Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2726

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
23-001080-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heling van auto’s. Overwegingen over structurerende elementen van een criminele organisatie en over deelneming aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001080-16

datum uitspraak: 3 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-997047-14 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 eerste cumulatief/alternatief (autodiefstallen) en tweede cumulatief/alternatief – voor zover het betreft heling van de auto met het kenteken [kenteken BMW 525D] – en onder 3 – voor zover het betreft de kentekenplaat met daarop het kenteken [vals kenteken Audi A6 2] – is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open.

Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9, 11, 12, 13 en 20 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 juli 2014 tot en met 16 maart 2015 te Rotterdam en/of/althans (elders) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en/of één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en/of

- het plegen van opzetheling en/of schuldheling (artikel 416 en/of 417bis Wetboek van Strafrecht) en/of

- ( een gewoonte maken van) het plegen van witwassen (artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht) en/of

- valsheid in geschrift en/of opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift (te weten het vals opmaken en/of vervalsen van kentekenplaten en/of het aanbrengen van valse en/of vervalste kentekenplaten op een motorvoertuig, en/of opzettelijk een vals of vervalst geschrift afleveren en/of voorhanden hebben (artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht) en/of

- overtreding van art. 41 lid 1, aanhef en onder c en/of d Wegenverkeerswet 1994;

2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 november 2014 tot en met 21 januari 2015, te Antwerpen en/of Rotterdam en/of Düsseldorf, in elk geval in België en/of in Nederland en/of in Duitsland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer auto's, te weten:

- in of omstreeks de periode van 3 november 2014 tot en met 4 november 2014 te Antwerpen, een BMW (type 525D, kenteken [kenteken BMW 525D]), en/of

- in of omstreeks de periode van 11 december 2014 tot en met 12 december 2014 te Rotterdam, een Audi (type A6, kenteken [kenteken Audi A6]), en/of

- in of omstreeks de periode van 17 januari 2015 tot en met 21 januari 2015 te Düsseldorf, een BMW (type X6, kenteken [kenteken BMW X6 1]),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan respectievelijk [eigenaar BMW 525D] en/of [eigenaar Audi A6] en/of [eigenaar BMW X6 1], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 november 2014 tot en met 22 januari 2015, te Rotterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer auto's, te weten:

- een BMW (type 525D, kenteken [kenteken BMW 525D]), en/of

- een Audi (type A6, (oorspronkelijk) kenteken [kenteken Audi A6] en/of (vals/vervalst) kenteken [vals kenteken Audi A6 1]), en/of

- een BMW (type X6, kenteken [kenteken BMW X6 1]),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van die auto('s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door diefstal, in elk geval een door misdrijf verkregen goed betrof;

3
hij op of omstreeks 12 januari 2015 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meer kentekenplaten met de tekens [vals kenteken Audi A6 1], en/of een of meer kentekenplaten met de tekens [vals kenteken Audi A6 2], voorhanden heeft gehad, bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat die kentekenplaat/-platen onbevoegd was/waren nagemaakt, en/of dat die kentekenplaat/-platen niet was/waren voorzien van echtheidskenmerken, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) dit/die echt en onvervalst;

4
hij op of omstreeks 12 januari 2015 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een motorrijtuig (auto, merk Audi, (oorspronkelijk) kenteken [kenteken Audi A6]) op de weg heeft laten staan, terwijl op dat motorrijtuig een of meer teken(s) was/waren aangebracht, te weten een of meer kenteken(s)/kentekenplaat/-platen, met de tekens [vals kenteken Audi A6 1], dat/die, niet zijnde een ingevolge artikel 36 Wegenverkeerswet 1994 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig opgegeven kenteken(s), door kon(den) gaan voor (een) zodanig(e) kenteken(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 3 en 4 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen beschikkingsmacht heeft gehad over de Audi en dat uit niets blijkt dat de verdachte de twee kentekenplaten die op de auto bevestigd waren, voorhanden heeft gehad en wist dat deze vals waren.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift en overtreding van art. 41 WVW 1994 zal worden veroordeeld.

Oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 en 4 is ten laste gelegd. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het dossier bevat geen rechtstreeks bewijs dat de verdachte wetenschap had van de op de Audi A6 geplaatste kentekenplaten. Evenmin is er voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte ervan op de hoogte was, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de kentekenplaten met de tekens [vals kenteken Audi A6 1] vals waren en bestemd waren voor gebruik als waren zij echt en onvervalst.

Derhalve dient de verdachte van het onder 3 en 4 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Dat het hof hierna bij de bespreking van de bewijslevering voor de heling van de betreffende Audi tot de slotsom zal komen dat dit feit wel bewezen is, maakt dit niet anders.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Heling Audi A6 met kenteken [kenteken Audi A6]

Aan de verdachte is onder 2 onder meer ten laste gelegd de heling (samen met een ander of anderen) van de Audi A6 met oorspronkelijk kenteken [kenteken Audi A6].

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken en daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft geen beschikkingsmacht gehad met betrekking tot de Audi. De verdachte zag pas dat de Audi voor de deur van zijn woning geparkeerd stond, toen de politie erbij stond. Hetgeen zijn partner [betrokkene 6] hieromtrent heeft verklaard (inhoudende dat de verdachte in de auto gereden zou hebben) betreft een onjuiste conclusie van [betrokkene 6], naar aanleiding van de door de (vooringenomen) verbalisant gestelde vragen. Uit niets blijkt dat de verdachte de auto voor zijn woning heeft geparkeerd of dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto van misdrijf afkomstig was.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde medeplegen van heling zal worden veroordeeld.

Oordeel van het hof

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat op 12 januari 2015 politieambtenaren in de directe omgeving van de woning van verdachte de rond 12 december 2014 gestolen Audi A6, met oorspronkelijk kenteken [kenteken Audi A6], maar dan voorzien van valse kentekenplaten met het nummer

[vals kenteken Audi A6 1], aantreffen. In het voertuig liggen onder de rechtervoorstoel valse kentekenplaten met nummer [vals kenteken Audi A6 2]. De auto is aldaar weggesleept. De politieambtenaren zien ten tijde van het wegslepen dat de verdachte zich met een voor de verbalisant onbekende vrouw en onbekend kind in de woning gelegen aan de Van Lennepstraat 5 A te Maassluis bevindt.

[verdachte 1] geeft in een gesprek op 5 januari 2015 aan dat hij nog steeds een Audi heeft. Op 6 januari 2015 vraagt hij aan zijn ex-partner [betrokkene 5] om “in de garage aan het begin van de straat de nummers te pakken van precies dezelfde auto” als hijzelf heeft. Nog geen tien minuten later bekijkt [verdachte 1] iets dat hem door [betrokkene 5] is gestuurd. [verdachte 1] zegt dan dat datgene bruin is en dat hij hem gewoon gaat maken (het hof begrijpt: de kentekenplaten van deze auto zal namaken). In de straat waar [betrokkene 5] woont, wordt op 7 januari 2015 een donkerbruine Audi A6 met kenteken [vals kenteken Audi A6 2] aangetroffen. Op 12 januari 2015 om 13:46 uur belt [verdachte 1] met de verdachte. In dat gesprek geeft de verdachte aan dat de politie bij “die waggie” (het hof begrijpt: die auto) staat, waarop [verdachte 1] zegt: “hoofdpijn”. De verdachte geeft aan dat hij ook niet snapt hoe dat kan: “Broeia (het hof begrijpt: moeilijk, lastig), man”. Om 13:56 uur wordt [verdachte 1] gebeld door de vriendin van de verdachte, [betrokkene 6], die vertelt dat verdachte net met zijn vader is weggegaan en dat er nog steeds undercoverpolitie staat. [betrokkene 6] heeft, als getuige gehoord bij de politie, verklaard dat zij tegen de verdachte gezegd heeft: “Je gaat die auto toch niet voor je deur zetten?”. Tenslotte meldt zij aan [verdachte 1] in genoemd gesprek dat de takelwagen van de politie is gekomen en dat zij zal proberen een foto of een filmpje te maken, waarvan [verdachte 1] zegt dat hij die echt nodig heeft, want “dat ding was voor iemand”. Om 14:14 uur wordt [verdachte 1] weer gebeld door [betrokkene 6] die zegt dat zij een foto heeft doorgestuurd en de foto direct van haar telefoon heeft verwijderd. Bij de politie verklaart [betrokkene 6] dat zij het takelen van de auto gefilmd heeft, omdat de verdachte vroeg of ze dat wilde doen, nu [verdachte 1] dat nodig had. De verdachte bevestigt in zijn verklaring die hij op 26 maart 2015 bij de politie heeft afgelegd (zaaksdossier, pagina 103-112) dat [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6]) de foto voor [verdachte 1] gemaakt heeft. In deze verklaring geeft hij aan dat zijn vriendin [betrokkene 6] de foto van de Audi A6 voor [verdachte 1] heeft genomen. Op 16 januari 2015 wordt [verdachte 1] gebeld door [verdachte 3], die vraagt of [verdachte 1] dat “a’tje” nog nodig heeft. [verdachte 1] vertelt [verdachte 3] dan dat deze is opgetakeld “bij die kanker [roepnaam verdachte]” (het hof begrijpt: de verdachte). Hij had dit A’tje niet aan de verdachte gegeven, maar hij “moest het gewoon voor zijn deur parkeren”, zo zegt [verdachte 1] tegen [verdachte 3] in dit gesprek.

Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte 1] betrokkenheid heeft gehad bij de gestolen Audi A6. Hij had, zo blijkt uit de bewijsmiddelen, er belang bij dat de auto door de verdachte op straat werd geplaatst. Verder blijkt dat de verdachte de op 12 december 2014 gestolen Audi op enig moment op verzoek van [verdachte 1] voor zijn woning heeft geparkeerd en dus voorhanden heeft gehad. Tot slot blijkt dat – mede gelet op de reactie van de verdachte en de gedragingen van zijn vriendin op het moment dat de auto door de politie wordt weggetakeld (in het licht van haar daarover afgelegde verklaring) – het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat het hier een van misdrijf afkomstig voertuig betrof. Het hof bezigt voorts tot het bewijs de inhoud van de bewijsmiddelen voor feit 1 en hetgeen het hof daarover hierna zal overwegen. Daarin is grond gelegen voor de vaststelling dat de verdachte samen met [verdachte 1] een gedeelde oriëntatie had op het plegen van voertuigcriminaliteit.

Heling BMW X6 met kenteken [kenteken BMW X6 1]

Aan de verdachte is onder 2 tevens ten laste gelegd de heling (samen met een ander of anderen) van de BMW X6 met oorspronkelijk kenteken [kenteken BMW X6 1].

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ook van dit feit wordt vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit niets blijkt dat de verdachte enige aandeel heeft gehad in de heling van deze BMW, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de BMW van misdrijf afkomstig was. Onduidelijk is of de verdachte het in de afgeluisterde telefoongesprekken over deze BMW heeft. Hij wist dat [verdachte 1] iets met auto’s deed, maar niet dat het in dit geval om een (het hof begrijpt: gestolen) auto ging.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde medeplegen van heling zal worden veroordeeld.

Oordeel van het hof

Uit de gebezigde bewijsmiddelen maakt het hof het volgende op.

[verdachte 1] heeft op of omstreeks 20 januari 2015 in een parkeergarage behorende bij de luchthaven Düsseldorf een BMW (X6) gestolen. Op 21 januari 2015 belt de verdachte om 14:11 uur met een onbekende Fransman. In dit in de Franse taal gevoerde gesprek zegt de verdachte onder andere dat een X5 niet mogelijk is, maar dat hij wel een zwarte 6 heeft. Dat is voor de Fransman geen probleem. De verdachte zegt dan dat hij een voorschot nodig heeft voor de papieren. Verder geeft de verdachte aan: “Al ons werk is klaar. Ik zal over 15 minuten een adres geven. Dan kunnen wij praten want over de telefoon is niet goed”.

Op 22 januari 2015 is een observatie uitgevoerd om de auto waarover gesproken werd, te lokaliseren. Omstreeks 12:00 uur treft het observatieteam op de Louis Pregerkade in Rotterdam de in Duitsland gestolen auto aan. Om 13:09 uur wordt [verdachte 1] gebeld door verdachte, die zegt dat die “Franse” hem net gebeld heeft. [verdachte 1] geeft aan dat de mannen er bijna zijn, en de verdachte zegt dat hij ook zo naar Rotje (het hof begrijpt: naar Rotterdam) komt.

Rond 13:20 uur zoekt [verdachte 1] op het internet (Marktplaats) naar een X6. Om 13:52 uur wordt [verdachte 1] gebeld door de verdachte, die vraagt of het vandaag gaat lukken. [verdachte 1] geeft aan dat de boy er nu naartoe gaat. De verdachte zegt dan dat “hij” zegt, dat wanneer het zeker gaat lukken, er alvast een aanbetaling zal komen. [verdachte 1] geeft aan dat hij dat nog niet eerder heeft meegemaakt, meestal doen zij juist proefjes.

Om 14:06 uur wordt gezien dat een grijskleurige Volkswagen Golf/Polo de Pregerkade oprijdt en dat de auto geparkeerd wordt naast de meergenoemde BMW. Uit de auto stappen twee onbekenden, die even met de auto rijden en de auto even later weer op dezelfde plek parkeren, waarna zij de auto verlaten.

Vervolgens hebben [verdachte 1] en de verdachte, en de onbekende Fransman en de verdachte, telefonisch contact met elkaar. Om 16:57 uur wordt gezien dat [verdachte 1] en de verdachte in het gezelschap van twee mannen van vermoedelijk Noord-Afrikaanse afkomst in de BMW stappen en wegrijden. De auto wordt elders geparkeerd, waarna alle vier de auto verlaten. [verdachte 1] en de verdachte stappen in een andere auto die op de Pregerkade staat geparkeerd. De andere twee mannen stappen uiteindelijk om 19:48 uur in de BMW en rijden daarmee weg.

Om 18:15 uur wordt [verdachte 1] aangehouden. Hij heeft 35 briefjes van € 50,-, een briefje van € 20,- en een briefje van € 5,- bij zich. Om 19:18 uur belt de verdachte uit naar [betrokkene 12], en vertelt dat [verdachte 1] zojuist is aangehouden. Hij geeft aan dat verdachte veel geld bij zich had. Denzel zegt vervolgens: “ja, hij heeft net X-je weggedaan”.

Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte 1] en de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking de eerder door [verdachte 1] in Duitsland gestolen BMW hebben verkocht aan (een van) de twee onbekend gebleven mannen van Noord-Afrikaanse afkomst. Daarbij is intensief onderling telefonisch contact geweest, en heeft de verdachte meermalen direct contact gehad met de koper(s), waarbij de auto is aangeboden en verteld is dat een voorschot noodzakelijk was, en vervolgens een afspraak is gemaakt om een proefrit te maken. Die proefrit heeft blijkens de observaties ook plaatsgehad. Tenslotte is de verdachte ook aanwezig geweest bij het uiteindelijk overdragen van de auto aan de koper. Het hof acht mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met [verdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan opzetheling met betrekking tot meergenoemde BMW, waarvan de verdachte, naar het oordeel van het hof, gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende gang van zaken bij de verkoop, geweten heeft dat de auto van misdrijf afkomstig was.

Criminele organisatie

Door de verdachte gepleegde misdrijven

In het voorgaande heeft het hof de bewijslevering besproken ten aanzien van de feiten zoals bewezen verklaard onder 2. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat de verdachte twee maal de heling van een gestolen auto heeft medegepleegd. Zijn mededader was bij beide feiten [verdachte 1].

Rol en netwerk van [verdachte 1]

[verdachte 1] heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en heling van auto’s. Blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen 140-5 is hij op 25 september 2014 als bestuurder aangetroffen in een gestolen Volvo V50 en heeft hij op 6 november 2014 in Amsterdam tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] twee dure auto’s gestolen. [verdachte 1] heeft de auto gestolen in Düsseldorf op 20 of 21 januari 2015 (waarvan het medeplegen van de heling ten laste van de verdachte is bewezen verklaard). Samen met [betrokkene 2] heeft [verdachte 1] op 16 september 2014 een BMW 520D gestolen in Zierikzee. Voorts heeft [verdachte 1], tezamen en in vereniging met [verdachte 3], een BMW 3er Reihe gestolen in Ouddorp op 21 april 2014.

Contacten

De hiervoor genoemde mededaders van [verdachte 1] stonden regelmatig met hem telefonisch in contact. Het gaat daarbij onder meer om [verdachte 3] en [betrokkene 1]. De bewijsmiddelen houden wat betreft [verdachte 3] diverse telefoongesprekken in, gevoerd in de periode 19 januari tot en met 22 februari 2015. Dit blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen onder nummer 140-3. Tijdens een van de gesprekken komt [verdachte 2] (‘de kale’) ook ter sprake als een persoon met een relevante bijdrage. De onderschepte gesprekken tussen [betrokkene 1] en [verdachte 1], zoals opgenomen in de bewijsmiddelen onder nummer 140-4, zijn gevoerd op 3 oktober en 5, 17 en 19 november 2014. Ook blijkt dat [betrokkene 1] over [verdachte 1] (‘Koelie’) spreekt met een onbekende derde, in de sleutel van autodiefstallen.

Genoemde [verdachte 2] heeft met [betrokkene 1] telefonisch contact gehad in de periode 11 tot en met 20 oktober 2014. Deze contacten hadden, zo blijkt uit de weergave van opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken, betrekking op te stelen dan wel gestolen auto’s (zie de bewijsmiddelen onder nummer 140-1).

Daarnaast heeft [verdachte 2] per telefoon contact gehad met [verdachte 1] in de periode 30 januari 2015 tot 16 maart 2015. Dit blijkt uit de weergave van de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken opgenomen in de bewijsmiddelen onder nummer 140-2.

[verdachte 1] heeft veelvuldig telefonisch contact gehad met nog enkele andere personen die kennelijk betrokken waren bij diefstal en heling van auto’s. Daarbij gaat het in het bijzonder om [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 7] en [betrokkene 2]. Ook onderling hebben deze personen contact onderhouden. Een enkele keer geeft [verdachte 1] instructies aan onbekend gebleven personen. De relevante inhoud van deze gesprekken is opgenomen in de bewijsmiddelen onder nummer 140-6.

Ook de verdachte is met grote regelmaat in contact geweest met [verdachte 1] en met enkele andere hiervoor genoemde personen. De verdachte heeft verklaard over de samenwerking met [verdachte 1] tijdens het verhoor bij de politie op 7 mei 2015. De hierop betrekking hebbende bewijsmiddelen zijn opgenomen onder nummer 140-7. Gevraagd naar de afzet van gestolen auto’s heeft hij geantwoord dat er vraag is naar dure, snelle en luxe auto’s. Voorts heeft hij verklaard over het gebruik van jammers. Ook [betrokkene 9] heeft verklaard over de aanmaak van kentekenplaten, de verkoop van gestolen auto’s en over de positie van [verdachte 1] (bewijsmiddel 140-8).

Loods

De verdachte trad bovendien op als huurder van een loods, gelegen aan de [straatnaam loods] in Rotterdam. Deze loods, door [verdachte 1], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en de verdachte ook wel aangeduid als de “basis”, is één van de verbindende elementen in de organisatie geweest. In deze loods zijn op 25 november 2014 onderdelen van gestolen voertuigen aangetroffen. Voorts blijkt uit opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken dat op handen zijnde controles in de loods tot onrust onder de verdachte en [verdachte 1] aanleiding geven (bewijsmiddel 140-9).

In beslag genomen voorwerpen

Bij vrijwel alle hiervoor genoemde personen zijn op 16 maart 2015 tijdens doorzoekingen van de woningen waarin zij verbleven voorwerpen aangetroffen die in verband zijn gebracht met diefstal van auto’s en met de vervaardiging van sleutels en valse kentekenplaten. Bij de verdachte ging het meer in het bijzonder om een knipsleutel. In de woning van [verdachte 2] heeft een doorzoeking plaatsgevonden op 14 april 2015. Daarbij is onder meer een slotentrekker aangetroffen en in beslag genomen (bewijsmiddelen 140-10).

Afnemers

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat in het bijzonder [verdachte 1] en [betrokkene 8] contact onderhielden met afnemers van auto’s. In een aantal gevallen was zelfs sprake van bestellingen. Contactpersonen zijn onder anderen [betrokkene 3], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] (bewijsmiddelen 140-11).

Conclusie over inhoud contact

In het licht van al het voorgaande kunnen de gesprekken die de verdachte met [verdachte 1] heeft gehad (over de inhoud waarvan hij weinig heeft willen verklaren) niet anders worden uitgelegd dan als betrekking hebbend op gestolen of te stelen auto’s. De gesprekken gaan onder meer over de overdracht van een auto aan een derde persoon en de aanmaak van een sleutel. In die processen heeft de verdachte een rol gehad bij de praktische uitvoering.

Deelneming aan een criminele organisatie?

Bij deze stand van zaken staat ter beantwoording de vraag of het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, ook het bewijs oplevert dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Naar het oordeel van het hof is daarvan sprake geweest. De organisatie heeft bestaan uit de personen: [verdachte 1], [betrokkene 1], [betrokkene 8], [betrokkene 7], [betrokkene 2], [betrokkene 9], [verdachte 3], [verdachte 2] en de verdachte.

Structuur en duurzaamheid

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat een zekere structuur en duurzaamheid hebben bestaan. Die structuur komt tot uitdrukking in de relaties die diverse personen met [verdachte 1] hebben gehad waarbij uiteenlopende aspecten van voertuigcriminaliteit de telkens terugkerende onderwerpen van gesprek waren. Daarnaast is voldoende duidelijk sprake geweest van een “binnenkant” en een “buitenkant” van de organisatie. Wat de “binnenkant” betreft overweegt het hof dat er een vast omlijnde groep van ongeveer tien personen is geweest. Zij pleegden in wisselende samenstelling diefstallen en hadden op regelmatige basis onderling contact. Ze stonden allen in verbinding met [verdachte 1]. In meer of mindere mate hadden zij ook onderling contact. Bovendien zijn diverse opdrachtgevers respectievelijk afnemers aan te wijzen. Zij vormden tezamen de relevante omgeving van de organisatie waarmee individuele deelnemers relaties onderhielden (de “buitenkant”). Het is overigens niet in alle gevallen mogelijk gebleken de identiteit van de betrokken afnemers te achterhalen.

Er mag van worden uitgegaan dat niet alle deelnemers elkaar kenden, maar dat is een eis die in de rechtspraak niet wordt gesteld aan het bewijs. In elk geval kan uit de inhoud van de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken worden opgemaakt dat de betrokkenen elkaar regelmatig benaderden met de vraag om hulp, bemiddeling of verstrekking van een stuk gereedschap.

Betekenis komt in dit verband ook toe aan een gezamenlijk gebezigd jargon. Kennelijk met de bedoeling zich op versluierende wijze uit te drukken hanteerden de betrokkenen enigszins gecodeerde aanduidingen voor automerken en -types (bempie, een zes, een vijf) en voor kentekenplaten (een gele).

De loods aan de [straatnaam loods] in Rotterdam vormde eveneens een structurerend element. De beschikbaarheid van deze locatie heeft bijgedragen aan de structuur van de organisatie als geheel.

De duurzaamheid is met het voorgaande gegeven. Gedurende een periode van aanzienlijke duur zijn de diefstallen van dure auto’s uitgevoerd en heeft telecommunicatie tussen betrokkenen plaatsgevonden. De verdachte komt gespreid over die gehele periode als pleger van misdrijven waarop de organisatie het oog had dan wel als deelnemer aan gesprekken met een criminele intentie in de bewijsvoering naar voren.

Oogmerk van de organisatie

Het oogmerk van de organisatie is onmiskenbaar voertuigcriminaliteit in de brede zin van het woord geweest. De deelnemers hadden een gemeenschappelijke oriëntatie. Deze blijkt uit de door [verdachte 1], [verdachte 3], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [verdachte 2] gepleegde misdrijven en uit de heling van auto’s waaraan de verdachte zich met [verdachte 1] schuldig heeft gemaakt. In de woningen waar deze personen woonden of verbleven en in woningen van enkele andere deelnemers zijn voorwerpen aangetroffen die geschikt of bestemd zijn voor autodiefstallen en daarmee verband houdende activiteiten. Bedoeld oogmerk blijkt ook uit de inhoud van de voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken.

De verdachte als deelnemer

Tot slot de deelneming door de verdachte aan de organisatie. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als aan twee vereisten is voldaan:

1) de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband; en

2) de verdachte heeft een aandeel in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk.

Het hof is van oordeel dat de bijdrage van de verdachte voldoende substantieel is geweest om deze aan te merken als deelneming in de zin van artikel 140 Sr. Gespreid over de laatste maand van 2014 en de maand januari van 2015 heeft de verdachte tezamen en in vereniging met [verdachte 1], een persoon die met een sleutelrol deel heeft uitgemaakt van het samenwerkingsverband, enkele gestolen auto’s geheeld. In de periode daaraan voorafgaand, en wel vanaf september 2014, is de verdachte met regelmaat gesprekspartner van [verdachte 1] geweest, onder meer in het kader van het beheer van de loods van de organisatie en rondom diefstallen van auto’s en de verkoop van die auto’s. In dat verband blijkt de verdachte in praktische zin een rol van betekenis te hebben vervuld, welke op zijn minst als ondersteunend kan worden gekwalificeerd. Over de precieze inhoud daarvan heeft hij niet willen verklaren, maar dat doet in het geheel niet af aan de bewijswaarde en bewijskracht die aan de tapgesprekken kunnen worden toegekend.

Het hof acht bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Daartoe zijn, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, redengevend de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen die betrekking hebben op de ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie en de bewijsmiddelen die betrekking hebben op feit 2.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij in de periode van 15 juli 2014 tot en met 16 maart 2015 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het plegen van gekwalificeerde diefstallen en

- het plegen van opzetheling en

- valsheid in geschrift;

2
hij op tijdstippen in de periode van 11 december 2014 tot en met 22 januari 2015, in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander auto's, te weten:

- een Audi (type A6, oorspronkelijk kenteken [kenteken Audi A6] en vals kenteken [vals kenteken Audi A6 1]), en

- een BMW (type X6, kenteken [kenteken BMW X6 1]),

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto's telkens wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 eerste cumulatief/alternatief (autodiefstallen) en tweede cumulatief/alternatief – voor zover het betreft heling van de auto met het kenteken [kenteken BMW 525D] – en onder 3 – voor zover het betreft de kentekenplaat met daarop het kenteken [vals kenteken Audi A6 2] – is ten laste gelegd. Daarnaast heeft de rechtbank hem ter zake van het onder 1, het onder 2 tweede cumulatief/alternatief – voor het overige –, het onder 3 – voor het overige – en het onder 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden en 4 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De bijzondere voorwaarden luidden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, waartoe hij zich dient te (blijven) melden bij de reclassering zo lang en zo frequent als deze instelling dit nodig acht, dat de verdachte dient mee te werken aan een intake bij I-Psy, De Waag, Het Dok of een soortgelijke instelling en dient mee te werken aan de daaruit voortvloeiende behandeling, waarbij hij zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling worden gegeven, en dat de verdachte dient mee te werken aan ambulante woonbegeleiding die hem wordt gegeven door de Stichting Mozaïek of Stichting Jan Arends of een soortgelijke instelling, waarbij hij zich dient te houden aan de afspraken met betrekking tot het regelen van zijn financiële en praktische zaken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich twee maal schuldig gemaakt aan heling van een gestolen auto.

Ten laste van de verdachte is ook de deelneming aan een criminele organisatie bewezen verklaard. De deelnemers aan de organisatie hielden zich bezig met autodiefstallen. Na de ontvreemding dienden de weggenomen auto’s te worden voorzien van valse kentekenplaten, moesten sleutels worden aangemaakt en werden er prijzen doorgegeven. Uit de bewijsmiddelen met betrekking tot diverse gestolen auto’s blijkt dat dit in korte tijd gebeurde. Binnen enkele dagen waren de auto’s veelal

voorzien van valse kentekenplaten en werd er onderhandeld met een klant over de prijs.

De verdachte heeft telefonisch contact onderhouden met [verdachte 1], die een sleutelrol in die organisatie speelde. De gesprekken stonden blijkens hun inhoud telkens in het teken van de kernactiviteiten van de organisatie.

Het georganiseerde verband waarin de verdachte als schakel heeft geopereerd heeft als zodanig een entiteit gevormd die ontregelend is geweest voor het maatschappelijk en economisch leven.

De verdachte heeft zich gedurende het opsporingsonderzoek en tijdens de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg overwegend op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte alleen verschenen om gebruik te maken van het recht op het laatste woord.

Met deze proceshouding heeft de verdachte geen blijk gegeven van enig inzicht in de ernst van de door hem gepleegde feiten.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 juni 2018 blijkt dat hij meermalen door de strafrechter onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder heling van een auto. Tijdens het plegen van de thans bewezen geachte feiten liep de verdachte nog in een proeftijd, bepaald bij een eerdere veroordeling wegens opzetheling en joyriding.

Met de op te leggen straf beoogt het hof allereerst tot uitdrukking te brengen dat de bijdrage die de verdachte heeft geleverd aan de instandhouding van diefstallen van auto’s, wordt vergolden. Daarbij betrekt het hof de brutaliteit en het raffinement waarmee de diefstallen door deelnemers aan de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen, zijn gepleegd. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de inhoud van de voor het bewijs gebruikte telefoongesprekken waaraan de verdachte heeft deelgenomen en waaruit blijkt dat de verdachte een rol heeft gehad bij de aanmaak van valse sleutels. Ook heeft hij een belangrijke rol gespeeld bij de verkoop van een gestolen auto. In samenhang daarmee heeft de op te leggen straf tot doel om de verdachte ervan te weerhouden om op de door hem ingeslagen weg door te gaan. Daarnaast dient de straf in het algemeen een signaal te zijn dat het stelen en helen van auto’s en het participeren in een organisatie gericht op het verhandelen van gestolen auto’s tot een stevige reactie van de strafrechter leiden.

Al het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten en aan de persoon van de verdachte.

Voor het door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke strafdeel acht het hof geen grond aanwezig. De proceshouding van de verdachte houdt, zoals uit het voorgaande mag blijken, geen enkele uitnodiging aan de rechter in om een voorwaardelijk strafdeel te overwegen, waarbij het hof overweegt dat de verdachte – als eerder overwogen – al in een proeftijd liep, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden weer strafbare feiten te plegen.

Dat houdt voorts in dat met de omstandigheden die door de raadsman naar voren zijn gebracht niet in strafmatigende zin rekening kan worden gehouden.

Het hof is van oordeel dat als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden dient te gelden. Er is echter, gezien de vonnisdatum 11 maart 2016, sprake van enige overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in de hoger-beroepsfase. Uitgaand van de maatstaf van 24 maanden voor de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is, nu het hof op 3 augustus 2018 arrest wijst, sprake van een overschrijding van ruim viereneenhalve maand. Dit rechtvaardigt toepassing van enige strafvermindering.

Dit resulteert in oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en 2 weken met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.

In beslag genomen voorwerpen

Verbeurdverklaring

Het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard:

nr. 19: knipsleutel LE005A.02.01.001.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting is onvoldoende zekerheid verkregen omtrent de rechtsverhouding van de verdachte tot het onderstaande in beslag genomen voorwerp, op grond waarvan noch de verzochte noch de gevorderde beslagbeslissing in de rede ligt. Het hof zal daarom de bewaring van het in beslag genomen voorwerp gelasten ten behoeve van de rechthebbende:

nr. 34: autosleutel Nissan LE005A.09.01.005.

Teruggave aan de verdachte

De na te melden in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, dienen aan de verdachte te worden teruggegeven:

nr. 1: afstandsbediening LE005A.01.01.003

nr. 5: sleutelbos LE005A.01.01.004

nr. 6: gsm zaktelefoon LE005A.01.02.001

nr. 8: mobiele telefoon LE005A.01.03.001

nr. 9: simkaart van zaktelefoon LE005A.01.03.002

nr. 10: mobiele telefoon LE005A.01.04.001

nr. 16: sleutel LE005A.01.04.007.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 63, 140 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief – voor zover het betreft de auto met het kenteken [kenteken BMW 525D] – en het onder 3 – voor zover het betreft de kentekenplaat met daarop het kenteken [vals kenteken Audi A6 2] – ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden en 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

nr. 19: knipsleutel LE005A.02.01.001.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

nr. 1: afstandsbediening LE005A.01.01.003

nr. 5: sleutelbos LE005A.01.01.004

nr. 6: gsm zaktelefoon LE005A.01.02.001

nr. 8: mobiele telefoon LE005A.01.03.001

nr. 9: simkaart van zaktelefoon LE005A.01.03.002

nr. 10: mobiele telefoon LE005A.01.04.001

nr. 16: sleutel LE005A.01.04.007.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

nr. 34: autosleutel Nissan LE005A.09.01.005.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. E. Mijnsberge en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 augustus 2018.