Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2808

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
23-002127-17 en 23-004514-17 (gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldheling, vernieling en diefstal. Gevangenisstraf voor de duur van 7 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummers: 23-002127-17 en 23-004514-17 (gevoegd)

datum uitspraak: 6 augustus 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 juni 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-800075-17 (zaak A) en 15-800044-17 (zaak B) en het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 december 2017 in de strafzaak met parketnummer 15-175610-17 (zaak C), in hoger beroep gevoegd tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 mei 2017 (in zaak A en zaak B).

Tegen voormelde vonnissen is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1 primair en 1 subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:

zaak B:

2:
hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een fiets (van het merk Sparta, type Pallas, framenummer [nummer]) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

zaak C:

1:
hij op of omstreeks 7 september 2017 te Den Helder, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk twee fietsen van het merk Edwards en/of het merk Sparta, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2:
hij op of omstreeks 7 september 2017 te Den Helder, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een oranje straatbal met het opschrift '1st Categorie Footbal, CHAMPION', in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

De vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd omdat in zaak C het vonnis waarvan beroep slechts is aangetekend op de voet van artikel 378a Wetboek van Strafvordering en het hof de zaken heeft gevoegd, zodat het terzake één arrest wijst.

Bewijsverweren

Zaak B:

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat zijn cliënt wordt vrijgesproken op de grond dat die niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de fiets die hij onder zich had van misdrijf afkomstig was.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De fiets die de verdachte onder zich had ten tijde van zijn staandehouding was slordig overgespoten met zwarte verf. Het beugelslot was geopend, maar er zat geen sleutel in het slot. En om het zadel van de fiets hingen twee hangsloten, met een afgebroken sleutel in één van deze hangsloten.

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het hem verbaasde dat zijn vriend [naam] die fiets had gepakt. Mede gelet op de hiervoor beschreven kenmerken van de fiets die bij een ieder twijfel zouden doen rijzen over de legale herkomst van de fiets, is de verdachte tekort is geschoten in zijn onderzoeksplicht, zodat hij met de voor schuldheling vereiste, aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld en redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets een door misdrijf verkregen goed betrof.

zaak C feit 1:

De raadsman van de verdachte heeft ook ten aanzien van dit feit vrijspraak bepleit op de grond dat op basis van het dossier niet met zekerheid is vast te stellen dat het de verdachte is geweest die de fietsen heeft beschadigd.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

[getuige 1] heeft verklaard getuige te zijn geweest van de beschadiging van twee fietsen door een man met blond haar, een blauwe spijkerbroek en een blauw spijkerjack. Deze man was in het gezelschap van een andere man, [getuige 1] heeft van hen beiden een foto gemaakt en op die foto de dader aangewezen aan de politie. [getuige 2] heeft verklaard dat hij een blonde man met een spijkerjas en een hond aan een fiets heeft zien rommelen en dat die fiets even later beschadigd bleek te zijn. Diezelfde man zou bij [bedrijf] en bal uit een rek hebben gepakt (zie hieronder bij feit 2). De beide mannen zijn even later aangehouden. De door [getuige 1] als eerste genoemde persoon bleek de verdachte te zijn, die in het bezit was van een hond en die heeft erkend een bal uit een rek te hebben gepakt.

Op basis hiervan komt het hof tot het oordeel dat het de verdachte is geweest die de fietsen heeft beschadigd.

zaak C feit 2:

Ten aanzien van feit 2 in zaak C heeft de raadsman vrijspraak bepleit op de grond dat de verdachte geen opzet had op wederrechtelijke toe-eigening van de bal.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt vast dat de verdachte de onderhavige speelbal uit een buiten voor de winkel van [bedrijf] staand rek heeft gepakt voor zijn hond – een pitbull –, waarop de hond de bal kapot heeft gebeten. Nu de verdachte de bal niet heeft betaald alvorens deze aan zijn hond als speeltje aan te bieden, moet worden aangenomen dat hij het oogmerk had die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 2 en in zaak C onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak B:

2:
hij op 28 januari 2017 te Alkmaar een fiets van het merk Sparta, type Pallas, framenummer [nummer] voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

zaak C :

1:
hij op 7 september 2017 te Den Helder opzettelijk en wederrechtelijk een fiets van het merk Edwards en een fiets van het merk Sparta, die aan [benadeelde 1] onderscheidenlijk [benadeelde 2] toebehoorde, heeft beschadigd.

2:
hij op 7 september 2017 te Den Helder met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een oranje bal met het opschrift 'First Categorie Football, CHAMPION' toebehorende aan de [bedrijf].

Hetgeen in zaak B en zaak C meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:

schuldheling.

Het in zaak C onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

Het in zaak C onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

In eerste aanleg is de verdachte in zaak B veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, en in zaak C tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, beide met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak C tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen fietsen en indirect geprofiteerd van het misdrijf van een ander. Daarnaast heeft de verdachte twee fietsen beschadigd. Dit getuigt aan gebrek aan respect voor andermans eigendommen. Het zijn ergerlijke feiten die niet alleen schade en hinder toebrengen aan de gedupeerden, maar ook gevoelens van onveiligheid aanwakkeren. Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Hij heeft geen blijk gegeven respect te hebben voor het eigendomsrecht van het gedupeerde winkelbedrijf, dat hij bovendien schade en overlast heeft berokkend. Het hof rekent de verdachte dit aan.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof bij de strafmaat mee dat de verdachte blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 juli 2018 eerder veelvuldig voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de omtrent de verdachte opgemaakte rapporten, waarin gewag wordt gemaakt van onder andere bij de verdachte geconstateerde psychische problematiek, de hoge kans op recidive en de eerdere mislukte pogingen tot behandeling en begeleiding van de verdachte.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 217. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 200,90. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak C onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 117,97. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak C onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 310, 350 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-800075-17 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 15-800044-17 onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-800044-17 onder 2 en in de zaak met parketnummer 15-175610-17 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-800044-17 onder 2 en in de zaak met parketnummer 15-175610-17 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-175610-17 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 200,90 (tweehonderd euro en negentig cent) ter zake van materiële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-175610-17 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 200,90 (tweehonderd euro en negentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-175610-17 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 117,97 (honderdzeventien euro en zevenennegentig cent) ter zake van materiële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-175610-17 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 117,97 (honderdzeventien euro en zevenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. R. Kuiper en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 augustus 2018.

Mr. Kuiper is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]