Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2829

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
23-003494-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woninginbraak waarbij onder meer geld en sieraden zijn weggenomen. Ontkennende verdachte. Oplegging gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003494-17

datum uitspraak: 31 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 26 september 2017 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 januari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-743558-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres 1].

Procesgang

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden als nader omschreven in het vonnis, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 23 september 2015 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 26 september 2017 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juli 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 26 januari 2013 tot en met 27 januari 2013 te Oostwoud, gemeente Medemblik, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning ([adres 2]) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 4.500 Euro en/of een kluis (onder meer) inhoudende een geldbedrag van 30.000 Euro en/of een of meer sieraden en/of twee paspoorten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten met gebruikmaking van een niet aan hem, verdachte, toebehorende sleutel;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bespreking verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de raadsman, zakelijk en naar de kern weergegeven, het volgende aangevoerd.

Niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen kluis in de buurt van de auto van de verdachte, de kluis is die gestolen is. En als het dezelfde kluis betreft, dan staat daarmee nog steeds niet vast dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Een auto is een verplaatsbaar object en de auto van de verdachte is 10 maanden nadat het feit is gepleegd in de buurt van de kluis aangetroffen. Het is niet duidelijk wie de kluis daar heeft neergelegd. In dat kader heeft de verdachte ook verklaard dat er geen vingerafdrukken noch DNA sporen van hem op de kluis zijn aangetroffen. Voorts heeft de verdachte ontkend dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en zijn ook anderszins geen sporen van hem aangetroffen waaruit blijkt dat deze ontkenning onjuist is. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het verhaal waarin hij het feit bekent, heeft verzonnen. In werkelijkheid heeft hij niets met de diefstal te maken: hij heeft het verhaal gehoord van een persoon genaamd ‘[naam 1]’, die behoort tot een motorclub, welk verhaal hij vervolgens heeft gereproduceerd om op te scheppen, stoer te doen, tegenover zijn omgeving. Daar komt bij dat het opgenomen gesprek met [naam 2] waarin de verdachte het feit bekent pas geruime tijd na de pleegdatum boven water is gekomen. Tot slot is relevant dat [naam 3], in zijn bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring, de suggestie wekt dat hijzelf (het hof begrijpt: en dus niet de verdachte) de inbraak heeft gepleegd. Aldus is het ten laste gelegde feit, volgens de raadsman, wettig maar niet overtuigend bewezen zodat vrijspraak moet volgen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof acht het aannemelijk dat de gestolen kluis van [benadeelde 1], die door haar is herkend, de kluis is die is aangetroffen in de nabijheid van de auto van de verdachte op hetzelfde terrein in Midwoud. Het enkele feit dat de gestolen kluis eerst maanden na de pleegdatum bij de auto van de verdachte is aangetroffen, beschouwt het hof, anders dan de raadsman en gelet op de andere bewijsmiddelen, niet als een toevallige samenloop van omstandigheden. Het ontbreken van vingerafdrukken en/of DNA sporen op de kluis kan voorts verband houden met het tijdsverloop tussen het dumpen en het aantreffen van de kluis. De ontkenning van de verdachte dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en het door hem geschetste alternatieve scenario, acht het hof ongeloofwaardig. De verdachte heeft bij de politie niets verklaard over ene ‘[naam 1]’ van wie hij het verhaal over de diefstal zou hebben gehoord. Dat de verdachte hier destijds over heeft gezwegen, heeft, aldus de verdachte, te maken met het feit dat hij – de verdachte – ‘geen vriendje’ van de politie zou zijn. Men hoeft echter niet ‘bevriend’ met de politie te zijn teneinde zijn onschuld tegenover de politie kenbaar te maken. Voorts had het op de weg van de verdachte gelegen ‘[naam 1]’ op te roepen als getuige teneinde zijn ontkenning kracht bij te zetten – hetgeen de verdachte niet heeft gedaan. Dat de verdachte een dergelijke oproeping ‘te gevaarlijk’ vond omdat [naam 1] deel uitmaakt van een motorclub, acht het hof niet aannemelijk. Deze vermeende angst is niet te rijmen met de zeer gedetailleerde wijze waarop [naam 1] het verhaal over de diefstal, volgens de verdachte, hem uit de doeken heeft gedaan. Voorts heeft de verdachte jegens [naam 2], blijkens een tussen hen opgenomen gesprek, zeer gedetailleerd verklaard over de diefstal, in welk gesprek door verdachte is gezegd dat er een geldbedrag van (ongeveer) € 30.000,00 in de kluis lag. Ter terechtzitting heeft de verdachte bevestigd dat zijn stem op de geluidsopname te horen is en dat hij zijn uitspraken heeft gedaan onder invloed van cocaïne en GHB. Anders dan de verdachte echter kennelijk meent, staat dergelijk middelengebruik niet aan het vertellen van de waarheid in de weg en kunnen de door de verdachte gedane mededelingen jegens [naam 2] alleen van de dader van de diefstal afkomstig zijn (daderwetenschap). Het betoog van de raadsman dat [naam 3] in zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris de suggestie heeft gewekt dat hijzelf de inbraak heeft gepleegd, acht het hof onvoldoende concreet en staat in schril contrast tot de gedetailleerde informatie die [naam 3] op een eerder moment, op 3 december 2013, met de politie heeft gedeeld. Laatstgenoemde verklaring wordt op essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals (onder meer) de verklaringen van aangeefster alsmede het opgenomen gesprek van de verdachte. Dat [naam 3], en niet de verdachte, de diefstal heeft gepleegd acht het hof, gelet op de eerdere verklaringen van [naam 3] op 3 december 2013, dan ook niet aannemelijk. Het hof verwerpt de bewijsverweren van de raadsman.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een tijdstip in de periode van 26 januari 2013 tot en met 27 januari 2013 te Oostwoud, gemeente Medemblik, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning ([adres 2]) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 4.500 Euro en een kluis (onder meer) inhoudende een geldbedrag van 30.000 Euro en sieraden en twee paspoorten toebehorende aan [benadeelde 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van een valse sleutel, te weten met gebruikmaking van een niet aan hem, verdachte, toebehorende sleutel.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de onderstaande bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal aangifte, inclusief bijlage, met nummer PL10DK 2013009597-1 van 27 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (p. 11 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 januari 2013 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde 1]:

Op zaterdag 26 januari 2013 omstreeks 16.45 uur verliet ik mijn woning, gelegen aan de Oostwouder [adres 2] te Oostwoud, gemeente Medemblik, nadat ik deze had afgesloten. Mijn man en ik hebben een horecabedrijf en kwamen rond 04.00 uur (het hof begrijpt: 27 januari 2013) terug. Ons erf is afgesloten door een hoog hek, dat altijd op slot is. Tot onze verbazing zagen wij dat in de sneeuw op het ijs van de sloot een voetspoor liep. Dit spoor liep naar de achterzijde van de tweede woning en toen wij gingen kijken, zagen we dat de tuindeur aan die zijde van ons tweede huis openstond. Ik heb alle deuren altijd afgesloten. Ik zag geen braaksporen. Toen ik met mijn man naar de voorzijde van de tweede woning liep, zag ik dat in de sneeuw een loopspoor zichtbaar was vanaf de dubbele terrasdeuren aan de voorzijde over het gras op ons achtererf tot waar de achterdeur van onze woning is. De achterdeur troffen we nu niet op slot aan, terwijl ik zeker weet dat ik hem op slot had gedaan. In huis gekomen zag ik dat de laden van het dressoir in de huiskamer allen half open stonden. In dit dressoir had mijn man de dagopbrengst van drie dagen gelegd, een geldbedrag tussen de vier en vijfduizend euro. Boven op onze slaapkamer stond een kluisje. In de kluis bewaarden wij geld, een bedrag van 30.000 euro, paspoorten op naam van mij en mijn man en een groen rechthoekig sieraden doosje met sieraden. Voor de rest mis ik geen goederen.

Bijlage weggenomen goederen

Gestolen goed

Categorie omschrijving : Brandkast/kluis/geldkist

Kleur Beige

Bijzonderheden: Afm.50 bij 50 cm.

Eigenaar [benadeelde 1], Oostwouder [adres 2]

Gestolen goed

Categorie omschrijving : Geld

Bijzonderheden: In de kluis zat 30.000 euro, in de huiskamerdressoir, ongeveer 4500

Eigenaar: [benadeelde 1], Oostwouder [adres 2]

2. Een proces-verbaal aangifte, inclusief bijlage, met nummer PL10FR 2013009597-4 van 6 februari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (p. 15 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 februari 2013 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde 1]:

In een lade in de keuken van de tweede woning lag een zwart leren mapje met daarin een sleutel van de eerste woning. Dit zwarte mapje is ook gestolen. Tevens is een sleutel van de tweede woning, die op de vensterbank lag in de tweede woning bij de terrasdeur gestolen. Dit betreft een reservesleutel.

Gestolen goed

Categorie omschrijving: sieraden

Eigenaar: [benadeelde 1], Oostwouder [adres 2]

Gestolen goed

Object paspoort

Eigenaar: [benadeelde 1], Oostwouder [adres 2]

Gestolen goed

Object paspoort

Eigenaar: [benadeelde 2], Oostwouder [adres 2]

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL10DK 2013009597-7 van 8 mei 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (p. 26 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op maandag 6 mei 2013 heb ik het geluidsfragment wat ik per mail van benadeelde heb ontvangen zo veel als mogelijk woordelijk uitgewerkt. De persoon die het gesprek heeft opgenomen wordt weergegeven als A en de verdachte als B, dit zou vermoedelijk zijn:

[verdachte], geboren [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats], wonende [adres 3].

B: Ja, ik was dronken en denk ik ga gewoon ff kijken.

A: Je had een vermoeden dat daar geld lag ofzo?

B: Ja natuurlijk.

A: Waar woont hij dan, in Oostwoud ofzo?

B: Ja

B: Ik vond een sleutel.

A: Omdat je zei over [naam 4].

B: O nee, die heb geholpen met die kluis openmaken.

A: Maar gewoon 33.000 euro of hoeveel?

B: 32.000 ofzo. Allemaal opgemaakt.

B: Kroegeigenaren moet je hebben.

A: Kroegeigenaren joh.

B: Hij kon geen aangifte doen he. Hij kan moeilijk zeggen van ja ik heb 32.000 zwart in mijn kluis liggen. Je staat niet sterk met een aangifte zo. Ja ik had het in een kluis op mijn kamer 32.000 euro in een kluis liggen.

B: Geen sporen, inbraaksporen niks achtergelaten. Gewoon weer netjes die deur op slot draaien en de sleutel heb ik meegenomen. Maar hij geeft die schilder natuurlijk de schuld.

A: Die schilder?

B: Ja er was een schilder bezig.

A: Owh ja.

B: Ja. Hij heeft die sleutels voor die schilders neergelegd.

A: En die schilder heeft het aan jou gegeven ofzo?

B: Nee. Ik liep gewoon in het vakantiehuisje achter. Daar was die schilder mee bezig. En eh ik deed een la open en ik zag twee sleuteltjes liggen. En ik loop naar de achterdeur en hij paste er gewoon nog in ook.

A: Nou [verdachte] (fonetisch), als je ooit zo’n klusje weet dan eh mag je mij wel eeh.

B: Ja, mooi he.

B: Ik had gewoon een vermoeden. En overal in huis, in een laatje had ie weer ff een paar honderd daar een paar honderd. Daar weer duizend euro.

4. Een proces-verbaal verhoor getuige met nummer PL10AL 2013009597-32 van 3 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (p. 85 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 december 2013 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [naam]:

V: Hoe lang ken je [verdachte]?

A: Ik ken [verdachte] al mijn hele leven. We hebben altijd bij elkaar op school gezeten

en bij elkaar in het dorp gewoond.

V: Wat heeft hij verteld?

A: Hij vertelde dat hij over het ijs naar het gasthuis achter het huis van de kroegbaas is gegaan en dat daarvan de deur open stond omdat de schilder daar bezig was. Daar binnen zei hij sleutels te hebben gevonden van het echte huis. Met die sleutels zei hij naar binnen te zijn gegaan en toen is hij daar gaan rondzoeken. Hij vertelde dat hij op de slaapkamer een kluis had gevonden. Die kluis heeft hij meegenomen. Die kluis heeft hij opengemaakt en later

gedumpt. [verdachte] vertelde dat er niemand in de woning thuis was toen hij de inbraak pleegde. Volgens mij vertelde [verdachte] ook dat hij bezopen was toen hij de inbraak pleegde.

V: Wanneer heeft [verdachte] die inbraak gepleegd?

A: Ik weet het niet. Al een hele tijd terug, want [verdachte] vertelde dat hij met die kluis over het ijs gegaan was. Rond de woning van die kroegbaas ligt een sloot. Die was bevroren toen.

V: Wat zat er in de kluis?

A: Wat goud, geld, en misschien nog wat andere spulletjes, maar dat heeft hij mij

niet verteld.

V: Wanneer heeft [verdachte] jou dit verteld?

A: Dat zal één of twee dagen na de inbraak geweest zijn, maar ik weet niet wanneer

dat was. Hij vertelde mij dat in het dorp, denk ik.

V: Met wie heeft [verdachte] die gestolen kluis open gemaakt?

A: Alleen denk ik, ik weet het niet.

V: Waar heeft hij dat gedaan?

A: Volgens mij thuis in een schuur.

V: Waar is die kluis gebleven?

A: Die heeft hij gedumpt, maar ik weet niet waar.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL10HR 2013009597-24, inclusief bijlagen van 25 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (p. 31 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op maandag 25 november 2013 bevonden wij, verbalisanten ons op het adres [adres 4]. Direct achter de paardenbak stond op een verharde plaats een zwarte Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken]. Ons, verbalisanten, is ambtshalve bekend dat dit voertuig eigendom is van [verdachte]. Wij zijn vervolgens naar de Volkswagen Golf gelopen. Ik zag dat naast het schuurtje op de walkant een beige kleurige ijzeren bak staan. Wij hebben de ijzeren bak omgedraaid en toen zagen wij dat het inderdaad om een kluis ging. Wij zagen dat de kluis qua afmeting en kleur overeenkwam met de weggenomen kluis aan de [adres 2]. Wij hoorden [naam 5] zeggen dat hij deze kluis nog nooit eerder gezien had. Van het terrein van de [adres 4] is een afdruk gevoegd vanaf Google Maps. Op deze afdruk is de plaats waar de Volkswagen Golf aangetroffen is aangeduid met een wit rechthoek. De plaats van aantreffen van de kluis is aangeduid met een witte pijl.

Bijlage foto op pagina 34 van het proces-verbaal.

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL10HR 2013009597-22 van 25 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (p. 35 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

[benadeelde 1] verklaarde aan ons:

De kluis welke bij ons is weggenomen heeft precies dezelfde afmeting en kleur. Ook zie ik dat er bovenin deze kluis twee geleiders lopen waar een lade in heeft gezeten. Dat was bij onze kluis precies zo. Ook de zijde waar deze kluis scharniert is hetzelfde als bij onze kluis. Ik denk dat dit onze kluis is.

7. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juli 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb het verhaal verteld aan [naam 2]. [naam 2] heeft dit gesprek, waarop mijn stem is te horen, opgenomen (het hof begrijpt: de man die in die geluidsopname de inbraak bekent en die in het proces-verbaal van bevindingen van hoofdagent van politie [verbalisant 3] wordt aangeduid als B.). Dat was ik.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden als nader omschreven in het vonnis, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest, daarbij rekening houdend met de duur van het strafproces.

De raadsman heeft verzocht, als het hof tot een bewezenverklaring komt, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een werkstraf, daarbij rekening houdend met het tijdsverloop.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij onder meer geld en sieraden zijn weggenomen. De verdachte heeft geen respect getoond voor het eigendomsrecht van een ander. De benadeelde heeft hierdoor materiële schade en hinder ondervonden. Daarbij komt dat een woning bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid bij de bewoners. Bovendien zorgen woninginbraken voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij. Daarnaast constateert het hof dat de redelijke termijn in deze zaak niet is geschonden, zodat het tijdsverloop geen strafverminderend effect sorteert.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 juli 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 38.633,53. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 34.983,53. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.


De raadsman heeft verzocht, als het hof tot een veroordeling komt, twee door de benadeelde partij gevorderde posten niet toe te wijzen, te weten: geld uit de kluis ter hoogte van een bedrag van € 30.000,00 en geld uit het laadje ter hoogte van een bedrag van € 4.500,00. Wat betreft het eerstgenoemde bedrag is onvoldoende bewijs dat € 30.000,00 aan cash op de pleegdatum daadwerkelijk in de kluis lag en is weggenomen. In het opgenomen gesprek (het hof begrijpt: door [naam 2]) met de verdachte bevestigt de verdachte weliswaar dat dit bedrag, maar dit gesprek is onbetrouwbaar, aldus de raadsman.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof is uitgegaan van de volgende posten:

  • -

    Geld uit de kluis ter hoogte van een bedrag van € 30.000,00;

  • -

    Geld uit het laadje ter hoogte van een bedrag van € 4.000,00;

  • -

    Nieuwe sloten ter hoogte van een bedrag van € 173,76;

  • -

    Vervangende paspoorten ter hoogte van een bedrag van € 145,50;

  • -

    Sieraden ter hoogte van een bedrag van € 7.750,00;

  • -

    Vervangende kentekenbewijzen ter hoogte van een bedrag van € 94,50;

  • -

    Reiskosten ter hoogte van een bedrag van in totaal € 25,87; +

€ 42.189,63;

- Minus het door de verzekering uitgekeerde bedrag van € 4.456,10 -/-

€ 37.733,53

- Immateriële schade € 400,00 +

Totaal € 38.133,53

Wat betreft de post ‘geld uit de kluis’ gaat het hof uit van het gevorderde bedrag van € 30.000,00 nu het hof geen reden heeft aan te nemen dat de verdachte niet de waarheid heeft gesproken in het opgenomen gesprek met [naam 2]. Wat betreft de post ‘geld uit het laadje’ gaat het hof uit van een bedrag van € 4.000,00, gelet op de verklaring van de aangeefster dat het bedrag tussen de 4.000,00 en 5.000,00 euro betrof. Voor het overige, te weten een bedrag van € 500,00, is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.


Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 38.133,53 (achtendertigduizend honderddrieëndertig euro en drieënvijftig cent) bestaande uit € 37.733,53 (zevenendertigduizend zevenhonderddrieëndertig euro en drieënvijftig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 38.133,53 (achtendertigduizend honderddrieëndertig euro en drieënvijftig cent) bestaande uit € 37.733,53 (zevenendertigduizend zevenhonderddrieëndertig euro en drieënvijftig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 225 (tweehonderdvijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 juli 2018.

Mr. E. van Die is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]