Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2727

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
23-002792-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verstekzaak. Onttrekking van een kind aan het gezag. Vader heeft kind meegenomen naar Tunesië en niet meer teruggebracht naar de moeder. Bevestiging vonnis met vervanging van de strafmotivering. Het hof ziet geen aanleiding voor een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, zoals door de advocaat-generaal gevorderd.

Artikel 14c, tweede lid, aanhef en onder 14 ̊, van het Wetboek van Strafrecht biedt de mogelijkheid tot het opleggen van ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’ die aan een voorwaardelijke veroordeling kunnen worden verbonden. Het hof is echter van oordeel dat voornoemde bijzondere voorwaarde niet geacht kan worden gedrag te omvatten dat in feite inhoudt strafrechtelijk naleving van een civielrechtelijk vonnis af te dwingen. Het signaal dat het bij zijn moeder weghouden van het kind onacceptabel is, gaat reeds uit van het feit dat de verdachte voor zijn handelen strafrechtelijk wordt veroordeeld.

Het opleggen van een bijzondere voorwaarde heeft bovendien pas zin indien aannemelijk is geworden dat de verdachte bereid is zich daaraan te houden. Uit het dossier blijkt het tegendeel, namelijk dat de verdachte zich van eerdere rechterlijke beslissingen, waarin is bepaald dat hij het kind dient te herenigen met zijn moeder, niets aantrekt en dat hij niet bereid is het kind te laten terugkeren naar Nederland. Een voorwaardelijke straf met de genoemde bijzondere voorwaarde zal er in de visie van het hof dan ook evenmin toe leiden dat de verdachte het kind in de toekomst zal herenigen met zijn moeder, zodat ook vanuit dat oogpunt bezien daarvan geen meerwaarde uitgaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002792-17

datum uitspraak: 26 juli 2018

VERSTEK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-229699-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de strafmotivering vervangt door de navolgende.

Oplegging van straf

Vonnis van de rechtbank en standpunt van de advocaat-generaal

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte [naam] binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het arrest terug zal brengen naar Nederland, zodat hij hoofdverblijf kan hebben bij de moeder. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het strafrecht niet het geschikte middel is om de situatie op te lossen. De situatie dat [naam] in Tunesië wordt gehouden duurt nog altijd voort. In het civiele recht zijn alle stappen doorlopen om de verdachte te dwingen [naam] terug te brengen, maar dat heeft tot niets geleid. Daarmee staat de deur open naar artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 14c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht biedt de mogelijkheid bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde te stellen. Uit de jurisprudentie blijkt dat het daarbij gaat om ‘handel en wandel thuis en in de samenleving’, ‘goed levensgedrag’ en ‘gedrag waaraan een veroordeelde uit betamelijkheid gehouden is’. Het terugbrengen van [naam] valt daaronder, aldus de advocaat-generaal. Door het opleggen van een bijzondere voorwaarde kan aan de verdachte het signaal worden afgegeven dat hij strafrechtelijk verkeerd heeft gehandeld en dat hij [naam] naar Nederland moet terugbrengen.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Hij heeft zijn zoon [naam] van destijds zes jaar oud onttrokken aan het wettig over hem gestelde gezag. De verdachte en de moeder van [naam] waren gezamenlijk belast met het wettig gezag en [naam] had zijn hoofdverblijfplaats bij moeder. De verdachte heeft [naam] zonder toestemming voor onbepaalde tijd in Tunesië gehouden. De verdachte heeft in gesprekken met moeder duidelijk gemaakt dat hij [naam] niet zal terugbrengen en dat moeder maar naar Tunesië moet komen als zij haar zoon wil zien. De verdachte heeft zich niets aangetrokken van het vonnis van de voorzieningenrechter en het arrest van het gerechtshof, afdeling civiel recht en belastingrecht, waarin aan de verdachte werd bevolen [naam] terug te brengen naar zijn moeder.

Door zo te handelen heeft hij het voor de moeder onmogelijk gemaakt haar taak als degene die ook met het gezag was belast uit te voeren, hetgeen haar emotioneel en psychisch zeer heeft aangegrepen, zoals ook is gebleken uit haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep. De verdachte heeft daarmee ook gehandeld in strijd met het belang van [naam], welk belang de verdachte als vader van [naam] te allen tijde voorop dient te stellen. Het is in het belang van [naam] dat zijn moeder wordt betrokken bij zijn opvoeding en ontwikkeling. Het hof rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan. [naam] is tot op de dag van vandaag niet terug bij zijn moeder. Zij heeft haar zoon al meer dan drie jaar niet gezien.

De ernst van het feit en in het bijzonder de langdurige en voortdurende onttrekking aan het gezag rechtvaardigen geen andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof zal de advocaat-generaal niet volgen in haar vordering tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan als bijzondere voorwaarde verbonden, kort gezegd, het terugbrengen van [naam].

Artikel 14c, tweede lid, aanhef en onder 14 ̊, van het Wetboek van Strafrecht biedt de mogelijkheid tot het opleggen van ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’ die aan een voorwaardelijke veroordeling kunnen worden verbonden. Het hof is echter van oordeel dat voornoemde bijzondere voorwaarde niet geacht kan worden gedrag te omvatten dat in feite inhoudt strafrechtelijk naleving van een civielrechtelijk vonnis af te dwingen. Het signaal dat het bij zijn moeder weghouden van [naam] onacceptabel is, gaat reeds uit van het feit dat de verdachte voor zijn handelen strafrechtelijk wordt veroordeeld.

Het opleggen van een bijzondere voorwaarde heeft bovendien pas zin indien aannemelijk is geworden dat de verdachte bereid is zich daaraan te houden. Uit het dossier blijkt het tegendeel, namelijk dat de verdachte zich van eerdere rechterlijke beslissingen, waarin is bepaald dat hij [naam] dient te herenigen met zijn moeder, niets aantrekt en dat hij niet bereid is [naam] te laten terugkeren naar Nederland. Een voorwaardelijke straf met de genoemde bijzondere voorwaarde zal er in de visie van het hof dan ook evenmin toe leiden dat de verdachte [naam] in de toekomst zal herenigen met zijn moeder, zodat ook vanuit dat oogpunt bezien daarvan geen meerwaarde uitgaat.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, zoals door de rechtbank opgelegd, passend en geboden en zal ook dit onderdeel van het vonnis bevestigen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. P.F.E. Geerlings en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 juli 2018.

Mr. E. van Die is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]