Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2795

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
23-003389-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling door een vuistslag toe te dienen. Beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003389-17

datum uitspraak: 3 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-176397-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:

op of omstreeks [datum] te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een of meermalen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, in elk geval het lichaam, te slaan en/of te stompen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op [datum] te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in het gezicht te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

De verdachte kreeg van de aangever een forse duw/slag tegen het lichaam en viel tegen tafels/hekken aan; hij voelde hierdoor pijn en heeft vervolgens meteen gereageerd met een enkele klap. De handeling van de verdachte was dan ook geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Er zaten slechts seconden tussen de handeling van de aangever en de klap van de verdachte. Bovendien was het druk en de afstand tussen de verdachte en de aangever was klein, zodat niet gesproken kan worden van een situatie waaraan de verdachte zich had kunnen onttrekken. Daarnaast was er, vanuit het perspectief van de verdachte bezien, vanaf het moment van de duw door de aangever sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De forse duw van de aangever was in de ogen van de verdachte namelijk een startsignaal voor een potje knokken. Met andere woorden, er zouden nog meer geweldshandelingen volgen van de aangever, aldus de verdediging.

Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de verdachte door zijn gedragingen weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door het onmiddellijk dreigend gevaar voor de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte, na hard te zijn geduwd en bijna te zijn gevallen in een hevige gemoedsbeweging, die door dat duwen was veroorzaakt, de inmiddels weer weggelopen duwer (aangever) is nagelopen en deze een vuistslag heeft toegediend.

De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd, aldus de raadsman.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft betoogd dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf door de verdachte omdat tussen het wegduwen van de verdachte door de aangever en het vervolgens uitdelen van de vuistslag door de verdachte enige tijd heeft gezeten. Voorts kan uit alle verklaringen worden afgeleid dat de vermeende aanranding door de aangever reeds was beëindigd en dat de klap, zoals de getuige [getuige 2] heeft verklaard, uit het niets kwam. De verdachte en de aangever stonden niet meer tegenover elkaar, de aangever maakte daarna geen aanstalten richting de verdachte; hij balde niet zijn vuisten en liep niet op de verdachte af. Verder was er ten tijde van het slaan door de verdachte geen sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding zodat er geen sprake was van een noodweersituatie en dat de verdachte aldus geen geslaagd beroep kan doen op noodweer, noch op noodweerexces.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op de aanwezigheid van een noodweersituatie, het hof zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de feitenrechter daarbij allereerst duidelijk moet maken of de feitelijke toedracht, zoals door de verdachte ten verwere is aangevoerd en uit de wettige bewijsmiddelen moet worden afgeleid, aannemelijk is geworden.1

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

De verdachte, die in de uren voorafgaand aan het incident op [datum] op de Parade in Amsterdam veel alcohol had gedronken, kwam onderweg naar de bar de getuige [getuige 1] tegen en viel haar lastig. De verdachte bleef [getuige 1] onheus bejegenen en bezigde daarbij termen als “lekker wijf” en “jij bent van mij” en begon haar zelfs ongewenst aan te raken/te betasten. Ofschoon [getuige 1] de verdachte meermalen vroeg daarmee op te houden en weg te gaan, deed hij dat niet. [getuige 1] vroeg de aangever vervolgens om bijstand; de aangever vroeg de verdachte even met hem mee te lopen en verzocht hem [getuige 1] met rust te laten en weg te gaan. De verdachte reageerde daarop geïrriteerd afwijzend, in termen als “ik bepaal zelf wat ik doe/waar bemoei je je mee, opa.” Daarna heeft de aangever de verdachte ofwel direct geduwd, ofwel eerst nadat de aangever door de verdachte was geduwd. Het hof acht niet van belang welk van deze twee uiteindelijke scenario’s aan de orde was, omdat de voorafgaande interventie door de aangever, op verzoek van [getuige 1] , zelf een noodzakelijke, proportionele en subsidiaire verdediging was tegen de onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding van de eerbaarheid van [getuige 1] door de verdachte. In die situatie komt de verdachte geen beroep op noodweer toe.

Het door de verdachte geschetste scenario van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangever vindt geen steun in de wettige bewijsmiddelen, zodat dit scenario naar het oordeel van het hof als onaannemelijk terzijde moet worden geschoven.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Op grond van de hiervoor vermelde conclusie dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie wordt het beroep op noodweerexces reeds om die reden verworpen.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt derhalve verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en zijn financiële draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] door die [slachtoffer] in het gezicht te slaan. Als gevolg hiervan is een voortand van [slachtoffer] afgebroken. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] ernstig aangetast. Dit is een ernstig feit dat de omstanders, die er getuige van zijn, gevoelens van onveiligheid bezorgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf tevens acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 juli 2018, waaruit blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Op feiten als het onderhavige staat voor mensen met een blanco strafblad doorgaans een geldboete. Het hof ziet geen aanleiding in dit geval anders te beslissen en wijkt daarom af van wat de advocaat-generaal heeft gevorderd. Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 2.725,00 ter zake van materiële schade en € 15.000,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00 ter zake van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van € 2.725,00 ter zake van materiële schade. De vordering tot vergoeding van immateriële schade heeft de benadeelde partij in hoger beroep niet gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.725,00 (tweeduizend zevenhonderdvijfentwintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.725,00 (tweeduizend zevenhonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op [datum] .

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M. van der Nat, mr. R.D. van Heffen en mr. M.L. Leenaers, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 augustus 2018.

mrs. Van Heffen en Leenaers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

1 HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0737, NJ 1997/657.