Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2782

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-08-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
23-005256-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van doodslag, waarna brandstichting. Tijdsbepaling delict mede op grond van letseldatering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-005256-15

datum uitspraak: 6 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-650809-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5 en 6 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van de feiten 5 en 6.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2016, 11 april 2018, 4 juni 2018, 11 juni 2018, 12 juni 2018 en 23 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte op 28 december 2015 en door het openbaar ministerie op 31 december 2015 hoger beroep ingesteld. Het openbaar ministerie heeft het hoger beroep vervolgens ingetrokken op 2 februari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 25 september 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, een of (meer)ma(a)l(en) (met kracht) uitwendig mechanisch (samen)drukkend geweld en/of botsend geweld op de hals en/of in de weken delen rondom de hoorntjes van het strottenhoofd en/of op/bij het schildkraakbeen en/of op (de onderrand van) het tongbeen en/of op/rondom de stembanden en/of op de luchtpijp en/of op/bij (de onderrand van) het schildkraakbeen en/of (elders) op het lichaam van voornoemde [slachtoffer] uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


2:
hij op of omstreeks 25 september 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres 1] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan een bed en/of een laptop en/of die woning en/of het stoffelijk overschot van [slachtoffer] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen en/of voor de aangrenzende en/of onderliggende en/of bovenliggende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de aangrenzende en/of onderliggende en/of bovenliggende woning(en) aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

3:
hij op of omstreeks 25 september 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland (in/uit een woning gelegen aan de [adres 1] ) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;


4:
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 19 september 2013, althans in of omstreeks de maand september 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland (in/uit een woning gelegen aan de [adres 1] ) (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 5000 euro) en/of een of meer sleutel(s) (van voornoemde woning), in elk geval (telkens) enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal om proceseconomische redenen geheel worden vernietigd.

Bewijsoverwegingen en bespreking van de gevoerde verweren.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft in zijn schriftelijk overgelegde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten en tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

De advocaat-generaal heeft in het bijzonder ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde het volgende gesteld.

Onder verwijzing naar het in het vonnis van de rechtbank in paragraaf 4.3.2 gestelde, volgt de advocaat-generaal wat betreft de doodsoorzaak van [slachtoffer] (hierna ook te noemen: [slachtoffer] ) de conclusie van de rechtbank dat [slachtoffer] door geweld om het leven is gebracht. Uit de twee deskundigenrapporten van [deskundige 1] (hierna ook te noemen: [deskundige 1] ) van het NFI en [deskundige 2] (hierna ook te noemen: [deskundige 2] ) blijkt dat zij beiden tot de conclusie komen dat de doodsoorzaak is gelegen in het feit dat er uitwendig mechanisch geweld op de hals is geweest die tot verstikking heeft geleid, ofwel [slachtoffer] is gewurgd. [deskundige 2] concludeert in zijn rapport van 22 juli 2015 dat de vastgestelde feiten en omstandigheden ‘zeer sterk wijzen op reeds ingetreden dood ten tijde van het uitbreken/uitbreiden van de brand’. [deskundige 2] heeft met deze conclusies de conclusies van de patholoog-anatoom van het NFI bevestigd.

[deskundige 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als deskundige zijn bevindingen nader toegelicht en heeft verklaard dat het rapport van het NFI de basis kan zijn voor het bewijs over de doodsoorzaak, waarbij volgens [deskundige 2] ‘samendrukkend geweld op de hals’ de enige logische verklaring is voor de dood van [slachtoffer] .

De advocaat-generaal neemt voorts het oordeel van de rechtbank over dat de brand opzettelijk is aangestoken. Dit is ook een logische gevolgtrekking, gelet op de conclusie dat [slachtoffer] door verwurging om het leven is gebracht vóór de brand ontstond. Deskundige [deskundige 3] (hierna ook te noemen: [deskundige 3] ) heeft ter terechtzitting in hoger beroep de stellingen uit zijn rapport met betrekking tot brand(technisch)onderzoek, waaronder de stelling dat de sigaret in een ‘hypothetisch geval’ als bron van de brand kan worden genoemd, aangevuld met de vaststelling dat de brand in een smeulfase kan zijn overgegaan vanwege het gebrek aan voldoende brandbaar materiaal. “Op enig moment kan de brand getemperd zijn, dus niet de smeulfase, dat vind ik een verkeerde uitdrukking, maar getemperd zijn door gebrek aan brandbaar materiaal”. [deskundige 3] heeft bevestigd dat het zou kunnen, gelet op de door hem gedane constateringen, dat bijvoorbeeld het kussen op bed van [slachtoffer] met vuur is aangestoken, uitgebrand is en vervolgens op een lager niveau is doorgegaan in het matras of bed.

Die vaststellingen zijn van belang, in combinatie met de vaststelling dat het een kort durende brand is geweest en de verklaring van [deskundige 2] dat het lichaam van [slachtoffer] slechts korte tijd aan vuur is blootgesteld geweest, voor de uiteindelijke reconstructie van de gebeurtenissen, aldus de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal noemt vervolgens de chronologie het doorslaggevende element in de bewijsconstructie dat de verdachte de dader is van de dood van [slachtoffer] en de brandstichting, bestaande uit onder meer de reconstructie van het tijdstip waarop de brand moet zijn ontstaan en het tijdstip waarop de verdachte de woning verliet, gereconstrueerd aan de hand van onder meer de telefooncommunicatie. Op grond hiervan kan volgens de advocaat-generaal het onder 1 en 2 ten laste gelegde worden bewezen verklaard, met dien verstande dat er geen bewijs is voor de aanname dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, zodat hij van dat bestanddeel moet worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde, nu er geen direct bewijs is dat zijn cliënt willens en wetens opzettelijk te maken zou hebben met het overlijden van [slachtoffer] . Het is een overtuigingszaak, aldus de raadsman. Vast staat dat [slachtoffer] overleden was op het moment dat de brand uitbrak, maar de vraag is hoe ze is overleden. De raadsman heeft het alternatieve scenario geschetst dat zijn cliënt op uitnodiging van [slachtoffer] naar haar woning is gegaan, daar ruwe wurgseks met haar heeft gehad, waarbij hij haar in het kader van die seksuele handelingen te hard bij de keel heeft gepakt wat bij haar letsel heeft veroorzaakt, waarna [slachtoffer] moest hoesten en proesten, maar nog niet direct is overleden, dat ze vervolgens nog wat jointjes hebben gerookt, en dat hij toen is weggegaan omdat hij zich niet lekker voelde. De verdachte weet niet meer precies hoe het bij het afscheid is gegaan, hij heeft verklaard dat [slachtoffer] is meegelopen naar de deur, in een andere verklaring zegt hij dat [slachtoffer] op bed lag, dat ze iets op haar computer ging doen, dat hij haar een kus heeft gegeven en dat hij is weggegaan.

In ieder geval heeft [slachtoffer] iets aan haar hals opgelopen door de wurgseks, is (uiteindelijk) levend op bed gaan liggen, is gaan roken en is op enig moment overleden. Ook de groeihormonen, softdrugs, medicijnen en andere stoffen die [slachtoffer] slikte en in haar bloed zijn aangetroffen, kunnen daarbij, in combinatie met het letsel door de wurgseks, hartfalen hebben veroorzaakt ten gevolge waarvan zij is overleden. Na haar overlijden heeft haar brandende sigaret de brand veroorzaakt.

Voor dit scenario pleit ook de omstandigheid dat zijn cliënt, nadat hij bij [slachtoffer] is weggegaan, in de directe nabijheid van haar woning is blijven rondlopen, in de buurt van een bushalte op een snorder heeft gewacht en met de snorder nog een jointje heeft gerookt. Dit gedrag valt niet te rijmen met iemand die zojuist iemand anders om het leven heeft gebracht en een woning in brand heeft gestoken. Ook de omstandigheid dat zijn cliënt de telefoon van [slachtoffer] heeft meegenomen – omdat hij niet wilde dat [slachtoffer] en zijn ex-vriendin [naam 1] later contact zouden hebben – valt hiermee niet te rijmen. Dat geldt ook voor de deur van de woning van [slachtoffer] die van buitenaf was afgesloten. Het is de vraag waarom iemand de deur op slot doet, als de ander toch al is overleden, aldus de raadsman. De brand moet zijn ontstaan met een sigaret en niet met open vuur, want als de brand direct was aangestoken met open vuur, was die brand eerder waargenomen geweest dan nu het geval is, en dan had zijn cliënt hard de deur uit moeten rennen in plaats van rustig weg te lopen, zoals hij nu heeft gedaan.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat letseldatering, een methode die door [deskundige 2] is gebruikt in zijn rapporten met betrekking tot de doodsoorzaak, een methode is die nog in de kinderschoenen staat en in de wetenschap nog geen algemeen aanvaarde en betrouwbare methode is. [deskundige 2] heeft verklaard dat het letsel 30 tot 40 seconden, hooguit anderhalve minuut vóór het overlijden van [slachtoffer] is ontstaan. Maar letseldatering is geen zekere methode, dus langere tijd overleven is heel goed mogelijk, wat weer correspondeert met het alternatieve scenario, aldus de raadsman.

Volgens de raadsman gaat het om de beantwoording van de vraag of het kan zijn dat op het moment dat zijn cliënt de deur uitging, [slachtoffer] nog in leven was.

De beoordeling van het hof

Het hof gaat op grond van de stukken in het dossier en de voorhanden wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1. Melding en aantreffen stoffelijk overschot

Op 25 september 2013 om 06:52 uur wordt een 112-melding gedaan door getuige [getuige 2] . Zij hoort om 06:40 uur een brandalarm afgaan. Nadat een voorbijganger tegen haar heeft gezegd dat zij 112 moet bellen, ziet zij vanaf haar balkon boven haar slaapkamerraam iets flikkeren. Binnen zes minuten na de melding door [getuige 2] is de brandweer ter plaatse. Nadat de brandweer de brand in de woning aan de [adres 1] te Amsterdam heeft geblust, wordt op een bed in de slaapkamer van de woning het levenloze en deels verbrande lichaam van een vrouw aangetroffen. Dit blijkt later [slachtoffer] te zijn. Zij ligt met gesloten ogen en de tong gedeeltelijk naar buiten gestoken op haar rug dwars op het bed en draagt geen kleding.

2) Doodsoorzaak en letsel

2a) rapporten met betrekking tot doodsoorzaak

Het dossier bevat meerdere rapporten over de doodsoorzaak van [slachtoffer] .

Allereerst het pathologisch rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) van 20 december 2013, opgemaakt door [deskundige 1] , arts en patholoog, waarin wordt geconcludeerd dat het intreden van de dood goed kan worden verklaard op grond van verwikkelingen (verstikking) als gevolg van ingewerkt uitwendig mechanisch geweld op de hals. Dit kan ontstaan door verwurging, botsend geweld (slaan/schoppen) of een combinatie van beide. Bovendien concludeert de NFI deskundige [deskundige 1] dat [slachtoffer] ten tijde van de brand niet bij leven was.

De conclusies van het NFI vinden steun in het (tweede) rapport van dr. [deskundige 2] , arts en patholoog verbonden aan het Centrum voor Forensische Pathologie , (hierna weer: [deskundige 2] ) van 22 juli 2015. Hij noemt als het meest zorgelijk de overtuigende bloeduitstorting aan de binnenzijde van het strottenhoofd, net onder de stembanden. Als mogelijke oorzaken noemt [deskundige 2] epileptische aanvallen, stuwend hartfalen, krachtig intuberen tijdens reanimatie, maar ook botsend of samendrukkend geweld. [deskundige 2] heeft deze mogelijke oorzaken onderzocht en is tot de volgende bevindingen gekomen. Hij heeft geen aanwijzingen gevonden voor een epileptische aanval, noch voor stuwend hartfalen. Ook reanimatie kan geen mogelijke oorzaak zijn, omdat er gelet op de desastreuse situatie van aantreffen geen reanimatiehandelingen meer werden verricht. Derhalve zou een en ander verklaard kunnen worden door samendrukkend geweld op de hals. [deskundige 2] noemt met name het diepgelegen karakter van verschillende bloedcollecties nabij het strottenhoofd hiervoor terdege suggestief.

[deskundige 2] concludeert dat de overtuigende bloeduitstorting op deze locatie gegeven deze setting moeilijk anders is uit te leggen dan veroorzaakt door lokale geweldinwerking, waarbij de mogelijkheid van botsend geweld wordt overschaduwd door de mogelijkheid van samendrukkend geweld.

De opvallende afwezigheid van enig roet in de luchtwegen in combinatie met de lage koolmonoxide concentratie in het bloed wijzen zeer sterk op reeds ingetreden dood ten tijde van het uitbreken/uitbreiden van de brand.

In zijn (tweede) rapport is de vraag aan de orde gesteld of kan worden aangegeven of de letsels, te weten de verschillende bloeduitstortingen die zichtbaar zouden zijn geweest in de weke delen van de hals, bij leven zijn ontstaan of dat het hier ook een post mortaal fenomeen zou kunnen betreffen. De hypothese (hypothese 3) dat de letsels niet bij leven zijn opgelopen kan op grond van de letseldatering worden verworpen. De hypothese (hypothese 1) dat de letsels bij leven zijn opgelopen en reeds langer voor de dood, kan op grond van de letseldatering als dubieus worden betiteld.

De hypothese (hypothese 2) , inhoudende dat de letsels bij leven zijn opgelopen en kort voor de dood, kan op grond van de letseldatering als zondermeer mogelijk worden betiteld. Dergelijke bevindingen zijn aannemelijk om aan te treffen wanneer er geweldinwerking heeft plaatsgevonden dat kort voor het intreden van de dood is opgelopen. Te denken is aan een of enkele minuten.

Er waren bij de sectie geen tekenen dat [slachtoffer] ten tijde van het uitbreken/uitbreiden van de brand nog in leven was. Er waren geen aanwijzingen voor ziekelijke afwijkingen aan de hartspier of de hersenen die acuut overlijden op natuurlijke gronden plausibel zouden maken. Er waren met name geen aanwijzingen voor afwijkingen die bloedstuwend hartfalen aannemelijk zouden kunnen maken. Er waren geen aanwijzingen voor een toxicologische bijdrage aan het overlijden.

Er waren aanwijzingen voor geweldinwerking op de hals, waarbij het wondbeeld qua ouderdom veel waarschijnlijker is om op te treden wanneer dit bij leven en kort voor de dood zou zijn opgelopen dan wanneer dit na de dood zou zijn opgetreden.

[deskundige 2] heeft geconcludeerd dat de bevindingen er sterk op wijzen dat [slachtoffer] kort voor het intreden van de dood geweldinwerking op de hals heeft ondergaan en reeds overleden was ten tijde van het kort daarna uitbreken/uitbreiden van de brand.

Het hof verenigt zich met voormelde conclusies van het NFI en van [deskundige 2] en maakt die tot de hare. Hiertoe is het volgende redengevend.

2b) verklaring [deskundige 2] ter terechtzitting in hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2018 is [deskundige 2] als deskundige gehoord en heeft daar de in zijn rapporten genoemde conclusies en uiteengezette lijn gehandhaafd. De twee rapporten kunnen niet los van elkaar gezien worden. Het tweede rapport is op grond van volledige informatie opgemaakt en de kracht van dit rapport, dat erbij komt, dient niet onderschat te worden, aldus [deskundige 2] .. Bij het tweede rapport beschikte [deskundige 2] over fotomateriaal, letseldatering en betere beschrijvingen.

Het komt erop neer dat [slachtoffer] geen rare ziekelijke afwijkingen had, dat er aanwijzingen zijn dat er inderdaad mechanisch geweld op de hals is geweest, dat uit het letselbeeld blijkt dat de letsels kort voor de dood zijn opgetreden, dat [slachtoffer] ten tijde van het uitbreken van de brand niet meer in leven was ,en dat zij niet al te lang in die brand verbleven heeft. [deskundige 2] heeft verklaard dat deze lijn overeen komt met het pathologisch rapport van het NFI en dat dit rapport als basis kan worden genomen. De letseldatering wijst op een letselbeeld dat heel kort, ongeveer 30-40 seconden tot een of anderhalve minuut voor de dood is ontstaan, aldus [deskundige 2] .

2c) verweer raadsman: er was sprake van wurgseks

Voor de beoordeling van het door de raadsman geschetste scenario van wurgseks ten gevolge waarvan [slachtoffer] pas na enige tijd, nadat de verdachte haar woning al had verlaten, zou zijn komen te overlijden, is naar het oordeel van het hof allereerst van belang dat de verdachte in geen van zijn verhoren heeft gesproken over wurgseks dan wel hardhandige seks met [slachtoffer] . Integendeel, de verdachte heeft in diverse verhoren ontkend dat er hardhandige seks tussen hem en [slachtoffer] plaatsvond. Zo heeft hij tijdens zijn verhoor inbewaringstelling van 4 oktober 2013 verklaard: “Het is wel eens voorgekomen dat ik [slachtoffer] tijdens de seks in haar nek beet, maar dat was niet hard” (dossierp. PD 0068). En tijdens zijn verhoor bij de politie van 16 oktober 2013 heeft hij, geconfronteerd met de verklaring van [getuige 3] bij de politie op 7 oktober 2013 (dossierp. ZD 00147) dat de verdachte tijdens de seks met haar zijn hand op haar keel kneep en zij geen lucht meer kreeg, verklaard: “Ik deed dat niet met [slachtoffer]” (PD 0094-0095). Over de nacht van het incident heeft de verdachte voorts in diverse verklaringen, laatstelijk ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2018, erover gesproken dat het de bedoeling was die nacht seks met [slachtoffer] te hebben, maar dat hij niet lekker werd en is gaan slapen. De verdachte heeft daar verklaard: “Het klopt dat ik een tijd in de woning van [slachtoffer] ben geweest. Het was de bedoeling om seks te hebben, maar ik voelde me niet lekker. Ik had alcohol gedronken en wiet gerookt en ik voelde me niet helemaal jofel. Ik heb op de bank in haar woonkamer gelegen om bij te komen. [slachtoffer] was er een tijdje bij om mij te verzorgen. Later is zij in haar slaapkamer met haar laptop aan de gang gegaan”. Hij zou nadat hij niet lekker werd een uur tot anderhalf uur (verhoor bij politie 2 oktober 2013, dossierp. PD 0054, en verhoor inbewaringstelling 4 oktober 2013, dossierp. PD 0068) op de bank hebben liggen slapen. Hierna werd hij wakker en vroeg [slachtoffer] hoe het met hem ging. De verdachte heeft haar toen gezegd dat hij zich echt niet zo goed voelde, [slachtoffer] heeft hem een kus gegeven en de verdachte is toen weggegaan.

Het hof leidt uit vorenstaande verklaringen af dat de verdachte in de nacht van 25 september 2013 (nagenoeg) geen seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht, laat staan dat er sprake is geweest van wurgseks. Het verweer van de raadsman kan derhalve reeds op feitelijke gronden worden verworpen.

Het door de raadsman opgeworpen scenario wordt voorts weersproken door de verklaring van [deskundige 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2018. Gevraagd naar de mogelijkheid van wurgseks heeft [deskundige 2] aangegeven dat bij normale wurgseks er een omsnoering van het strottenhoofd is waarbij dit even wordt vastgehouden, maar dat in dit geval letsel, te weten kneuzingen en een bloeduitstorting in de nabijheid van het strottenhoofd, is aangetroffen én bij de stembanden én bij de hoorntjes én bij het tongbeen.

Op de vraag van de raadsman of het letsel het gevolg kan zijn van wurgseks antwoordt [deskundige 2] :
“ ja, met die kanttekening dat het (het hof begrijpt: de wurgseks) dan zeer kort voor de dood is gebeurd. Dat is het beeld dat eruit komt.”

Op de vraag van de raadsman of het mogelijk is dat [slachtoffer] na de gestelde wurgseks hoestend en proestend op bed is gaan liggen en vervolgens daar is gestikt, heeft [deskundige 2] geantwoord dat de letseldatering die tijdspanne ontkent, “het is een minuut of korter dan een minuut geweest”.

Deze door de raadsman opgeworpen andere tijdspanne is naar het oordeel van het hof eveneens in tegenspraak met de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] , nadat de verdachte na de poging tot seks een uur tot anderhalf uur had liggen slapen, nog in leven was, terwijl zij op grond van de bevindingen van de letseldatering dan al overleden had moeten zijn.

2d) verweer raadsman: letseldatering geen wetenschappelijke methode

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt. [deskundige 2] heeft in zijn rapport van 22 juli 2015 reeds gebruik gemaakt van de methode van letseldatering, waarbij hij deze als volgt beschrijft (p. 10): “Letseldatering is geen techniek die droge feiten aanlevert, het is een techniek die een bepaalde mate van waarschijnlijkheid toekent aan verschillende werkhypothesen”. [deskundige 2] heeft de verschillende hypothesen (hierboven genoemd onder 2a) in zijn rapport besproken.

De raadsman heeft ook van dit rapport kunnen kennisnemen en hij heeft vervolgens in zijn appelschriftuur van 7 januari 2016 verzocht een hypothesenpaar voor te leggen aan deskundige [deskundige 2] , te weten,

I) het letsel in de keel van het slachtoffer is ontstaan als gevolg van ruwe seks waarbij een bepaalde druk op de keel is uitgeoefend in verband met die seks, en

II) het letsel in de keel van het slachtoffer is ontstaan als gevolg van samendrukkend geweld op de keel zoals optreedt bij manuele verwurging.

Op de regiezitting van 19 april 2016 heeft het hof voormeld verzoek van de raadsman in die zin toegewezen dat het heeft beslist dat [deskundige 2] ter terechtzitting als deskundige zal worden gehoord.

[deskundige 2] heeft vervolgens op de terechtzitting van 4 juni 2018 als deskundige een verklaring afgelegd en heeft bij die gelegenheid onder meer verklaard dat (de methode van) letseldatering pas in 2017 helemaal definitief was, dat het een toename van inzichten is en dat er niet veel gaat veranderen aan de grote lijn die in zijn rapport zit. Voorts dat in 2015 letseldatering nog geen zekere methode was, maar dat in 2017 een update is verschenen waarbij letseldatering bewezen is. Ook heeft [deskundige 2] , zoals hierboven reeds vermeld, ter zitting verklaard dat heel kort, te weten ongeveer 30-40 seconden tot één of anderhalve minuut, vóór het intreden van de dood, sprake is geweest van mechanische geweldinwerking op de hals. Toen de raadsman [deskundige 2] vroeg of deze tijdspanne ook langer kan zijn geweest, bijvoorbeeld vijf minuten, heeft [deskundige 2] geantwoord: “Ik kan u geen absolutisme geven, ik moet het doen met het materiaal dat ik gekregen heb, het NFI-materiaal dat afgenomen is, en uit dat materiaal komt dit beeld naar voren. Ik heb alleen een bepaalde lijn erin zitten. Ik heb iemand die geen rare ziekelijke afwijkingen heeft waarbij ik haar in één keer dood kan krijgen, ik heb iemand waarbij ik aanwijzingen heb dat er inderdaad mechanisch geweld op de hals is geweest, ik heb een letselbeeld dat op een gegeven moment kort voor de dood is opgetreden, ik heb iemand die ten tijde van het uitbreken van de brand niet meer in leven was, en niet al te lang in die brand verbleven heeft, dat is de lijn die erin zit. En we kunnen een beetje naar links en een beetje naar rechts gaan, maar ik ga niet van die lijn afwijken, dit is de lijn die erin zit”. Op de vraag van de raadsman of zijn alternatieve scenario een mogelijkheid is, heeft [deskundige 2] verklaard dat hij geen enkele mogelijkheid kan uitsluiten, maar dat hij die mogelijkheid niet één van de meest waarschijnlijke acht.

Ter zitting in eerste aanleg hebben zowel de officier van justitie als de verdediging verklaard dat dr. [deskundige 2] in Nederland als een gerenommeerd deskundige op dit gebied heeft te gelden.

Gelet op de omstandigheid dat [deskundige 2] op verzoek van en met instemming van de raadsman als deskundige ter zitting van het hof is gehoord (na daar in de appelschriftuur van 7 januari 2016 om verzocht te hebben) en de raadsman op dat moment al wist dat [deskundige 2] gebruik maakte van de methode van letseldatering, is de raadsman aldus naar het oordeel van het hof voldoende in de gelegenheid geweest [deskundige 2] ter terechtzitting in hoger beroep te bevragen, niet alleen met betrekking tot het door hem, de raadsman, gestelde alternatieve scenario, maar eveneens met betrekking tot de door [deskundige 2] gehanteerde onderzoeksmethoden, waaronder letseldatering.

Gelet op het voorgaande en uitgaande van de door [deskundige 2] beschreven lijn die in de rapporten zit, met name het tweede rapport, hetgeen overeenkomt met de lijn van het rapport van [deskundige 1] van het NFI van 20 december 2013 en gelet op de omstandigheid dat [deskundige 2] heeft verklaard dat het NFI-rapport als basis kan worden genomen voor het bewijs met betrekking tot de doodsoorzaak, is het hof van oordeel dat de door [deskundige 2] gehanteerde onderzoeksmethode van letseldatering een voldoende betrouwbare methode moet worden geacht. Het door de raadsman (pas) bij pleidooi op 12 juni 2018 overgelegde stuk van Forensic Sciences Research, “Vitality and wound-age estimation in forensic pathology: review and future prospects”, van 29 maart 2018, betrekking hebbend op letseldatering, maakt dit niet anders.

Het hof verwerpt het verweer.

Het hof is op grond van al het voorgaande met betrekking tot de doodsoorzaak van oordeel dat het intreden van de dood van [slachtoffer] goed kan worden verklaard op grond van verwikkelingen (verstikking) als gevolg van ingewerkt uitwendig mechanisch geweld op de hals, dat [slachtoffer] deze geweldinwerking op de hals kort vóór het intreden van de dood heeft ondergaan en dat zij reeds overleden was ten tijde van het kort daarna uitbreken/uitbreiden van de brand.

3) Oorzaak van de brand: brandstichting of ongeluk

Het hof gaat er op grond van de conclusies van het NFI en van [deskundige 2] , dat [slachtoffer] de geweldinwerking op de hals kort voor het intreden van de dood heeft ondergaan en dat zij reeds overleden was ten tijde van het kort daarna uitbreken/uitbreiden van de brand, vanuit dat de brand in de woning van [slachtoffer] opzettelijk is aangestoken. Het hof acht het volgende daartoe redengevend.

Met betrekking tot (de oorzaak van) de brand bevinden zich in het dossier diverse rapporten.

Allereerst een onderzoeksnotitie van de brandweer van 25 september 2013, inhoudende dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de brand is gebracht (opzet).

Voorts heeft het hof acht geslagen op een rapport van het NFI, te weten een ‘Brandtechnisch onderzoek naar aanleiding van een brand in Amsterdam op 25 september 2013’ van 26 maart 2014, opgemaakt door ir. [naam 2] , waaruit blijkt dat de laptop, de laptopaccu en de adapter kunnen worden uitgesloten als oorzaak van de brand.

Vervolgens heeft [deskundige 3] (hierna verder weer: [deskundige 3] ) van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau op 14 juni 2017 een rapport ‘Brand(technisch)onderzoek’ uitgebracht. Hieruit volgt onder meer dat de brand beperkt is gebleven tot het bed waarop het slachtoffer lag, en dat de brand zich nog in de eerste (ontwikkel)fase bevond. De snelheid waarmee een brand zich in deze fase ontwikkelt wordt bepaald door I) de beschikbaarheid van voldoende […] zuurstof en II) de beschikbare vuurbelasting, te weten het totaal aan aanwezige, voor ontsteking vatbare materialen en objecten. [deskundige 3] heeft geoordeeld dat de brand niet is overgegaan in een smeulfase door een gebrek aan zuurstof. [deskundige 3] heeft een drietal hypothesen besproken, waarbij hij tot de conclusie komt dat zowel de hypothese dat de brand is ontstaan als gevolg van een brandende sigaret in/of op het bed (zonder gebruik van brandversnellende middelen), als de hypothese dat de brand is aangestoken met een open vuur, zoals een aansteker (zonder gebruik van brandversnellende middelen), beide niet mogen worden verworpen. Over de sigaret als mogelijke oorzaak van de brand staat in het rapport: “In het hypothetische geval dat de ontstekingsbron een sigaret zou betreffen, dan moet dit eerst leiden tot opwarming van voor ontsteking vatbare materialen. Alleen voldoende warmte(ophoping) kan leiden tot een smeulproces. Onder bepaalde omstandigheden: voldoende vuurbelasting in de vorm van brandbaar materiaal en voldoende zuurstof, kan dit proces overgaan in een zichzelf onderhoudende, vlammende brand. Uit het rapport van [naam 2] blijkt dat het beddengoed waarmee het onderlichaam van het slachtoffer was bedekt, goed brandbaar was”.

Ten aanzien van de hypothese dat de brand is aangestoken met open vuur, zegt het rapport dat het aannemelijk is dat vrijwel onmiddellijk een zichzelf onderhoudende, vlammende brand ontstaat.

3a) hypothese dat de brand is ontstaan door een sigaret

Ten aanzien van de volgens voormeld rapport hypothetische mogelijkheid dat de brand is ontstaan door een brandende sigaret heeft [deskundige 3] als deskundige ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2018 onder meer het volgende verklaard: “Een sigaret op zichzelf weggelegd op een horizontaal vlak, daar zal het brandgevaar minder zijn dan een sigaret weggelegd in beddengoed dat opgehoopt ligt. We krijgen een brandgevaarlijke situatie op het moment dat er warmteophoping kan ontstaan, en dat ontstaat minder snel bij een sigaret die ligt op een horizontaal matras, want dan kan die sigaret de warmte kwijt, eerder dan dat die sigaret per ongeluk in een samengevouwen of opgehoopt beddengoed komt. Dat laatste is qua gevaarzetting groter, omdat er dan warmteophoping kan ontstaan, waarbij de warmte niet kan worden afgegeven aan de omgeving, en dat materiaal dus sneller tot een smeulfase kan overgaan. En uiteindelijk kan dat onder bepaalde omstandigheden overgaan tot een brand”.

Uit het dossier is gebleken dat het onderlichaam van [slachtoffer] met beddengoed was bedekt, niet is echter gebleken dat op het bed sprake was van opgehoopt beddengoed. Hoewel de mogelijkheid van een sigaret als oorzaak van de brand door [deskundige 3] dus niet wordt uitgesloten, acht het hof op grond van de uiterlijke verschijningsvorm de kans dat degene die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht vervolgens per ongeluk een brandende sigaret heeft achtergelaten in de slaapkamer, en dat deze sigaret toen is gaan smeulen en een brand heeft veroorzaakt, zo verwaarloosbaar klein dat deze kans moet worden verworpen.

3b) hypothese dat de brand met open vuur is aangestoken

Volgens [deskundige 3] is deze hypothese goed verenigbaar met de tijdspanne tussen het moment dat de brand werd ontdekt – omstreeks 06.40 uur door getuige [getuige 2] – en het moment dat de brandweer arriveerde, 06.58 uur. [deskundige 3] heeft verklaard dat hij geen elementen heeft teruggezien die erop wijzen dat er eerst een brand is ontstaan, die door gebrek aan zuurstof in een smeulfase is overgegaan. Wel is het zo dat de brand op enig moment getemperd kan zijn door gebrek aan brandbaar materiaal. Weliswaar was er, aldus [deskundige 3] , voldoende brandbaar materiaal in de kamer aanwezig, maar er kan sprake zijn geweest van branduitbreiding, aldus [deskundige 3] . Dit houdt in dat brandbare middelen kunnen opbranden en gaan smeulen, waardoor weer andere stoffen worden aangestoken. Die tijd heeft zo’n brandontwikkeling dan toch nodig en is nog steeds verenigbaar binnen de tijdstippen zoals vermeld in het dossier. Het zou dus kunnen, aldus [deskundige 3] , dat bijvoorbeeld het kussen in brand is gestoken, uitbrandt, en dan op een lager niveau doorgaat in het matras of in het bed.

De verklaring van [deskundige 3] dat het een brand was die kan ontstaan en verlopen in beddengoed en dat de brand zich in de beginfase heeft bevonden op het moment dat hij geblust werd, waarbij er een korte tijd een zichzelf onderhoudende vlammende brand moet zijn geweest, sluit aan bij de verklaring van [deskundige 2] ter terechtzitting in hoger beroep, dat [slachtoffer] niet al te lang in die brand verbleven heeft.

Het hof is op grond van vorenstaande van oordeel dat de brand opzettelijk is aangestoken met open vuur, zoals een aansteker, en dat dit in de gegeven omstandigheden niet anders kan worden gezien dan als gedaan met de bedoeling om sporen uit te wissen.

4) Was verdachte de dader?

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2018 verklaard dat hij, toen bij op 25 september 2013 bij [slachtoffer] was, een aansteker bij zich had. Het hof zal thans ingaan op de vraag of hij ook degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht en de brand heeft aangestoken. Voor de beantwoording van die vraag zal het hof kijken naar de chronologie van de gebeurtenissen.

4a) De brand

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij om 06.40 uur een brandalarm hoorde afgaan en dat zij vanaf haar balkon iets zag flikkeren boven haar slaapkamerraam. Op dat moment woedde de brand dus al hevig.

In het rapport ‘Brandtechnisch onderzoek naar aanleiding van een brand in Amsterdam op 25 september 2013’ van 26 maart 2014, wordt naar aanleiding van de vraag, hoe lang de brand in de woning minimaal en maximaal kan hebben geduurd, de conclusie getrokken dat wanneer de brand is ontstoken met een open vuur, van bijvoorbeeld een aansteker, de minimum tijdsduur om het brandbeeld te verkrijgen zoals op de plaats delict is aangetroffen, minimaal circa 10 minuten zal bedragen. Volgens dit rapport kan de maximale brandduur, doordat de slaapkamer afgesloten is geweest en er weinig toevoer van verse lucht was, erg lang zijn, te weten meer dan een uur.

De brandweer was om 06.58 uur ter plaatse en is toen begonnen met blussen. Het brandbeeld dat op de plaats delict is aangetroffen, zoals in het rapport vermeld, is derhalve omstreeks dat tijdstip geconstateerd.

Nu het hof heeft geconcludeerd dat de brand is aangestoken met open vuur, gaat het hof er op grond van het voorgaande vanuit dat de brand is ontstaan tussen ongeveer 5.58 uur en 6.30 uur.

Degene die de brand heeft aangestoken moet derhalve ook in die tijdspanne de woning van [slachtoffer] hebben verlaten.

4b) vertrek van de verdachte uit de woning van [slachtoffer]

Uit een proces-verbaal van bevindingen van 13 december 2013 (dossierp. ZD 00810-00813) blijkt dat de telefoon van [slachtoffer] met telefoonnummer [telefoonnummer 3] in de bewuste nacht van 25 september 2013 tussen 02:45 uur en 06:12 uur, de zendmasten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] te Amsterdam aanstraalde. Dit zijn zendmasten in de nabijheid van de woning van [slachtoffer] . Uit voornoemd proces-verbaal blijkt voorts dat haar telefoon die ochtend om 07:08 uur en om 07:22 uur de zendmast [adres 7] in Amsterdam Zuidoost aanstraalde. De verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon van [slachtoffer] bij zijn vertrek uit haar woning op 25 september 2013 heeft meegenomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de rit van Amsterdam-West, waar de woning van [slachtoffer] zich bevindt, naar Amsterdam Zuidoost, via de ringweg A10West, ongeveer 15 tot 20 minuten duurt. Uit voorgaande volgt derhalve dat de verdachte tussen 06:12 uur en 06:45 uur nog in de omgeving van de woning van [slachtoffer] in Amsterdam-West moet zijn geweest.

De verdachte heeft verklaard de betreffende ochtend te zijn opgehaald door een snorder, [getuige 1] . Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [getuige 1] gebruik maakte van een telefoon met nummer [telefoonnummer 2] en dat dit nummer op de ochtend van 25 september 2013 tussen 06:36 uur en 06:46 uur zeer veel sms’jes binnenkreeg, en dat dit nummer toen de zendmast [adres 5] aanstraalde. Dit is een zendmast in de nabijheid van de woning van [slachtoffer] . Vervolgens straalde dit nummer blijkens dit proces-verbaal om 06:46 uur de zendmast [adres 9] aan, tussen 06:47:38 uur en 06:48:46 uur de zendmast [adres 6] , en tussen 06:49 uur en 06:57 uur diverse zendmasten die allen zijn gelegen aan de west- en zuidkant van de Ringweg A10 te Amsterdam.

Het hof heeft met betrekking tot de telecommunicatie ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2018 [deskundige 4] als deskundige gehoord. Hij heeft onder meer de locaties van de zendmasten, die zijn aangestraald door de telefoon van [getuige 1] en die zijn aangestraald door de telefoon van [slachtoffer] , zoals hierboven vermeld, bevestigd. Hij heeft voorts verklaard dat de afstand tussen de masten tussen de 150 en 200 meter ligt en dat de 6 masten die door de telefoon van [getuige 1] zijn aangestraald dicht op elkaar staan. Volgens [deskundige 4] zegt de omstandigheid dat de telefoon van de snorder om de minuut een verschillende zendmast aanstraalt, iets over de route (het hof begrijpt: die [getuige 1] heeft gereden). Op de vraag of het logisch is dat als je om 06:36 uur al op de Ringweg A10 bent, de telefoon de zendmast [adres 5] aanstraalt, heeft [deskundige 4] verklaard dat dit kan, maar dat dit niet verklaart dat tussen 06:46 en 06:48 nog steeds die eerdere palen aangestraald worden op [adres 9] en [adres 6] . [deskundige 4] : “Eenmalig zou de zendmast [adres 5] namelijk aangestraald kunnen worden, maar het is wel vreemd dat hij dan in die tijd ook nog die andere palen aanstraalt. Op basis van wat ik hier zie, deze omstandigheden, is het niet logisch dat dat zou gebeuren, dus als je op de Ringweg A10 bent, dat dan de paal [adres 5] wordt aangestraald. Het is niet onmogelijk, maar het is niet logisch”.

Het hof is gelet op voorgaande feiten en omstandigheden van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de verdachte met [getuige 1] vanaf 06:36 de route heeft gereden van voornoemde zendmasten en dat hij derhalve om 06:36 nog in de nabijheid van de woning van [slachtoffer] was.

De verdachte heeft in zijn verhoor van 3 oktober 2013 verklaard dat toen hij de woning van [slachtoffer] verliet, er een lichte schemering was. Voorts heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2018 verklaard dat het buiten een beetje licht begon te worden toen hij wegging uit de woning van [slachtoffer] , dat hij met [getuige 1] had afgesproken dat deze hem weer zou ophalen, dat hij vanaf de woning van [slachtoffer] aan de [adres 1] 50 meter rechtdoor is gelopen tot de [adres 8] (het hof begrijpt uit de context: te Amsterdam), dat daar een bushalte is waar [getuige 1] en hij elkaar zouden ontmoeten, dat hij daar ongeveer 10 minuten op hem heeft gewacht, dat hij vervolgens bij [getuige 1] in de auto is gestapt, dat ze snel een paar trekjes hebben genomen van een joint en dat ze toen, maximaal enkele minuten later, zijn vertrokken.

Gelet op deze verklaring en op de omstandigheid dat de telefoon van [getuige 1] tussen 06:36 en 06:46 uur de Zendmast [adres 5] aanstraalde en vervolgens is gaan bewegen, gaat het hof ervan uit dat de verdachte tussen omstreeks 06:15 uur en 06:30 uur de woning van [slachtoffer] heeft verlaten. Deze conclusie vindt voorts nog steun in het volgende.

Uit een proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2013 (dossierpp. ZD 00120-00123) blijkt dat op 25 september 2013 de zon op kwam om 07:31 uur, dat de schemering in de periode augustus/september tussen de 41 en 35 minuten voorafgaand aan de zonsopgang duurt en dat de schemering in de periode oktober 33 minuten voorafgaand aan de zonsopgang duurt. Dit zou inhouden dat de schemering op 25 september 2013 is aangevangen tussen 35 dan wel 33 minuten vóór 07:31 uur, zijnde tussen 06:56 en 06:54 uur (het hof begrijpt uit voorgaande berekening: tussen 06:56 en 06:58 uur). Het hof heeft op grond van openbare bronnen vastgesteld dat voormelde tijdsaanduidingen de burgerlijke schemering betreffen. Vanaf de nautische schemering kan visueel iets worden waargenomen en die begon die dag om 06:17 uur.

Voorts heeft [getuige 1] , als getuige gehoord door de raadsheer-commissaris op 26 september 2016, verklaard dat toen hij de verdachte ophaalde, het wat drukker op straat werd en dat hij mensen naar de bushalte zag lopen. Uit een proces-verbaal bevindingen van 24 mei 2018 door verbalisant Uiterwijk blijkt dat vanaf 06.15 uur bussen over de [adres 8] hebben gereden.

Conclusie

Het hof is op grond van al het voorgaande, en met name gelet op de beperkte tijdspanne waarin de verdachte de woning moet hebben verlaten – te weten op zijn vroegst om 06.15 uur, maar mogelijk ook omstreeks 06:30 uur – en het moment waarop de brand werd ontdekt op 25 september 2013 omstreeks 06:40 uur, van oordeel dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] op 25 september 2013 van het leven heeft beroofd en de brand in haar woning op 25 september 2013 heeft aangestoken.

Voor zover de raadsman nog heeft bedoeld het scenario op te werpen, zoals hij in eerste aanleg heeft gedaan, dat het ook denkbaar is dat, nadat de verdachte was vertrokken uit de woning van [slachtoffer] , iemand anders in de woning van [slachtoffer] naar binnen is gegaan die zij kende, zoals bijvoorbeeld Bulgaarse pooiers met wie zij contact had, en dat zij degenen zijn geweest die haar hebben gedood en de brand hebben aangestoken, overweegt het hof dat dit scenario geen enkele steun vindt in het dossier. Het hof acht dit scenario dermate onwaarschijnlijk dat dit niet noopt tot uitdrukkelijke weerlegging.

Vrijspraak moord

Ten aanzien van de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en zich schuldig heeft gemaakt aan moord, overweegt het hof dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “met voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Met de advocaat-generaal en de raadsman en evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat het hof de verdachte van dit bestanddeel zal vrijspreken.

Vraag is nog: had de verdachte een motief om [slachtoffer] van het leven te beroven?

Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.

Volgens politieambtenaar [naam 3] , werkzaam op politiebureau Burgwallen - zijn taakaccent is prostitutie - zou [slachtoffer] bekend zijn binnen de prostitutie en zou zij op 19 september (het hof begrijpt: 2013) een melding of aangifte hebben gedaan van mishandeling/verkrachting door de verdachte en er zou haar 5000 euro afhandig zijn gemaakt door de verdachte.

Op 26 september 2013 zou [slachtoffer] bij de politie (afdeling Zedenpolitie van de eenheid Amsterdam) aangifte doen van de verkrachtingen door de verdachte. (proces-verbaal van relaas deel I, p. 2 onderaan; ZD 00009 e.v.)).

Het hof zier hierin een motief voor de verdachte om het tenlastegelegde onder 1 en 2 te plegen.

Zeker nu de verdachte professioneel MMA vechter is en een aangifte en eventuele gevolgen daarvan voor hem nadelig zouden kunnen werken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 25 september 2013 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met kracht uitwendig mechanisch drukkend geweld en botsend geweld op de hals en in de weke delen rondom de hoorntjes van het strottenhoofd en bij het schildkraakbeen en op de onderrand van het tongbeen en rondom de stembanden en op de luchtpijp en op de onderrand van het schildkraakbeen uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2:
hij op 25 september 2013 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, gelegen aan de [adres 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een bed en een laptop in die woning en het stoffelijk overschot van K.D. [slachtoffer] gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen en voor de aangrenzende en onderliggende en bovenliggende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de aangrenzende en onderliggende en bovenliggende woningen aanwezige personen te duchten was.

3:
hij op 25 september 2013 te Amsterdam uit een woning, gelegen aan de [adres 1] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer] .


4:
hij in de periode van 1 september 2013 tot en met 19 september 2013 te Amsterdam, uit een woning gelegen aan de [adres 1] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 5000 euro, toebehorende aan [slachtoffer] .

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna te noemen bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ben op 25 september 2013 naar de woning van [slachtoffer] toegegaan, ik noem haar [slachtoffer] . Ik ben daar naartoe gegaan met een snorder genaamd [getuige 1] . Ik ben later weer door hem opgehaald en ben met hem weggereden.

Vroeg in de nacht op woensdag 25 september, rond 1.31 uur, heb ik een sms-bericht van [slachtoffer] gekregen, waarin ze vroeg of ik bij haar langs wou komen. Ik ben na niet al te lange tijd naar haar toegegaan. Aniel heeft mij afgezet.

Het klopt dat ik een tijd in de woning van [slachtoffer] ben geweest. Het was de bedoeling om seks te hebben, maar ik voelde me niet lekker. Ik had alcohol gedronken en wiet gerookt en ik voelde me niet helemaal jofel. Ik heb op de bank in haar woonkamer gelegen om bij te komen. [slachtoffer] was er een tijdje bij om mij te verzorgen. Later is zij in haar slaapkamer met haar laptop aan de gang gegaan.

Het begon een beetje licht te worden toen ik wegging. Ik heb het woord schemering gebruikt. Er begon wat licht te komen. Er begon zon te komen, een klein beetje. Toen ik die dag op straat liep, was er een beetje zonlicht toen ik door de [adres 1] liep.

Ik had afgesproken dat ik weer opgehaald zou worden door [getuige 1]. Ik heb vanaf de woning van [slachtoffer] aan de [adres 1] alsmaar rechtdoor gelopen tot de [adres 8] . Het klopt dat daar ook een bushalte is en dat de snorder en ik elkaar daar zouden ontmoeten. Ik heb vervolgens gewoon een beetje rondom de [adres 8] gelopen, heen en weer. Daar kwam de snorder op een gegeven moment voorbij. Ik heb daar ongeveer 10 minuten op hem gewacht. Ik had een soort afspraak met hem. [getuige 1] kwam daar voorbij gereden. Op het moment dat hij mij oppikte stond hij stil om mij in de auto te laten, vervolgens hebben we snel een paar trekjes genomen van een joint en toen zijn we vertrokken. Dat heeft maximaal een paar minuten geduurd, hooguit.

Ik heb de telefoon van [slachtoffer] onrechtmatig meegenomen. Ik heb de telefoon van [slachtoffer] die ik had meegenomen uit het raam van de taxi gegooid.

Ik kan mijn verantwoordelijkheid nemen voor het geld dat ik heb afgepakt. Het enige waarvan ik wist was die 5000 euro. Ik wist dat zij daarvan aangifte had gedaan.

Ook voor het meenemen van haar telefoon neem ik mijn verantwoordelijkheid.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Ik had een aansteker bij mij toen ik op 25 september 2013 bij [slachtoffer] was.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2013236440 van 3 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pp. PD 0037-0048).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Toen ik de woning van [slachtoffer] verliet was er een lichte schemering.

4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 december 2015.

Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ben op 25 september naar de woning van [slachtoffer] toegegaan. De voorzitter vraagt mij of ik iets heb genomen uit de woning van [slachtoffer] . Ik heb haar telefoon meegenomen, een iPhone. De voorzitter vraagt mij of ik op een eerder moment geld van [slachtoffer] uit haar woning heb meegenomen. Ik heb € 5.000,- meegenomen.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1309 2013231652-2 van 25 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde pp. ZD 00009-00011).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 19 september 2013 te 17.45 uur bevond ik, verbalisant [verbalisant 3], mij in uniform gekleed en met bureaudienst belast in het bureau Beursstraat te Amsterdam. Alhier verscheen aan de balie een vrouw welke ik, verbalisant [verbalisant 3], ambtshalve herkende als een vrouw die werkzaam is als prostituee op de Wallen. De vrouw gaf op te zijn genaamd: [slachtoffer] .

Wij, verbalisanten, hoorden [slachtoffer] onder andere het volgende in de Engelse taal, welke wij en [slachtoffer] machtig zijn, verklaren:

“Ik wil graag aangifte doen van diefstal. Er is 5000 euro van mij gestolen door [verdachte] . Hij heeft 5000 euro van mij gestolen. Ik had dat geld bewaard in het plafond van mijn woning.’

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL134N 2013236440-3 van 25 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (doorgenummerde pp. ZD 00001-00002).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op woensdag 25 september 2013 omstreeks 06.52 uur bevonden wij, verbalisanten, ons in uniform gekleed en met de assistentiedienst belast in politiebureau Bos en Lommer aan de [adres 10]. Aldaar kregen wij via het Regionaal Inzet Centrum Amsterdam de melding te gaan naar de [adres 1] te Amsterdam alwaar een brand in een woning zou zijn. Wij, verbalisanten, spoedden ons ter plaatse alwaar wij omstreeks 06.55 uur arriveerden. Ik, verbalisant [verbalisant 6], ben direct de bewoners van de percelen [nummer 1] gaan evacueren uit hun woning. Ik, verbalisant [verbalisant 5], heb de bewoners van de percelen [nummer 2] geëvacueerd. De brand zou zich bevinden op de 3e etage, zijnde perceel [nummer 3].

Ik, verbalisant [verbalisant 5], zag dat de brandweer inmiddels ook al het trapportaal in kwam en zich spoedde naar perceel [nummer 3]. Ik heb aan de brandweer overgelaten om de bewoners van de percelen F, G en H te alarmeren. Dit zijn de woningen gelegen naast en boven de woning waar de brand zich bevond. Ik, verbalisant [verbalisant 5], zag dat de brandweer uit perceel [nummer 4] een vrouw haalde die zich half aangekleed van de trap begaf.

Inmiddels hebben wij, verbalisanten, gezorgd dat de straat werd afgezet voor publiek en pers. De brandweer was inmiddels bezig met het openbreken van de voordeur van perceel [nummer 3]. De voordeur was na enkele klappen direct open met een deurbonk. Echter de daaropvolgende deur werd na een keer of 30 met de deurbonk te hebben geslagen, geopend. Hierna kwam er ook een enorme rookontwikkeling op gang.

Inmiddels waren er een stuk of 8 bewoners van de percelen die buiten hun woning op straat stonden. Sommigen op blote voeten en anderen zonder jas of trui.

Vrij kort nadat de brandweer de brand had geblust werd het sein brand meester gegeven. Dit was omstreeks 07.45 uur. Van de officier van dienst kreeg ik, verbalisant, te horen dat er een brand had gewoed in de slaapkamer. De brand had zich beperkt tot het bed. Het bed heeft wel behoorlijk in brand gestaan. Bij deze brand is er een vrouw op het bed aangetroffen. Het slachtoffer was inmiddels overleden en zwaar verbrand.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2013236440 van 18 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] (doorgenummerde pp. ZD 00675-00678).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [getuige 2]:

V: Wat kun jij vertellen over de woningbrand op 25 september 2013?

A: Ik werd wakker om tien minuten over half zeven. Ik hoorde een brandalarm afgaan en maakte nog tegen mijn zoontje een grapje, zo van “straks moeten we naar buiten”. Ik ging toen naar het balkon. Er liep beneden aan de balkonzijde/achterzijde een man met een hond die tegen mij zei dat ik 112 moest bellen. Er stond ook nog een vrouw bij die man met het hondje. Ik keek omhoog en ik zag pal boven mijn slaapkamerraam iets flikkeren. Ik ben vervolgens naar binnen gegaan. Ik heb toen onmiddellijk 112 gebeld. Ik weet dat het 06.52 uur was, ik keek namelijk op mijn telefoon nadat ik gebeld had.

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL134C 2013236440-4 van 26 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 10] (doorgenummerde pp. ZD 00003-00008).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op woensdag 25 September 2013 omstreeks 7.15 uur kregen wij, verbalisanten, de melding van de chef van dienst 50.07 [verbalisant 11] dat er op de [adres 1] een brand in de woning zou zijn geweest waarbij iemand was overleden.

Om 7.50 uur kwamen wij ter plaatse. Het exacte huisnummer van de woning zou [nummer 3] betreffen.

Collega [verbalisant 5] van de AD 57.01 overhandigde mij, verbalisant [verbalisant 10], een Bulgaarse identiteitskaart welke uit de woning kwam. Deze kwam uit een damestas die stond in een slaapkamer in de woning. De naam op de identiteitskaart was: [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats 2].

Politieambtenaar [verbalisant 12] heeft een onderzoek ingesteld naar deze registratie. Ze is hierbij in contact gekomen met politieambtenaar [naam 3] , werkzaam op politiebureau Burgwallen. Zijn taakaccent is prostitutie en hij vertelde dat [slachtoffer] bekend zou zijn binnen de prostitutie. Tevens zou zij op 19 september (het hof begrijpt: 2013) een melding of aangifte hebben gedaan van mishandeling/verkrachting en er zou haar 5000 euro afhandig zijn gemaakt. Zij zou meerdere tatoeages op haar lichaam hebben waar foto’s van zijn gemaakt tijdens prostitutiecontroles die naar ons zijn verzonden in verband met mogelijke identificatie. De tatoeages betreffen afbeeldingen van een elfje op het rechterbovenbeen, een roos op het rechterschouderblad en een aantal lettertekens links op de buik. [slachtoffer] droeg tevens een navelpiercing. De afbeeldingen zullen worden bijgevoegd.

Het lichaam is door FO gefotografeerd en onderzocht. Op het lichaam was op de rechterschouder deels een afbeelding van een roos te zien. Op het rechterbovenbeen van het lichaam was een gekleurde afbeelding te zien die grote gelijkenis vertoont met de ons toegezonden afbeelding van de elf. Op een foto van FO was een letterteken op de linkerzijde van de buik te zien die eveneens grote gelijkenis vertoonde met de ons toegezonden afbeeldingen van de lettertekens. In de navel van het lichaam was een piercing te zien.

De identificatie van het stoffelijk overschot heeft plaatsgevonden aan de hand van de aangetroffen tatoeages, de aangetroffen piercing en de lengte van het slachtoffer in combinatie met de lengte weergegeven op het Bulgaarse identiteitsbewijs.

9. Een geschrift, te weten een ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 20 december 2013, zaaknummer 2013.09.25.136, door [deskundige 1] , arts en patholoog, naar waarheid, volledig en naar beste inzicht opgesteld als NFI-deskundige forensische pathologie (doorgenummerde pp. ZD 00923-00936).

Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Conclusie

Bij sectie op het lichaam van (vermoedelijk) [slachtoffer] , oud 22 jaren, kan het intreden van de dood goed worden verklaard op grond van verwikkelingen (verstikking) als gevolg van ingewerkt uitwendig mechanisch geweld op de hals.

Er is bij sectie en aanvullend lichtmicroscopisch- en alcohol- en toxicologisch onderzoek geen andere doodsoorzaak gebleken. Er zijn bij toxicologisch onderzoek cannabinoïden aangetoond in het lichaamsmateriaal. Er kan volgens de toxicoloog geen uitspraak worden gedaan over al dan niet recent gebruik of over de mogelijke effecten van cannabis ten tijde van het overlijden.

Gezien de bevindingen, namelijk de lage koolmonoxide (CO)-concentratie en afwezigheid van roet, roodheid, zwelling van de luchtpijp(takken), was [slachtoffer] ten tijde van de brand niet bij leven.

Inwendige schouwing

In de diepe weke delen van de hals werden bloeduitstortingen gezien: er waren bloeduitstortingen in de weke delen rondom de hoorntjes van het strottenhoofd beiderzijds (cornu superius beiderzijds). Er was bloeduitstorting aan de rand van het schildkraakbeen, lamina thyroidea, bovenrand van de cornu superius links. Er was bloeduitstorting aan de onderrand van het tongbeen (hyoïd links en rechts). Er waren bloeduitstortingen rondom de stembanden in het eerste deel van de luchtpijp. Er was bloeduitstorting in de onderrand van het schildkraakbeen rechts overgang cricoïd met ter plekke in het schildkraakbeen rechts een breuk met bloeduitstorting in het bot.

10. Een geschrift, zijnde een rapport, te weten een revisie van het sectierapport met betrekking tot de doodsoorzaak van [slachtoffer] , van het Centrum voor Forensische Pathologie B.V. van 22 juli 2015, door dr. [deskundige 2] , arts en patholoog.

Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Conclusie:

Bij [slachtoffer] , oud 22 jaren, wijzen de bevindingen er sterk op dat het slachtoffer kort voor het intreden van de dood geweldinwerking op de hals heeft ondergaan en reeds overleden was ten tijde van het kort daarna uitbreken/uitbreiden van de brand. Geweld op de hals kan bij aanhouden het intreden van de dood binnen een of enkele minuten veroorzaken op basis van bloedstuwing van de hersenen, bloedtoevoer-belemmering naar de hersenen, zuurstofgebrek door ademwegobstructie of combinaties daarvan. Er waren geen aanwijzingen voor ziekelijke afwijkingen die acuut onwel worden of acuut overlijden als reële optie plausibel zouden kunnen maken.

11. De verklaring van de deskundige [deskundige 2] , arts en patholoog, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Het letselbeeld dat ik zie op grond van het tweede rapport (het hof begrijpt: het rapport van [deskundige 2] van 22 juli 2015) is flink, en de datering wijst eigenlijk op iets dat niet al te lang voor de dood is gebeurd. Dit beeld verwacht je ongeveer 30 tot 40 seconden voor de dood, zeg maar een minuut of anderhalve minuut. Heel kort dus.

Dit is een bedbrand, dat is een kunststof brand, en kunststofbranden zijn heet. Dat gaat heel snel. Het kan misschien wel lang gebrand hebben daar, maar het lichaam is pas kort aan de hitte blootgesteld. In mijn visie zien we hier een licht beschadigd lichaam, een licht thermisch beschadigd lichaam. Dit heeft er hooguit een minuut of wat in gelegen.

Ik heb een verbrand slachtoffer in de klassieke daartoe bestemde houding, de bokserhouding, met aan één kant van het lichaam beginnende verkoling. Als ik een lichaam enkele minuten in een brandtemperatuur van 800 graden houd, en dat is hier ook zonder meer het geval geweest, heb ik beginnende verkoling, dat past er zonder meer bij. Dus het beeld past ook bij iets dat kort daarvoor is begonnen. Maar het heeft er niet echt lang in gelegen. Dit lichaam is niet lang aan vuur blootgesteld. Dat zeg ik op basis van de beschadiging.

Ongeveer een minuut voor het intreden van de dood is er wat gebeurd op die hals.

Kort voor het intreden van de dood is er sprake geweest van mechanische geweldinwerking op de hals.

We hebben kneuzingen en een bloeduitstorting in de nabijheid van het strottenhoofd, dus er is daar diep samendrukkend geweld geweest

Deze mevrouw was ten tijde van het uitbreken van de brand niet meer in leven.

Ik heb een bepaalde lijn erin zitten. Ik heb iemand die geen rare ziekelijke afwijkingen heeft waarbij ik haar in één keer dood kan krijgen, ik heb iemand waarbij ik aanwijzingen heb dat er inderdaad mechanisch geweld op de hals is geweest, ik heb een letselbeeld dat op een gegeven moment kort voor de dood is opgetreden, ik heb iemand die ten tijde van het uitbreken van de brand niet meer in leven was, en niet al te lang in die brand verbleven heeft, dat is de lijn die erin zit. Ik ga niet van die lijn afwijken, dit is de lijn die erin zit.

Mijn tweede rapport verschilt niet zo veel van het rapport van het NFI. Ik vind het prima. Het is dezelfde lijn.

12. Een geschrift, zijnde een onderzoeksnotitie van de brandweer (doorgenummerde pp. ZD 00325-ZD 00327) van 25 september 2013.

Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Straatnaam en huisnummer : [adres 1]

Plaats : Amsterdam

Tijd ter plaatse brandweer : 25-09-2013 06:58:29

Start- en einddatum onderzoek : 25-9-2013

Conclusie : Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is de

brand gebracht (opzet)

13. Een geschrift, te weten een ‘Brandtechnisch onderzoek naar aanleiding van een brand in Amsterdam op 25 september 2013’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 26 maart 2014, zaaknummer 2013.09.25.136, door ir. [naam 2] , naar waarheid, volledig en naar beste inzicht opgesteld als NFI-deskundige brandtechnisch, technisch en materiaalkundig onderzoek.

Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Gezien de verbranding van het bed, waarbij de intensiteit naar het voeteneinde afneemt, kan worden gesteld dat de brand ergens ter hoogte van het slachtoffer is begonnen.

Conclusie

2. Hoe lang kan de brand in de woning minimaal en maximaal hebben geduurd?

Ik schat in dat de minimale tijdsduur om het brandbeeld te verkrijgen zoals op de plaats delict is aangetroffen, minimaal 5 minuten zal bedragen, wanneer bij ontsteking gebruik is gemaakt van een brandversnellend middel.

Wanneer de brand is ontstoken met een open vuur, van bijvoorbeeld een aansteker, zal de minimum tijdsduur iets langer zijn, circa 10 minuten.

De maximale brandduur kan, doordat de slaapkamer afgesloten is geweest en er weinig toevoer van verse lucht was, bij alle ontstekingsmogelijkheden (brandversnellend middel, open vuur of een sigaret) meer dan een uur zijn.

14. Een geschrift, zijnde een deskundigenbericht, te weten een Brand (technisch) onderzoek van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau van 14 juni 2017, door [deskundige 3] , branddeskundige.

Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

De voorgelegde hypotheses kunnen als volgt worden besproken:

1. De brand is aangestoken met brandversnellend middel en/of ontbrandbare vloeistof.

Geconcludeerd kan worden dat noch in het dossier, noch aan de hand van het beeldmateriaal feiten en omstandigheden zijn aan te wijzen die deze hypothese op enigerlei wijze ondersteunen.

2. De brand is ontstaan als gevolg van een brandende sigaret (in/of op het bed). Hierbij zijn geen brandversnellende middelen gebruikt.

In het hypothetische geval dat de ontstekingsbron een sigaret zou betreffen, dan moet dit eerst leiden tot opwarming van voor ontsteking vatbare materialen. Alleen voldoende warmte(ophoping) kan leiden tot een smeulproces.

Onder bepaalde omstandigheden: voldoende vuurbelasting in de vorm van brandbaar materiaal en voldoende beschikbare omgevingslucht – zuurstof – , kan dit proces overgaan in een zich zelf onderhoudende, vlammende brand.

Feitelijk betekent dit dat deze hypothese niet mag worden verworpen.

3. De brand is aangestoken met een open vuur (zoals aansteker). Hierbij zijn geen brandversnellende middelen gebruikt.

Het beddengoed was goed brandbaar. Dit betekent dus dat het met een aanstekervlam was te ontsteken. Het is aannemelijk dat vrijwel onmiddellijk een zich zelf onderhoudende, vlammende brand ontstaat.

Feitelijk betekent dit dat ook deze hypothese niet mag worden verworpen.

Ongeacht de ontstekingsbron/wijze van ontsteking, direct vlamcontact dan wel door een smeulproces, ontstaat vrijwel direct zichtbare rook en een doordringende, scherpe geur. Zodra de brand enige omvang aanneemt wordt daarnaast stralingswarmte afgegeven aan de omgeving.

De ramen en deuren naar het balkon en de slaapkamerdeur zijn in gesloten toestand aangetroffen. Dit betekent dus dat de brandgeuren en de ontwikkelde rook zich aanvankelijk in de slaapkamer en daarna door overdruk in de woning konden verspreiden.

Feitelijk betekent dit dat de kenmerkende brandverschijnselen zich al direct na ontsteking moeten hebben geopenbaard en dat nog vóórdat sprake van een onbeheersbare, levensbedreigende brand, ofwel de rook en/of geur konden worden waargenomen, dan wel het geluid van de rookmelder kon worden gehoord.

15. De verklaring van de deskundige [deskundige 3] , branddeskundige, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Het verschil met open vuur is dat er daarbij direct een zichzelf onderhoudende vlammende brand ontstaat. Uit het dossier heb ik opgemaakt dat het beddengoed brandbaar is, bij het ontsteken door middel van een sigaret moet daar zeker een bepaalde tijd voor worden genomen om van de smeulfase, wat bij een sigaret in principe het geval is, over te gaan in een zichzelf onderhoudende vlammende brand. Dat is afhankelijk van de zuurstoftoevoer en de aanwezigheid van brandbaar materiaal.

Met zekerheid kan ik zeggen dat wanneer het is aangestoken met open vuur, er direct een vlammende brand ontstaat, en voor de sigaret duurt dat minimaal enkele minuten, en dat kan variëren tot veel langer, die smeulfase kan ook 10 of 20 of 30 minuten duren.

Ik zeg dat deze brand zich in de beginfase heeft bevonden op het moment dat bij geblust werd. Er moet een korte tijd een zichzelf onderhoudende vlammende brand zijn geweest. Als we onderscheid maken tussen een brand ontstaan door een open vuur, dat is dan vrijwel direct, en bij een sigaret is dat minimaal enkele minuten.

Op enig moment kan de brand getemperd zijn door gebrek aan brandbaar materiaal. Op enig moment kan dat materiaal opgebrand zijn en overgaan in een smeulfase, waardoor weer andere stoffen weer worden aangestoken. Die tijd heeft zo’n brandontwikkeling dan toch nodig, het is nog steeds verenigbaar binnen de tijdstippen die ik teruglas in het dossier.

De advocaat-generaal vraagt mij of het erop neerkomt dat ik zeg dat ook bij open vuur de brand in een smeulfase kan zijn overgegaan, maar niet door gebrek aan zuurstof, maar alleen doordat er geen brandend materiaal voorhanden was.

Ja. Er was wel voldoende brandbaar materiaal aanwezig, vervolgens brandt dit materiaal op, dit materiaal of object gaat weer over in een smeulfase, en daar ontwikkelt zich weer een brand, en dat is de branduitbreiding die wij altijd bij beperkte branden terugzien.

De oudste raadsheer merkt op dat hedenochtend [deskundige 2] als deskundige is gehoord, dat deze heeft verklaard dat hier sprake is van een bedbrand, dat zijn conclusie naar aanleiding van onderzoek aan het lichaam is dat het lichaam pas kort daarvoor aan de hitte is blootgesteld, en dat de brand kort daarvoor moet zijn begonnen.

De term ‘bedbrand’ kan ik me wel in vinden, want dat is eigenlijk wel wat wij primaire brandhaarden noemen, de zone van een primaire brandhaard is inderdaad het bed. En dan het punt van het lichaam, het lichaam op zichzelf is ook een brandbaar object, er kan brand ontstaan in een materiaal wat zich opbrandt en dan vervolgens zich uitbreidt naar ook het lichaam van het slachtoffer.

16. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2013236440 van 12 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en A. [opsporingsambtenaar 3] (doorgenummerde pp. ZD 00166-00177).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 november 2013 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [getuige 1]:

Ik ben [getuige 1]. ik woon in Amsterdam. Ik werk momenteel nog in de zorg. Ik rij ook wel snorder. [verdachte] had op 14 of 15 september (het hof begrijpt: 2013) dat gevecht. Een paar dagen later heb ik hem de laatste keer afgezet. Ik heb hem om 24:00 uur of zo afgezet in Bos en Lommer. Niet dat ik exact weet hoe laat het was. Hij zei: “Kun je me straks weer komen ophalen”. Ik zei dat het goed was. Hij zat op mij te wachten. Toen heb ik hem opgehaald. Ik heb hem naar Zuidoost gebracht. Maar hij wou naar Watergraafsmeer gaan. Ik ben toen vanaf de snelweg naar de afslag van Watergraafsmeer gegaan, dat is afslag Diemen.

17. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2013236440 van 14 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 2] (doorgenummerde pp. ZD 00185-00193).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van getuige [getuige 1]:

Je zou [verdachte] hebben opgehaald op dezelfde plek als je hem hebt afgezet, namelijk op de [adres 8].

Ik zag hem van achter. Ik vroeg hem nog of hij lang heeft gewacht. Hij zei toen dat hij wel op mij had staan wachten.

Je verklaarde dat [verdachte] wilde dat je hem naar Watergraafsmeer bracht. Weet je nog hoe laat jullie daar aan kwamen?

Het zal niet zo lang duren naar Watergraafsmeer. Het begon al druk te worden op de weg. Ik denk na een kwartiertje of 20 minuten.

Je gaf aan dat het al druk werd.

Er waren wat meer mensen op straat, het was ochtendtijd en mensen gingen naar hun werk.

18. Een proces-verbaal van verhoor van 26 september 2016, opgemaakt door mr. J.H.C. van Ginhoven, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige 1]:

[verdachte] vroeg of ik hem weer kon komen ophalen. Ik weet niet meer precies hoe laat maar het was richting de ochtenduren. Ik heb hem opgehaald op de afgesproken plaats. Ik was te laat en zag hem wel lopen. Het werd wat drukker op straat want ik zag mensen naar de bushalte lopen. [verdachte] zei mij dat hij al een tijdje op mij had gewacht.

19. Een proces-verbaal bevindingen naar aanleiding van hoger beroep met nummer 2013236440 van

24 mei 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13]

.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Bevindingen:

Op 14 mei 2018 hebben wij gesproken met de heren [naam 4] en [naam 5], beiden werkzaam op de afdeling planning van het GVB. Beiden waren in het verleden werkzaam als buschauffeur en zeggen alle lijnen te kennen.

Op 25 september 2013 reed op de [adres 8] te Amsterdam slechts één buslijn op doordeweekse dagen, namelijk buslijn 21, vanaf Geuzenveld naar het Centraal Station en vice versa. De eerste rit vanaf Geuzenveld startte rond 6 uur in de ochtend. Vanaf Geuzenveld duurde het ongeveer 15 minuten om de [adres 8] te bereiken. De eerste rit van dezelfde lijn vanaf Centraal Station start iets later. Het meest aannemelijk is dat vanaf 6.15 uur met frequentie van circa 10/12 minuten, aflopend naar 9 minuten, bussen over de [adres 8] hebben gereden.

Er waren geen stremmingen of omleidingen die dag

20 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2013236440 van 10 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 14] (doorgenummerde pp. ZD 00120-00123).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Uit onderzoek bij het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) is gebleken dat op 25 september 2013 de zon op kwam te 07:31 uur.

Het verschijnsel schemering wordt door het KNMI omschreven als:

“Schemering is een verschijnsel waarbij zonlicht door de atmosfeer van de aarde zodanig wordt verstrooid dat – hoewel de zon onder de horizon is – de hemel nog een beetje wordt verlicht. Het verschijnsel doet zich ieder dag voor kort voor zonsopgang en kort na zonsondergang”.

Resume

Gesteld kan worden dat de schemering in de periode augustus/september tussen de 41 en 35 minuten voorafgaand aan de zonsopgang duurt en in de periode oktober 33 minuten voorafgaand aan de zonsopgang duurt. Dit zou inhouden dat de schemering op 25 september 2013 is aangevangen tussen 35 dan wel 33 minuten vóór 07:31 uur, zijnde tussen 06:56 en 06:54 uur (het hof begrijpt uit voorgaande berekening: tussen 06:56 en 06:58 uur).

21. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2013236440 van 13 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] (doorgenummerde pp. ZD 00810-00813).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Gebruikers van de nummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] .

Uit diverse onderzoeken waaronder technische acties is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik is geweest bij de verdachte [verdachte] tot zijn aanhouding. Tevens bleek uit onderzoeken waaronder technische acties en verhoren dat het nummer [telefoonnummer 2] in gebruik is geweest bij [getuige 1] in de periode dat [slachtoffer] om het leven kwam. Als laatste is blijkens onderzoek bekend geworden dat het slachtoffer Krasimera [slachtoffer] gebruik maakte van het nummer [telefoonnummer 3] .

Uit de historische verkeersgegevens van de nummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 2] op 24 en 25 september 2013 blijkt het volgende.

- Op de 25ste tussen 02:45 uur en 06:12 uur straalt het nummer [telefoonnummer 3] nog een paar maal de zendmasten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] aan.

- Op de 25ste tussen 06:36 uur (en) 06:46:38 uur krijgt het nummer [telefoonnummer 2] zeer veel sms’jes binnen, voornamelijk afkomstig van de provider. Het nummer [telefoonnummer 2] straalt dan zendmast [adres 5] aan.

- Daarna straalt het nummer [telefoonnummer 2] op de 25ste om 06:46:46 uur de zendmast [adres 9] aan.

- Tussen 06:47:38 uur en 06:48:46 uur op de 25ste straalt het nummer [telefoonnummer 2] de zendmast [adres 6] aan.

- Op de 25ste tussen 06:49 uur en 06:57 uur straalt het nummer [telefoonnummer 2] diverse zendmasten aan die allen gelegen zijn aan de west- en zuidkant van de Ringweg A10.

- Op de 25ste om 07:08 uur en om 07:22 uur straalt het nummer [telefoonnummer 3] de zendmast [adres 7] aan in Amsterdam Zuidoost. Daarna heeft het nummer [telefoonnummer 3] geen

contact meer met het netwerk en worden inkomende gesprekken doorgeschakeld naar de

voicemail.

22. De verklaring van de deskundige [deskundige 4] , forensisch onderzoeker locatiebepaling bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven,

De voorzitter laat mij de kaart zien, te weten een door het hof opgezochte en uitgeprinte kaart van Google Maps waarop door het hof zes zendmasten zijn ingetekend, zoals die zijn weergegeven op pp. ZD 00810-813 van het dossier, te weten de zendmasten aan de [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] , [adres 9] en de [adres 6] . Dit gebied hier komt overeen met mijn kaart, daar staan inderdaad die masten.

De afstand tussen de masten ligt tussen de 150 en 200 meter. Het klopt dat voornoemde 6 palen dicht op elkaar staan.

De telefoon van het slachtoffer is in ieder geval in het bereik van die drie masten aan de [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] geweest. De afstand tussen die masten betreft hier 200 tot 300 meter.

De advocaat-generaal vraagt mij wat de kans is dat de verdachte tussen 06:12 en 06:48 uur niet in het gebied rondom de [adres 1] is geweest, maar dat hij al op de Ringweg A10 was. Als hij op het begin van de ringweg was, zou het misschien kunnen. Maar de telefoon van de snorder straalt aan om de minuut. Ik heb zelf de regel dat als een telefoon verschillende zendmasten aanstraalt iets over de route kan worden gezegd. Om 06:36 uur straalt de telefoon van de snorder aan op de zendmast [adres 5] .

De oudste raadsheer vraagt mij of het logisch is dat als je om 06:36 uur al op de Ringweg A10 bent, de telefoon de zendmast [adres 5] aanstraalt, of dat het logischer zou zijn dat de telefoon dan ook een keer een zendmast op de Ringweg A10 aanstraalt. Als je recht op die bundel staat, kan het zo zijn dat als je om 06:36 uur al op de Ringweg A10 bent, je telefoon de zendmast [adres 5] aanstraalt. Dat verklaart echter niet dat tussen 06:46 en 06:48 nog steeds die eerdere palen aangestraald worden op [adres 9] en [adres 6] . Eenmalig zou de zendmast [adres 5] namelijk aangestraald kunnen worden, maar het is wel vreemd dat hij dan in die tijd ook nog die andere palen aanstraalt. Op basis van wat ik hier zie, deze omstandigheden, is het niet logisch dat dat zou gebeuren, dus als je op de Ringweg A10 bent, dat dan de paal [adres 5] wordt aangestraald. Het is niet onmogelijk, maar het is niet logisch.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

Het onder 3 en 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het hem onder 1, 2, 3, en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op 25 september 2013 schuldig gemaakt aan doodslag op zijn vriendin [slachtoffer] . De verdachte is die nacht naar haar woning toe gegaan met de bedoeling om seks met haar te hebben, maar heeft haar op enig moment op gruwelijke wijze om het leven gebracht door haar te wurgen. Nadat zij was overleden, heeft de verdachte brand gesticht in de woning, kennelijk, zo neemt het hof aan, om eventueel achtergebleven dadersporen uit te wissen.

Het opzettelijk benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste categorie misdrijven die de wet kent. Door de dood van [slachtoffer] en de wijze waarop dit is gebeurd, heeft de verdachte ook het leven van de nabestaanden van [slachtoffer] op blijvende wijze ingrijpend beïnvloed. Aan hen is een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht. Dat de doodslag heeft plaatsgevonden in de woning van [slachtoffer] en door een persoon met wie zij een relatie had, weegt het hof als strafverzwarende omstandigheden mee, aangezien men juist in de eigen woning in de aanwezigheid van personen met wie men een relatie heeft, zich veilig moet kunnen wanen.

Het hof neemt het de verdachte bovendien zeer kwalijk dat hij het de nabestaanden van het slachtoffer onmogelijk heeft gemaakt op een gepaste wijze afscheid te nemen van het slachtoffer door het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op de onder 2 bewezenverklaarde wijze te schenden. Door brand te stichten heeft de verdachte bovendien de veiligheid van de aangrenzende woningen (inclusief inboedel) en van de op dat moment aanwezige bewoners in het appartementencomplex, concreet in gevaar gebracht. Dat de brand uiteindelijk niet is overgeslagen op andere woningen en dat er niet meer slachtoffers zijn gevallen is louter aan toeval en tijdig ingrijpen van de brandweer te danken, en geenszins aan het handelen van de verdachte.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich bij het stichten van de brand op geen enkele wijze rekenschap lijkt te hebben gegeven van de gevaren van zijn handelen en dat hij zich alleen heeft laten leiden door zijn eigen belang. Eigen belang speelde kennelijk ook een rol bij het plegen van de onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten waaraan de verdachte zich heeft schuldig gemaakt, te weten diefstal van de telefoon van [slachtoffer] en diefstal van een aanzienlijk geldbedrag van haar.

Voor de samenleving in het algemeen geldt dat misdrijven als de onderhavige als zeer bedreigend worden ervaren en gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg brengen. De bewezenverklaarde feiten kunnen gelet op hun gewelddadige karakter en de onherstelbare gevolgen dan ook niet anders worden bestraft dan met een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is daarbij van oordeel dat in het licht van de jurisprudentie met betrekking tot doodslag en brandstichting, de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren als ondergrens moet worden gezien.

Het hof heeft acht geslagen op diverse rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht, te weten een reclasseringsadvies Inforsa van 2 december 2013, een psychiatrisch rapport pro justitia door psychiater [psychiater] van 31 december 2013, een psychologisch rapport pro justitia door klinisch psycholoog [psycholoog] van 3 december 2013, en een rapportage pro justitia van het Pieter baan Centrum (PBC) van 14 juli 2015. De verdachte heeft evenwel niet dan wel in zeer beperkte mate willen meewerken aan de drie laatstgenoemde onderzoeken. Het PBC heeft geconcludeerd dat derhalve op grond van gedragskundig onderzoek geen betrouwbare conclusie kan worden getrokken over de persoonlijkheid van de verdachte. Derhalve heeft het hof geen, dan wel beperkt inzicht gekregen in de persoon van de verdachte, zodat met zijn persoonlijke omstandigheden slechts in beperkte mate rekening kan worden gehouden bij de strafoplegging. Hetgeen de verdachte ter terechtzittingen in hoger beroep met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard, wordt hierin betrokken.

Nu er op grond van voormelde onderzoeken derhalve geen aanwijzingen zijn dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, zal het hof de verdachte volledig toerekeningsvatbaar achten ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten.

Het hof constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Immers, vanaf het moment waarop de verdachte is aangehouden op 1 oktober 2013 tot aan het wijzen van arrest door het hof op 6 augustus 2018 is een periode verstreken van bijna vijf jaren. Er is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, wanneer naar de totale duur van de procedure wordt gekeken sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van 10 maanden. Het hof stelt eveneens vast dat deze overschrijding niet, althans niet in aanmerkelijke mate, aan de verdachte of de verdediging is te wijten.

Het hof zou zonder evengenoemde constatering, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende en met name gelet op de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 jaren hebben opgelegd. Gelet echter op de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, zal het hof een strafvermindering van 10% toepassen en moet worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 55, 57, 63, 157, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 en 6 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. M.M.H.P. Houben en mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van der Drift, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 augustus 2018.