Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2779

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
200.240.154
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzoek toelating in hoger beroep alsnog niet-ontvankelijk in verband met ontbreken minnelijke regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.240.154/01

rekestnummer rechtbank : C/15/269391 FT RK 18.113

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 juli 2018

in de zaak van

[Appellant] ,

wonende te [x] ,

appellant,

advocaat: mr. S. Faber te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [Appellant] genoemd.

[Appellant] is bij per fax op 4 juni 2018 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 mei 2018, waarbij het verzoek van [Appellant] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 17 juli 2018. Bij die behandeling is [Appellant] verschenen, vergezeld van de beschermingsbewindvoerder, P.C.G. Krommenhoek, en bijgestaan door mr. Faber voornoemd, die het beroepschrift mondeling nader heeft toegelicht.

Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en het namens [Appellant] op 4 juli 2018 ingediende aanvullende beroep met bijlagen. [Appellant] heeft te kennen gegeven te beschikken over de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[Appellant] heeft in het beroepschrift verzocht alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [Appellant] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [Appellant] heeft nadat hij zijn rijbewijs was verloren een voertuig met het kenteken ( [x] - [x] - [x] ) op zijn naam gehad, zonder dat hij van die tenaamstelling op de hoogte was. Daardoor zijn buiten zijn toedoen verschillende schulden ontstaan zoals schulden aan de belastingdienst inzake motorrijtuigenbelasting en twee CJIB-boetes. Het is [Appellant] pas na lange tijd en met behulp van de beschermingsbewindvoerder gelukt de registratie van het kenteken te doen verwijderen. Gezien deze omstandigheden is [Appellant] van mening dat deze schulden toelating tot de schuldsaneringsregeling niet in de weg zouden mogen staan. Mocht het hof een ander oordeel hebben, dan doet [Appellant] een beroep op de hardheidsclausule. Hij is sinds de benoeming van de beschermingsbewindvoerder in november 2015 in een financieel stabiele situatie beland. Alle vaste lasten worden voldaan en het is [Appellant] gelukt om vier CJIB-boetes af te lossen, waardoor de CJIB-schuld aanmerkelijk is afgenomen. Daarnaast doet [Appellant] zijn best een baan te vinden. Hij heeft van juli 2017 tot begin mei 2018 stage gelopen en neemt thans deel aan een sollicitatiecursus. In de tussentijd heeft hij ook gesolliciteerd, maar het is hem nog niet gelukt een baan te vinden. [Appellant] en de beschermingsbewindvoerder zijn van mening dat [Appellant] er klaar voor is om van de schuldsaneringsregeling een succes te maken.

2.2

Op grond van artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f Faillissementswet (Fw) dient de schuldenaar voorafgaand aan een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een poging te doen om aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Indien de schuldenaar niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling is gekomen, dient het verzoekschrift een met redenen omklede verklaring - afkomstig van het college van burgemeester en wethouders van de woonplaats van de schuldenaar (of een daartoe gemandateerde instelling) - te bevatten dat er geen reële mogelijkheden voor een dergelijke regeling zijn. Voorts dient het verzoekschrift op grond van artikel 285, eerste lid aanhef en onder a juncto artikel 96 Fw een lijst van schuldvorderingen te bevatten.

2.3

De rapportage van 20 december 2017 betreffende het minnelijk traject vermeldt dat eerder (te weten begin 2017) een buitengerechtelijk traject is opgezet door Sociaal.nl. Volgens deze rapportage is de schuldenlast geïnventariseerd en is destijds aan de schuldeisers een voorstel gedaan. Nadat een groot deel van de schuldeisers dit voorstel had afgewezen, heeft Sociaal.nl een verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling gedaan, welk verzoek medio 2017 door de rechtbank is afgewezen. Zoals in deze rapportage staat vermeld en ook ter zitting in hoger beroep door de beschermingsbewindvoerder is bevestigd, is geen nieuw voorstel tot een minnelijke schuldregeling aan de schuldeisers gedaan, met als reden dat de omstandigheden ongewijzigd zijn. Met betrekking tot deze gestelde ongewijzigde omstandigheden constateert het hof echter dat de schuld aan het CJIB niet € 4.419,- bedraagt, zoals in de lijst van schuldvorderingen onder nummer 3 staat vermeld, maar blijkens een overzicht van 13 maart 2018 ten tijde van de behandeling in eerste aanleg € 1.336,-. Daarbij komt dat mr. Faber desgevraagd heeft verklaard dat de lijst van schuldvorderingen (vermoedelijk) niet is geactualiseerd na de eerdere afwijzing en dat de vermelde schulden nu anders zijn vanwege aflossingen die [Appellant] heeft gedaan.

Uit het voorgaande volgt dat niet alleen onduidelijkheden bestaan betreffende de schuldenlijst, maar dat er ook geen aanbod aan de schuldeisers is gedaan toegesneden op de werkelijke, huidige staat van schulden. Gelet hierop voldoet het onderhavige verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet aan de vereisten van artikel 285, eerste lid, aanhef en onder a en f Fw en dient [Appellant] in zijn verzoek alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.4

Het onder 2.3 overwogene brengt mee dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en [Appellant] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek.

2.5

Onverminderd het voorgaande overweegt het hof dat [Appellant] nog steeds een aanzienlijke CJIB-schuld heeft en ook belastingschulden heeft inzake motorrijtuigenbelasting, waarvan niet aannemelijk is geworden dat deze te goeder trouw zijn ontstaan en derhalve, ook indien hij in zijn verzoek wel ontvankelijk zou zijn, een toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg zouden staan. Dit maakt dat het verzoek ingevolge het bepaalde in artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw niet voor toewijzing in aanmerking zou komen. Het beroep op de zogenoemde hardheidsclausule heeft [Appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, zodat dit wordt verworpen. Daartoe is het volgende redengevend. Weliswaar heeft hij geen auto meer op zijn naam staan en krijgt hij sinds eind 2015 hulp bij de beheersing van zijn financiën, maar dit rechtvaardigt nog onvoldoende de conclusie dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden, inmiddels voldoende onder controle heeft gekregen. Met name is voor toewijzing van zijn verzoek vereist dat [Appellant] aan het werk gaat en dat hij over regelmatige inkomsten uit arbeid beschikt, waartoe hij – mede gelet op zijn jonge leeftijd – in staat moet worden geacht. Van inspanningen om aan betaald werk te komen is onvoldoende gebleken. Dit laatste brengt met zich dat thans onvoldoende aannemelijk is dat Laouni de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven zodat het verzoek ook op grond van artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw niet voor toewijzing in aanmerking komt.

3 Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep;

- verklaart [Appellant] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, M.L.D. Akkaya en J.M. de Jongh en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.