherp voorwerp zoals bijvoorbeeld een gebroken glas of fles. Dat beide aangevers over hetgeen aan het incident vooraf is gegaan wisselend hebben verklaard doet daaraan niet af.

Het hof acht, gelet op het voornoemde, de verklaringen van beide aangevers voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen.

Zwaar lichamelijk letsel

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van zwaar lichamelijk letsel dient te worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan (Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051).

[slachtoffer 1] is onder meer in zijn gezicht gestoken, waarbij hij – blijkens de letselverklaring van 27 december 2015 – aan zijn wang een snijwond van 5 centimeter heeft opgelopen. Zijn rechterwang is in het ziekenhuis gehecht. Aan het steekincident heeft [slachtoffer 1] in zijn gelaat een sikkelvormig litteken overgehouden alsmede een litteken op zijn rechter oorlel en aan de rechterkant van zijn hals, zoals eveneens is waargenomen ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof is van oordeel dat voornoemde blijvende en ontsierende littekens in het gelaat dienen te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, zodat ook dit verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair:
hij op 27 december 2015 te Amsterdam aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe steekwonden in de rechterwang en het achterhoofd heeft toegebracht, door met glas in het gezicht en het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] te steken.

2 primair:
hij op 27 december 2015 te Amsterdam aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe steekwonden in het gezicht en het linkeroog en ruptuur van de linker oogbol met naar buiten komen van de iris, heeft toegebracht, door met glas in het gezicht en het oog van voornoemde

[slachtoffer 2] te steken.

Hetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bespreking verweren met betrekking tot de strafbaarheid van het feit

De raadsvrouw heeft primair gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. [slachtoffer 2] heeft de confrontatie met de verdachte opgezocht en de aangevers hebben vervolgens meermalen geweld tegen de verdachte toegepast. Aldus was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat, indien het hof meent dat er geen sprake is van een noodweersituatie, de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt, omdat hij verontschuldigbaar het dreigende gevaar verkeerd heeft beoordeeld, althans ingebeeld.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat uit het dossier niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld door wie en op welke wijze de vechtpartij is begonnen. Wel blijkt uit het dossier dat vier personen aan het vechten zijn en op een gegeven moment sprake is van tweemaal een één-op-één gevecht, waarbij de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrokken waren1.

Niet kan worden uitgesloten dat op het moment dat het gevecht begon, de verdachte werd aangevallen en er voor hem een noodweersituatie bestond waartegen hij zich mocht verdedigen. Dit brengt met zich dat het verweer inzake putatief noodweer geen bespreking meer behoeft.

Evenmin kan op grond van het dossier met voldoende nauwkeurigheid worden vastgesteld of de verdachte zich aan een mogelijke aanranding niet alleen had kunnen, maar ook had moeten onttrekken, en kan aldus niet worden vastgesteld of er een noodzaak tot verdediging was.

De vraag of de verdediging van de verdachte, zoals deze heeft plaatsgevonden, geboden was, kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wel worden beantwoord. Het hof is van oordeel dat de door de verdachte gekozen wijze van verdedigen, te weten het steken met glas, niet proportioneel is. Gelet op de aard van de vechtpartij, te weten het schoppen en slaan met blote handen dan wel vuisten, was het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dit heeft aangewend in die situatie disproportioneel en staat dit geenszins in verhouding tot de ernst van de aanranding. Door glas te hanteren, zoals bewezenverklaard, heeft de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Daarbij heeft het hof tevens acht geslagen op het gegeven dat de verdachte niet één, maar beide aangevers met het glas in het gezicht heeft geraakt. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de verdachte niet minder vergaande middelen ter beschikking stonden dan gebruikmaking van voornoemd middel.

Het beroep op noodweer faalt derhalve.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde levert telkens op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op noodweerexces. De verdachte is gedesoriënteerd en in paniek geraakt. In die hevige gemoedsbeweging heeft hij zichzelf met een glasscherf verdedigd.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Een hevige gemoedbeweging kan bestaan uit angst, vrees of radeloosheid, maar ook woede, verontwaardiging of drift kunnen in beginsel verontschuldigen. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij vanuit schrik heeft geslagen en dat hij in de war was, maar enkel schrik en in de war zijn kan niet worden aangemerkt als een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging in de zin van artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Aldus is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een situatie waarin de verdachte de verdachte met overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging zich mocht verweren door met glas te steken.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair ten laste gelegde en onder 2 primair ten laste gelegde bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair ten laste gelegde en onder 2 primair ten laste gelegde ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, met opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat bij de strafoplegging rekening gehouden dient te worden met het feit dat de verdachte zelf ook zwaar is toegetakeld in het gevecht en het feit dat hij een first offender is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in een gevecht twee mannen met glas in het gezicht gestoken. Als gevolg daarvan heeft [slachtoffer 1] onder andere een ontsierend litteken op zijn wang opgelopen en [slachtoffer 2] ernstig letsel in en rond zijn linkeroog. De verdachte heeft hiermee een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en het voorval heeft een diepe indruk op hen gemaakt. Door zijn handelen heeft de verdachte beide slachtoffers littekens in het gezicht bezorgd en hen hiermee voor het leven getekend, hetgeen het hof hem aanrekent.

Het hof heeft bij de bepaling van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en een blijkens de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 juli 2018, waaruit is gebleken dat de verdachte niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld. In het voornoemde en hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting naar voren heeft gebracht ziet het hof aanleiding enigszins van de oriëntatiepunten af te wijken en acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.724,89, bestaande uit € 3.000,00 aan immateriële schade en

€ 724,89 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.000,00 (immateriële schade). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft toewijzing van de gehele vordering tot schadevergoeding gevorderd met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte. De raadsvrouw heeft een toekenning van € 1.000,00 immateriële schade bepleit en afwijzing van de vergoeding van de materiële schade. Voorts heeft zij verzocht de eigen schuld van de benadeelde partij te verdisconteren in het toe te kennen bedrag.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, mede gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (HR 17 november 2000, NJ 2001/215). Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid – met de advocaat-generaal – op € 3.000,00, waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheid dat ten gevolge van het bewezen verklaarde de benadeelde partij voortaan met een behoorlijk litteken in het aangezicht door het leven moet. Het hof ziet geen aanleiding het aandeel van de benadeelde partij in het gevecht in mindering op de vordering te brengen, nu de verdachte disproportioneel heeft gehandeld.

Voor het overige, de materiële schade, is het hof van oordeel dat deze kosten onvoldoende onderbouwd zijn en de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 22.398,46, bestaande uit € 20.000,00 aan immateriële schade en

€ 2.398,46 aan materiële schade, zijnde proceskosten. De vordering is – voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding – bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 15.000,00. De gevorderde proceskosten zijn afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de gehele vordering toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte. De raadsvrouw heeft bepleit € 2.500,00 aan immateriële schade als voorschot aan de verdachte toe te kennen en het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Voorts heeft zij verzocht de eigen schuld van de benadeelde partij te verdisconteren in het toe te kennen bedrag.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof waardeert de bij wijze van voorschot gevorderde immateriële schade – thans – op € 15.000,00 naar maatstaven van billijkheid. Het hof heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte meermalen aan zijn oog is geopereerd, waarbij – na een aanvankelijke verbetering – het zicht na de laatste operatie is verslechterd. De benadeelde partij is nog steeds bij een arts onder behandeling, nu zijn zicht niet volledig is hersteld, en hij verkeert in onzekerheid hoe en of het zicht aan zijn linkeroog zich in de toekomst zal ontwikkelen. Het hof ziet geen aanleiding het aandeel van de benadeelde partij in het gevecht in mindering op de vordering te brengen, nu de verdachte disproportioneel heeft gehandeld.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten, die ten onrechte als materiële schade zijn opgevoerd, heeft het hof acht geslagen op het schadevergoedingsformulier van de benadeelde partij [slachtoffer 2]. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de benadeelde partij verduidelijkt dat de proceskosten zien op de door de raadsman geboden rechtsbijstand ten aanzien van beide benadeelde partijen. Deze gezamenlijke proceskosten worden echter enkel ten aanzien van de onderhavige benadeelde partij als materiële schade opgevoerd. Het hof ziet daarom aanleiding de gevorderde proceskosten te matigen overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, met inachtneming van de ingediende vordering van de benadeelde partij en het bijwonen van de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof wijst de proceskosten toe tot een bedrag van € 1.086,00.

Opheffing schorsing bevel tot voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 25 mei 2016 te 11:00 uur geschorst onder – onder meer – de voorwaarde dat hij gevolg zou gegeven aan iedere oproeping vanwege een justitiële instantie en dat hij bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep aanwezig zou zijn. De verdachte is bij de inhoudelijke behandeling in hoger beroep van 25 juli 2018 niet verschenen en heeft derhalve de twee voorwaarden voornoemd niet nageleefd. Het hof zal gelet op het voorgaande de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 27 december 2015.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.086,00 (duizendzesentachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 december 2015.

Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. F.A. Hartsuiker en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 augustus 2018.

Mr. A.M. Kengen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[......]

1 [......]