Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2725

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
23-001172-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Megazaak Tear. Diefstallen van auto’s. Overwegingen over de waardering van herkenning van personen. Overwegingen over structurerende elementen van een criminele organisatie en over deelneming aan een criminele organisatie. Strafmotivering, onder meer over opwaartse afwijking ten opzichte van de eis van de advocaat-generaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001172-16

datum uitspraak: 3 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-997029-15 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open.

Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9, 11, 12, 13 en 20 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2014 tot en met 16 maart 2015 te Rotterdam en/of/althans (elders) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en/of één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en/of

- het plegen van opzetheling en/of schuldheling (artikel 416 en/of 417bis Wetboek van Strafrecht) en/of

- ( een gewoonte maken van) het plegen van witwassen (artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht) en/of

- valsheid in geschrift en/of gebruik maken van een vals of vervalst geschrift (te weten het vals opmaken en/of vervalsen van kentekenplaten en/of het aanbrengen van valse en/of vervalste kentekenplaten op een motorvoertuig (artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht), en/of

- overtreding van art. 41 lid 1, aanhef en onder c en/of d Wegenverkeerswet 1994;

2
hij op of omstreeks 4 juli 2014 te Huizen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Volkswagen (type Golf, kenteken [kenteken Volkswagen Golf]), geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar Volkswagen Golf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels;

3
3.

Primair:
hij op of omstreeks 14 oktober 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Range Rover (type Evoque, kenteken [kenteken Range Rover Evoque 1]), geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar Range Rover Evoque 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels;

Subsidiair:
K.W. [betrokkene 1] op of omstreeks 14 oktober 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Range Rover (type Evoque, kenteken [kenteken Range Rover Evoque 1]), geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar Range Rover Evoque 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [betrokkene 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die [betrokkene 1] en/of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels,

tot en of bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door daartoe (in een auto) met die [betrokkene 1] naar de plaats van het misdrijf te rijden/gaan, en/of zich op/nabij de plaats van het misdrijf gereed te houden om de/een (mede) bij die [betrokkene 1] in gebruik zijnde auto (waarmee hij/zij gekomen was/waren) weg te rijden;

4.

Primair:
hij op of omstreeks 21 oktober 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Range Rover (type Evoque, kenteken [kenteken Range Rover Evoque 2]), geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar Range Rover Evoque 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels;

Subsidiair:
[betrokkene 1] op of omstreeks 21 oktober 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Range Rover (type Evoque, kenteken [kenteken Range Rover Evoque 2]), geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar Range Rover Evoque 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [betrokkene 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die [betrokkene 1] en/of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels,

tot en of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 21 oktober 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door daartoe (in een auto) met die [betrokkene 1] naar de plaats van het misdrijf te rijden/gaan, en/of zich op/nabij de plaats van het misdrijf gereed te houden om de/een (mede) bij die [betrokkene 1] in gebruik zijnde auto (waarmee hij/zij gekomen was/waren) weg te rijden;

5.

Primair:
hij op of omstreeks 7 februari 2015 te Hoofddorp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, merk BMW (type X5, kenteken [kenteken BMW X5]), geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar BMW X5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels;


Subsidiair:
[verdachte 1] op of omstreeks 7 februari 2015 te Hoofddorp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, merk BMW (type X6, kenteken [kenteken BMW X5]), geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar BMW X5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [verdachte 1] en/of zijn mededader(s) en/of verdachte, waarbij die [verdachte 1] en/of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels,

tot en of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 7 februari 2015 te Hoofddorp, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door daartoe (in een auto) met die [verdachte 1] en/of diens mededader(s) naar de plaats van het misdrijf te rijden/gaan, en/of zich op/nabij de plaats van het misdrijf gereed te houden om de/een (mede) bij die [verdachte 1] in gebruik zijnde auto (waarmee hij/zij gekomen was/waren) weg te rijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Diefstal Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken Volkswagen Golf] (feit 2)

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor dit feit wordt veroordeeld, en daarbij aangegeven dat aan de herkenning van verdachte op de camerabeelden niet hoeft te worden getwijfeld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van dit feit wordt vrijgesproken en daartoe het volgende aangevoerd. De herkenningen door de verbalisanten zijn onbetrouwbaar, althans de betrouwbaarheid kan niet worden vastgesteld. In dat verband heeft de raadsman opgemerkt dat verbalisant [verbalisant 1] de verdachte heeft herkend enkel aan de hand van een politiefoto, terwijl hij wist dat de verdachte als verdachte in deze zaak werd aangemerkt. Hij is met een zekere verwachting naar de onduidelijke beelden, waarop gelaatstrekken van de als verdachte herkende persoon NN1 niet kunnen worden onderscheiden, gaan kijken. De andere drie verbalisanten hebben de beelden gezamenlijk bekeken en zijn gezamenlijk tot de conclusie gekomen. Deze methode kan bezwaarlijk leiden tot een voldoende betrouwbare uitkomst, omdat niet kan worden uitgesloten dat sprake is geweest van enige vorm van onderlinge beïnvloeding. Dit blijkt onder meer uit het gebruik van dezelfde bewoordingen, maar ook ten aanzien van de door alle drie genoemde manier van lopen en het postuur. Door de verbalisanten genoemde afwijkende manier van lopen met betrekking tot de verdachte is niet op de beelden vast te stellen en overigens niet nader gemotiveerd. Verder herkennen de verbalisanten de verdachte aan zijn kleding (waarbij zij alleen het sweatshirt noemen) terwijl (zo begrijpt het hof de raadsman) de kleur en de aard van de (boven)kleding die NN1 draagt, niet kan worden vastgesteld. De raadsman concludeert dat de verbalisanten niet aangeven op basis van welke specifieke, onderscheidende persoonskenmerken zij tot de herkenning komen. Voorts zijn de verbalisanten met de verkeerde veronderstelling vooraf dat zij mogelijk de verdachte zouden zien, op de beelden gaan kijken wie van de op de beelden voorkomende persoon de meeste raakvlakken met de verdachte had. Deze methode kan niet tot onvoldoende valide herkenning leiden. Voorts ontbreekt ieder steunbewijs.

Oordeel van het hof

In de onderhavige zaak zijn beeldopnames gemaakt van de diefstal van de betreffende auto. Bij de beoordeling van de vraag naar de betrokkenheid van de verdachte bij deze diefstal zijn de herkenningen door verbalisanten gedaan op basis van dit beeldmateriaal van cruciaal belang.

Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat de bepaling van de waarde en betekenis ervan in een brede context plaatsvindt. Dit is inherent aan het karakter van een herkenning. Het gaat daarbij immers om een niet – althans niet volledig – rationeel proces dat zich slechts door reconstructie achteraf laat ontleden en verantwoorden.

Het hof zoekt voor wat betreft het begrip ‘herkennen’ aansluiting bij de in een vakbijlage van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) gegeven omschrijving van dit begrip. In de NFI-vakbijlage ‘Algemene onderzoeksmethoden vergelijking van gezichtsbeelden’ is het volgende opgenomen over ‘herkennen’:

“Herkenning vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld. Gezichtsherkenning van bekende mensen, zoals dat in het dagelijks leven door iedereen plaatsvindt, is een relatief snel en trefzeker ‘holistisch’ proces. De beoordeling vindt snel plaats, door (onbewust) allerlei aspecten af te wegen. De uitkomst van dit proces leidt tot de categorische, stellige uitkomst dat er wel of niet sprake is van herkenning, waarbij de beoordelaar vaak niet expliciet kan uitleggen waarom hij of zij een bepaalde conclusie trekt. (…) Herkenning van personen vindt niet alleen op basis van gezicht plaats, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, handen, lengte, postuur, kleding en manier van lopen en andere, soms onbewuste, voorinformatie zoals de locatie waar een persoon is gezien”.

Op basis van deze begripsomschrijving kan worden geconcludeerd dat verschillende elementen een rol spelen bij een herkenning, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon of waargenomen personen. Hoe meer men van de betrokken persoon of personen een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde kennis waardevoller is, als deze is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is.

Daarnaast kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een herkenning die steun vindt in andere – meer objectieve – bewijsmiddelen, aan waarde wint.

Samengevat betekent dit dat de bewijswaarde en de bewijskracht van de herkenningen in het licht van hun totstandkoming en in samenhang bezien met het overige beschikbare bewijs dienen te worden beoordeeld.

Tegen deze achtergrond acht het hof, anders dan de raadsman heeft bepleit, de herkenning van de verdachte en zijn medeverdachten door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] betrouwbaar en zal het deze herkenning bezigen tot het bewijs. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Na het bekijken van de beelden ter terechtzitting en de stills in het dossier is het hof van oordeel dat deze beelden voldoende duidelijk zijn om enkele uiterlijke kenmerken van de betreffende drie personen in samenhang te kunnen waarnemen.

Uit het dossier blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] voorafgaand aan het door hen (al dan niet voor de tweede keer) bekijken van de beelden van de diefstal, één of meer van de verdachten in deze zaak hebben gezien en gesproken.

Zo heeft verbalisant [verbalisant 1] samen met verbalisant [verbalisant 3] op 17 maart 2015 en 18 maart 2015 [betrokkene 1] verhoord. De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] hebben op 6 mei 2015 en 3 juni 2015 [verdachte 3] verhoord, en op 25 november 2015 en 26 november 2015 de verdachte.

Verbalisant [verbalisant 4] had op 21 oktober 2014 een ontmoeting gehad met de verdachte en [betrokkene 1], ten tijde van het wegnemen van de Landrover, type Range Rover Evoque, met het kenteken [kenteken Range Rover Evoque 2] (het hierna te bespreken feit 4).

Toen de verbalisanten dus (al dan niet opnieuw) naar de beelden keken, hadden zij derhalve al daadwerkelijk een of meer ontmoetingen gehad met een of meer van de betreffende verdachten.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat hij de verdachte heeft herkend aan zijn uiterlijk, kleding en manier van lopen. Verbalisant [verbalisant 3] herkende de verdachte aan zijn manier van lopen, kleding en postuur en verbalisant [verbalisant 4] herkende de verdachte aan zijn manier van lopen, uiterlijk en kleding. Voorts heeft verbalisant [verbalisant 1] [betrokkene 1] herkend naar aanleiding van observaties.

Gelet op hetgeen zojuist is opgemerkt ten aanzien van de ontmoetingen van de verbalisanten met één of meer van de verdachten, acht het hof hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de herkenning onvoldoende om aan de betrouwbaarheid van de herkenning te twijfelen. Daarbij komt dat de herkenning door de drie verbalisanten ondersteund wordt door de volgende omstandigheden.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft geconstateerd dat op de beelden te zien is dat [betrokkene 1] en [verdachte 3] een trainingsbroek respectievelijk trainingspak dragen, die respectievelijk dat sterke overeenkomsten vertoont met de trainingsbroek respectievelijk het trainingspak dat bij de doorzoekingen in hun woningen is aangetroffen.

Voorts blijkt uit het dossier dat [betrokkene 1] en [verdachte 3] op 21 april 2014 betrokken zijn geweest bij de diefstal van een BMW en dat (zoals hierna zal blijken) [betrokkene 1] en de verdachte op 14 oktober 2014 en 21 oktober 2014 betrokken zijn geweest bij de diefstal van twee Range Rovers. Bovendien volgt uit het dossier dat [betrokkene 1] en de verdachte meermalen telefonisch contact met elkaar hebben gehad, waarbij het kennelijk over een auto en (het maken door de verdachte van) kentekenplaten ging (zie eerste aanvulling zaak dossier criminele organisatie, pagina 14, gesprek 13 oktober 2014, 19:23 uur en pagina 15, gesprek 16 oktober 2014, 16:05 uur).

Het hof trekt uit het voorgaande de conclusie dat de verdachte in ieder geval [betrokkene 1] kende, dat [betrokkene 1] en [verdachte 3] elkaar kenden en dat de wederzijdse relaties (mede) een crimineel karakter hadden.

Tenslotte is tijdens een doorzoeking op het adres [straatnaam verblijfadres betrokkene 1]in Capelle aan de IJssel (het verblijfadres van [betrokkene 1]) een huurcontract in beslag genomen met betrekking tot een Volkswagen Golf, kenteken [kenteken gehuurde Volkswagen Golf]. Dit contract stond op naam van de partner van de moeder van [betrokkene 1], en vermeldt als adres: [straatnaam en postcode adres betrokkene 1] Rotterdam, het BRP-adres van [betrokkene 1]. De in Huizen ontvreemde Volkswagen Golf is in Amsterdam teruggevonden, voorzien van valse kentekenplaten met daarop het kenteken van deze gehuurde Golf. Dit vormt een krachtige aanwijzing voor de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de diefstal. Gelet op de overige gebleken relaties tussen [verdachte 3], de verdachte en [betrokkene 1] draagt dit tevens bij aan de kwaliteit van de herkenning van de drie personen in de garage in Huizen.

Het enkele feit dat de verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] in hun nadere onderbouwing van de herkenning gelijkluidende aanduidingen hanteren voor hun aanknopingspunten voor herkenning zoals de manier van lopen, het uiterlijk en de kleding, houdt op zich niet in dat sprake is geweest van wederzijdse beïnvloeding. Dit is te minder aannemelijk, nu verbalisant [verbalisant 2] de enige verbalisant is die zowel de verdachte als [betrokkene 1] en [verdachte 3] herkent, terwijl verbalisant [verbalisant 3] alleen de verdachte en [verdachte 3] herkent en verbalisant [verbalisant 4] enkel de verdachte herkent.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsman verworpen.

Diefstal Range Rover, type Evoque, kenteken [kenteken Range Rover Evoque 1] (feit 3)

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van dit feit wordt veroordeeld. Als gekeken wordt naar feit 4, welk feit de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend te hebben gepleegd, is sprake van een overeenkomende modus operandi. Bij beide feiten is gebruikgemaakt van door [betrokkene 1] verhuurde (het hof begrijpt gehuurde) Smart Forfour, die op enig moment door de verdachte wordt bestuurd. Verder zijn er tapgesprekken tussen [betrokkene 1] en de verdachte, en stralen hun telefoons in beide gevallen een zendmast in de buurt van het delict aan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van dit feit wordt vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De door de rechtbank genoemde modus operandi, die opvallende overeenkomsten zou vertonen met de modus operandi met betrekking tot de door de verdachte bekende diefstal op 21 oktober 2014, wijst niet op betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal op 14 oktober 2014. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is geweest van een ontmoeting tussen [betrokkene 1] en de verdachte. De door de rechtbank voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken leveren geen bewijs op dat verdachte de auto gestolen heeft. Het enkele feit dat de telefoon van de verdachte een zendmast heeft aangestraald in de directe omgeving van de plaats-delict, is onvoldoende bewijs dat de verdachte in de Smart Forfour heeft gereden ten tijde van het delict. Nu in het dossier minst genomen nog een persoon voorkomt die ook, net als de verdachte, "de kale" wordt genoemd, blijkt niet dwingend dat in de in meerdere telefoongesprekken met "de kale" aangeduide persoon niemand anders dan de verdachte kan zijn.

Oordeel van het hof

Blijkens de voor de bewezenverklaring van feit 4 gebezigde bewijsmiddelen, welk feit de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend, heeft de verdachte op 21 oktober 2014 samen met [betrokkene 1] op een parkeerterrein aan de Beethovenstraat in Amsterdam een Landrover Range Rover Evoque (hierna te noemen: Landrover) weggenomen. Na de diefstal wordt gezien dat de verdachte achter [betrokkene 1] aan rijdt in een door [betrokkene 1] gehuurde Smart Forfour, met kenteken [kenteken gehuurde Smart Forfour]. Beide auto's zijn eerst naar het parkeerterrein van het Mercure Hotel in Amsterdam gereden, en vervolgens naar de parkeergarage van het Steigenberger Airport hotel Amsterdam. Korte tijd later rijdt [betrokkene 1] de weggenomen auto weer naar het parkeerterrein van het Mercure Hotel, Oude Haagseweg 20, Amsterdam alwaar de auto geparkeerd wordt. [betrokkene 1] wordt even later op het terrein van een BP-tankstation door de verdachte in de Smart Forfour opgepikt.

Uit de voor de bewezenverklaring van feit 3 gebezigde bewijsmiddelen komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren.

Op 13 oktober 2014 omstreeks 19:23 uur bellen [betrokkene 1] en de verdachte met elkaar. Zij spreken kennelijk over het regelen van auto's, waarbij [betrokkene 1] opmerkt dat hij een "drie dingetje" voor een Afrikaan had, met hard dak, waarop verdachte zegt: “Die hadden we toch zelf kunnen doen?”. [betrokkene 1] zegt vervolgens dat zij die ook kunnen doen. De verdachte en [betrokkene 1] spreken daarop voor de dag erna af. [betrokkene 1] zal om 9:30 uur bij de verdachte zijn. [betrokkene 1] geeft aan dat zij dan "even snel tempo doen, want ik heb een hele lijst". Op 14 oktober 2014 omstreeks 8:45 uur belt [betrokkene 1] met de verdachte en zegt hij dat hij onderweg is en er over drie kwartier is. De verdachte geeft aan dat [betrokkene 1] moet bellen als hij een kwartier "hier" vandaan is, dan gaat de verdachte douchen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij die ochtend een afspraak met [betrokkene 1] had.

Op 14 oktober 2014 is volgens de aangifte tussen 11:15 uur en 14:00 uur een Landrover, kleur zwart, bouwjaar 2013, weggenomen. De auto stond geparkeerd in de parkeergarage aan de Gustav Mahlerlaan in Amsterdam.

Op de camerabeelden van de parkeergarage waar de Landrover is weggenomen is te zien:

11:17 uur: een grijze Smart Forfour rijdt de garage binnen;

1126 uur: een zwarte Landrover (het hof begrijpt: de later weggenomen auto) rijdt de parkeergarage binnen op -1 langs de betaalautomaat;

1133 uur: de Smart Forfour rijdt naar boven richting uitgang en rijdt vlak daarna langs de betaalautomaat;

11:34/11:35 uur: [betrokkene 1] komt aanlopen uit de richting waar de Smart Forfour naar toe reed en houdt zich even op bij de betaalautomaat;

11:39 uur: de Smart Forfour en de zwarte Landrover rijden achter elkaar de garage uit;

12:47 uur: een grijze Smart Forfour met kenteken [kenteken gehuurde Smart Forfour] komt aan bij de slagboom van Hotel Mercure. Daarachter rijdt de weggenomen Landrover, bestuurd door [betrokkene 1]. Gelet op het feit dat deze grijze Smart Forfour samen met de weggenomen Landrover bij het parkeerterrein aankomt, gaat het hof ervan uit dat het hier om dezelfde Smart Forfour gaat die om 11:39 de parkeergarage waar de Landrover is gestolen heeft verlaten;

12:47 uur: [betrokkene 1] trekt een kaartje;

12:52 uur: de Smart Forfour verlaat het parkeerterrein van het Mercure Hotel.

Het telefoonnummer [telefoonnummer *4177], in gebruik bij de verdachte, straalt om 12:06 uur, 12:08 uur, 12:09 uur en 12:10 uur aan op zendmasten nabij de garage waar de Landrover is gestolen. Wanneer de Smart Forfour samen met de weggenomen auto omstreeks 12:47 uur het parkeerterrein van het Mercure Hotel oprijdt, straalt het toestel met nummer [telefoonnummer *4177] omstreeks 12:48 uur aan op de zendmast Sloterweg 1043 te Amsterdam, nabij het Mercure-Hotel. Om 12:56 en 12:57 uur straalt het nummer [telefoonnummer *4177] zendmasten aan in de nabijheid van de woning van de verdachte.

Omstreeks 12:43 uur belt [betrokkene 1] met een onbekende man (gebruiker 2690). [betrokkene 1] vraagt of hij ze gezien heeft, en de onbekende gaat het nu bekijken. [betrokkene 1] zegt dat hij zijn best heeft gedaan voor hem, het is een kleine, automaat, benzine, 2013, en 40.000 op de teller. De onbekende moet het vandaag onmiddellijk ophalen. Het is de kleine, de Evoque, aldus [betrokkene 1]. Uit een onderzoek dat later aan de inmiddels in beslag genomen Landrover is verricht, is gebleken dat de afgelezen kilometerstand 40.643 was.

Uit al het voorgaande volgt dat de diefstal van de Landrover op 21 oktober 2014 opmerkelijke overeenkomsten vertoont met de diefstal van eenzelfde soort Landrover op 14 oktober 2014. In beide gevallen is [betrokkene 1] degene die de auto wegneemt, en treedt dezelfde Smart Forfour op als volgauto. De gestolen auto wordt beide keren veiliggesteld op de parkeerplaats van hetzelfde Mercure Hotel in Amsterdam, waar vandaan enkel de Smart Forfour weer vertrekt. Nu de verdachte degene is geweest die de Smart Forfour op 21 oktober 2014 heeft bestuurd, hij de ochtend van 14 oktober 2014 een afspraak had met [betrokkene 1], de door hem gebruikte telefoon die dag rond het tijdstip van de diefstal zendmasten aanstraalt vlakbij de garage waar de auto is gestolen en zijn telefoon later een zendmast aanstraalt ter hoogte van het parkeerterrein van het Mercure Hotel waar de auto naartoe wordt gebracht, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die ook op 14 oktober 2014 de Smart Forfour heeft bestuurd, en gelet op de nauwe samenwerking met [betrokkene 1], zoals die blijkt uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, de diefstal van ook deze Landrover heeft medegepleegd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [betrokkene 1] niet is komen opdagen en heeft het daarbij gelaten. Verdere vragen over de gang van zaken die ochtend, daaronder begrepen de voor hem belastende bewegingen van zijn telefoon, heeft hij niet willen beantwoorden.

Gelet op het voorgaande worden de verweren van de raadsman verworpen.

Diefstal door middel van valse sleutels

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.

De auto’s ten aanzien waarvan de diefstal bewezen is verklaard, zijn telkens weggenomen zonder dat is gebleken van braak. Uit de aangiften van de gedupeerden volgt dat de auto’s steeds deugdelijk waren afgesloten.

Bij de doorzoekingen van de woningen van [verdachte 1], [verdachte 3] en de verdachte zijn diverse voorwerpen aangetroffen, gerelateerd aan voertuigcriminaliteit, meer in het bijzonder autodiefstal.

In de woning van [verdachte 1] in Rotterdam is een ‘key cutter’ gevonden. Met een ‘key cutter’ kunnen (blanco) autosleutels worden ‘geknipt’, zodat nieuwe – niet-originele – (auto)sleutels kunnen worden gefabriceerd. In de woning van [verdachte 1] zijn (blanco) autosleutels, onder meer van het type HU66, gevonden. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek aan de in beslag genomen goederen volgt dat door middel van de ‘key cutter’ blanco HU66-sleutels geknipt kunnen worden tot een niet-originele sleutel voor voertuigen van de VAG-groep (producent van de merken Volkswagen, Audi, Seat en Skoda). Naast de ‘key cutter’ is een ‘PLCC-extractor’ aangetroffen; hiermee kunnen elektronische chips worden losgekoppeld van een (elektronische) module. Op het verblijfadres van [verdachte 1] te Zwijndrecht is een ‘turbodecoder’ aangetroffen. Met de aangetroffen ‘turbodecoder’ kunnen nagenoeg alle BMW’s (tot bouwjaar 2013) en Range Rover voertuigen worden geopend. Zowel van de ‘key cutter’ en de ‘turbodecoder’ is het de verbalisant ambtshalve bekend dat deze plegen te worden gebruikt bij voertuigcriminaliteit, zoals de diefstal van een voertuig.

In de woning van [verdachte 3] is een ‘keyreader HU66’ gevonden. Met deze ‘keyreader’ HU66’ kan, zo volgt uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek aan de in beslag genomen goederen, een slot van een auto van de VAG-groep worden gedecodeerd, waarna met de uitgelezen code een sleutel kan worden nagemaakt. Verder zijn in de woning van [verdachte 3] een ‘lockpick’ en een ‘turbodecoder/slotentrekker’ aangetroffen. Met beide voorwerpen kunnen sloten worden geopend zonder gebruikmaking van een sleutel.

In de woning van de verdachte is een ‘HU92-multipickgereedschap’ aangetroffen. Met dit ‘multipickgereedschap’ kunnen, zo volgt uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek aan de in beslag genomen goederen, nagenoeg alle BMW’s (tot bouwjaar 2013) en Range Rovers, uitgerust met een HU92-slot, geopend worden. Verder is in de woning van de verdachte een ‘slotentrekker’ aangetroffen, die gelijkend is op een slotentrekker voor voertuigen met slottypes HU66 (Volkswagen, Audi, Seat) en HU92.

Op grond van het samenstel van de aangetroffen goederen bij de hiervoor genoemde personen, die, zoals hierna nader zal worden overwogen, deel hebben uitgemaakt van een criminele organisatie waarin men zich bezighield met diefstal en heling van auto’s, en het feit dat de auto’s telkens zijn ontvreemd zonder dat uit de aangiftes met betrekking tot de weggenomen auto’s of uit de staat waarin de later teruggevonden auto’s verkeerden, blijkt van braaksporen bij de betreffende auto’s , leidt het hof af dat de verdachte en zijn mededaders in staat waren de auto’s met behulp van daartoe geschikte gebruiksvoorwerpen onder hun bereik te brengen en de motor te starten en dat zij dienovereenkomstig hebben gehandeld. Het hof komt op grond van deze feiten en omstandigheden dan ook tot de slotsom dat elke auto die ontvreemd is door de verdachte, al dan niet in samenwerking met één of meer van zijn mededaders, onder zijn dan wel hun bereik is gebracht door middel van valse sleutels. Dit betekent dat telkens sprake is geweest van diefstal door middel van valse sleutels.

Criminele organisatie

Door de verdachte gepleegde misdrijven

In het voorgaande heeft het hof de bewijslevering besproken ten aanzien van de feiten 2 tot en met 4. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat de verdachte de drie ten laste gelegde diefstallen van auto’s heeft medegepleegd. Zijn mededaders bij feit 2, gepleegd op 4 juli 2014 in Huizen, waren [betrokkene 1] en [verdachte 3]. De feiten 3 en 4, gepleegd op respectievelijk 14 en 21 oktober 2014 in Amsterdam, heeft de verdachte gepleegd met [betrokkene 1].

Contacten

De verdachte heeft met [betrokkene 1] telefonisch contact gehad in de periode 11 tot en met 20 oktober 2014. Dit is ongeveer dezelfde periode als die waarin de diefstallen in Amsterdam zijn gepleegd door de verdachte en [betrokkene 1]. Deze contacten hadden, zo blijkt uit de weergave van opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken, betrekking op te stelen dan wel gestolen auto’s. Daarbij moet in het midden blijven of het daarbij is gegaan over de gestolen Range Rovers of over andere auto’s. De relevante inhoud van deze gesprekken is opgenomen in de bewijsmiddelen onder nummer 140-1.

Daarnaast heeft de verdachte per telefoon contact gehad met [verdachte 1] in de periode 30 januari 2015 tot 16 maart 2015. Dit blijkt uit de weergave van de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken opgenomen in de bewijsmiddelen onder nummer 140-2.

Ook [verdachte 3] en [betrokkene 1], de mededaders van de bewezen verklaarde diefstallen stonden in contact met [verdachte 1]. De bewijsmiddelen houden wat betreft [verdachte 3] diverse telefoongesprekken in, gevoerd in de periode 19 januari tot en met 22 februari 2015. Dit blijkt uit de inhoud van bewijsmiddelen onder nummer 140-3. Tijdens een van de gesprekken komt de verdachte (‘de kale’) ook ter sprake als een persoon met een relevante bijdrage. De onderschepte gesprekken tussen [betrokkene 1] en [verdachte 1], zoals opgenomen in de bewijsmiddelen onder nummer 140-4, zijn gevoerd op 3 oktober en 5, 17 en 19 november 2014. Ook blijkt dat [betrokkene 1] over [verdachte 1] (‘Koelie’) spreekt met een onbekende derde, in de sleutel van autodiefstallen.

Rol en netwerk van [verdachte 1]

[verdachte 1] heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en heling van auto’s. Blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen 140-5 is hij op 25 september 2014 als bestuurder aangetroffen in een gestolen Volvo V50 en heeft hij op 6 november 2014 in Amsterdam tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] twee dure auto’s gestolen. [verdachte 1] heeft een auto gestolen in Düsseldorf op 20 of 21 januari 2015 en samen met [betrokkene 2] heeft [verdachte 1] op 16 september 2014 een BMW 520D gestolen in Zierikzee. Voorts heeft [verdachte 1], tezamen en in vereniging met onder anderen [verdachte 3] en [betrokkene 1] een BMW 3er Reihe gestolen in Ouddorp op 21 april 2014.

[verdachte 1] heeft veelvuldig telefonisch contact gehad met nog enkele andere personen die kennelijk betrokken waren bij diefstal en heling van auto’s. Daarbij gaat het in het bijzonder om [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 7] en [betrokkene 2]. Ook onderling hebben deze personen contact onderhouden. Een enkele keer geeft [verdachte 1] instructies aan onbekend gebleven personen. De relevante inhoud van deze gesprekken is opgenomen in de bewijsmiddelen onder nummer 140-6.

Ook [verdachte 4] is met grote regelmaat in contact geweest met [verdachte 1] en met enkele andere hiervoor genoemde personen. [verdachte 4] heeft verklaard over de samenwerking met [verdachte 1] tijdens het verhoor bij de politie op 7 mei 2015. De hierop betrekking hebbende bewijsmiddelen zijn opgenomen onder nummer 140-7. Gevraagd naar de afzet van gestolen auto’s heeft [verdachte 4] geantwoord dat er vraag is naar dure, snelle en luxe auto’s. Voorts heeft hij verklaard over het gebruik van jammers. Ook [betrokkene 9] heeft verklaard over de aanmaak van kentekenplaten, de verkoop van gestolen auto’s en over de positie van [verdachte 1] (bewijsmiddel 140-8).

Loods

[verdachte 4] trad bovendien op als huurder van een loods, gelegen aan de [straatnaam loods] in Rotterdam. Deze loods, door [verdachte 1], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [verdachte 4] ook wel aangeduid als de “basis”, is één van de verbindende elementen in de organisatie geweest. In de loods zijn op 25 november 2014 onderdelen van gestolen voertuigen aangetroffen. Voorts blijkt uit opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken dat op handen zijnde controles in de loods tot onrust onder [verdachte 4] en [verdachte 1] aanleiding geven (bewijsmiddel 140-9).

In beslag genomen voorwerpen

Bij vrijwel alle hiervoor genoemde personen zijn op 16 maart 2015 tijdens doorzoekingen van de woningen waarin zij verbleven, voorwerpen aangetroffen die in verband zijn gebracht met diefstal van auto’s en de vervaardiging van sleutels en valse kentekenplaten. In de woning van de verdachte heeft een doorzoeking plaatsgevonden op 14 april 2015. Daarbij is onder meer een slotentrekker aangetroffen en in beslag genomen (bewijsmiddelen 140-10).

Afnemers

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat in het bijzonder [verdachte 1] en [betrokkene 8] contact onderhielden met afnemers van auto’s. In een aantal gevallen was zelfs sprake van bestellingen. Contactpersonen zijn onder anderen [betrokkene 3], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] (bewijsmiddelen 140-11).

Conclusie over inhoud contact

In het licht van al het voorgaande kunnen de gesprekken die de verdachte met [verdachte 1] heeft gehad niet anders worden uitgelegd dan als betrekking hebbend op gestolen of te stelen auto’s. De gesprekken gaan onder meer over de overdracht van een auto aan een derde persoon en de aanmaak van kentekenplaten en van een sleutel. In die processen heeft de verdachte kennelijk een rol bij de praktische uitvoering. De verdachte heeft hierover zelf geen vragen van het hof willen beantwoorden, hetgeen met zich brengt dat geen enkele aanleiding bestaat om van de mogelijkheid van een andere, de verdachte ontlastende, uitleg van de inhoud van de telefoongesprekken uit te gaan.

Deelneming aan een criminele organisatie?

Bij deze stand van zaken staat ter beantwoording de vraag of het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, ook het bewijs oplevert dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Naar het oordeel van het hof is daarvan sprake geweest. De organisatie heeft bestaan uit de personen: [verdachte 1], [betrokkene 1], [betrokkene 8], [betrokkene 7], [betrokkene 2], [betrokkene 9], [verdachte 4], [verdachte 3] en de verdachte.

Structuur en duurzaamheid

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat een zekere structuur en duurzaamheid hebben bestaan. Die structuur komt tot uitdrukking in de relaties die diverse personen met [verdachte 1] hebben gehad waarbij uiteenlopende aspecten van voertuigcriminaliteit de telkens terugkerende onderwerpen van gesprek waren. Daarnaast is voldoende duidelijk sprake geweest van een “binnenkant” en een “buitenkant” van de organisatie. Wat de “binnenkant” betreft overweegt het hof dat er een vast omlijnde groep van ongeveer tien personen is geweest. Zij pleegden in wisselende samenstelling diefstallen en hadden op regelmatige basis onderling contact. Ze stonden allen in verbinding met [verdachte 1]. In meer of mindere mate hadden zij ook onderling contact. Bovendien zijn diverse opdrachtgevers respectievelijk afnemers aan te wijzen. Zij vormden tezamen de relevante omgeving van de organisatie waarmee individuele deelnemers relaties onderhielden (de “buitenkant”). Het is overigens niet in alle gevallen mogelijk gebleken de identiteit van de betrokken afnemers te achterhalen.

Er mag van worden uitgegaan dat niet alle deelnemers elkaar kenden, maar dat is een eis die in de rechtspraak niet wordt gesteld aan het bewijs. In elk geval kan uit de inhoud van de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken worden opgemaakt dat de betrokkenen elkaar regelmatig benaderden met de vraag om hulp, bemiddeling of verstrekking van een stuk gereedschap.

Betekenis komt in dit verband ook toe aan een gezamenlijk gebezigd jargon. Kennelijk met de bedoeling zich op versluierende wijze uit te drukken hanteerden de betrokkenen enigszins gecodeerde aanduidingen voor automerken en -types (bempie, een zes, een vijf) en voor kentekenplaten (een gele).

De loods aan de [straatnaam loods] in Rotterdam vormde eveneens een structurerend element. Weliswaar is de verdachte er nooit gezien en is hij er, volgens zijn eigen verklaring, zelfs nooit geweest, maar dit doet niet af aan de constatering dat de beschikbaarheid van deze locatie heeft bijgedragen aan de structuur van de organisatie als geheel.

De duurzaamheid is met het voorgaande gegeven. Gedurende een periode van aanzienlijke duur zijn de diefstallen van veelal dure auto’s uitgevoerd en heeft telecommunicatie tussen betrokkenen plaatsgevonden. De verdachte komt gespreid over die gehele periode als pleger van misdrijven waarop de organisatie het oog had dan wel als deelnemer aan gesprekken met een criminele intentie in de bewijsvoering naar voren.

Oogmerk van de organisatie

Het oogmerk van de organisatie is onmiskenbaar voertuigcriminaliteit in de brede zin van het woord geweest. De deelnemers hadden een gemeenschappelijke oriëntatie. Deze blijkt uit de door [verdachte 1], [verdachte 3], [betrokkene 1] en [verdachte] gepleegde misdrijven. In de woningen waar zij woonden of verbleven en in woningen van enkele andere deelnemers zijn voorwerpen aangetroffen die geschikt of bestemd zijn voor autodiefstallen en daarmee verband houdende activiteiten.

Bedoeld oogmerk blijkt ook uit de inhoud van de voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken.

De verdachte als deelnemer

Tot slot de deelneming door de verdachte aan de organisatie. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als aan twee vereisten is voldaan:

1) de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband; en

2) de verdachte heeft een aandeel in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de bijdrage van de verdachte voldoende substantieel is geweest om deze aan te merken als deelneming in de zin van artikel 140 Sr. Gespreid over de tweede helft van 2014 heeft de verdachte drie maal deelgenomen aan de diefstal van een auto tezamen met één of meer personen die ook deel uitmaakten van het samenwerkingsverband. Vervolgens is hij in het eerste kwartaal van 2015 met regelmaat gesprekspartner van [verdachte 1] die een sleutelrol vervult bij diefstallen van auto’s en de verkoop van die auto’s. In dat verband blijkt de verdachte in praktische zin een rol van betekenis te vervullen, welke op zijn minst als ondersteunend kan worden gekwalificeerd. Over de precieze inhoud daarvan heeft hij niet willen verklaren, maar dat doet in het geheel niet af aan de bewijswaarde en bewijskracht die aan de tapgesprekken kunnen worden toegekend.

Het hof acht bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Daartoe zijn, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, redengevend de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen die betrekking hebben op de ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie en de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de feiten 2 tot en met 4.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij in de periode van 01 juli 2014 tot en met 16 maart 2015 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het plegen van gekwalificeerde diefstallen en

- het plegen van opzetheling en

- valsheid in geschrift;

2
hij op 4 juli 2014 te Huizen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Volkswagen (type Golf, kenteken [kenteken Volkswagen Golf]), toebehorende aan [eigenaar Volkswagen Golf], waarbij verdachte en zijn mededaders die weg te nemen personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels;

3
3.

Primair:
hij op 14 oktober 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Range Rover (type Evoque, kenteken [kenteken Range Rover Evoque 1]), toebehorende aan [eigenaar Range Rover Evoque 1], waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels;


4.

Primair:
hij op 21 oktober 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Range Rover (type Evoque, kenteken [kenteken Range Rover Evoque 2]), toebehorende aan [eigenaar Range Rover Evoque 2], waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels.

Hetgeen onder 1, 2, 3 primair en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en hem ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het

bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie gekwalificeerde diefstallen van auto’s. De materiële schade voor de benadeelden is hierdoor groot.

Bij de diefstallen is de verdachte, in samenwerking met een ander of anderen, zeer professioneel te werk gegaan. Er werd gebruikgemaakt van geavanceerde elektronische apparatuur waarmee de auto’s zonder braak konden worden geopend en gestart.

Ten laste van de verdachte is ook de deelneming aan een criminele organisatie bewezen verklaard. De deelnemers aan de organisaties hielden zich bezig met autodiefstallen. Na de ontvreemding dienden de weggenomen auto’s te worden voorzien van valse kentekenplaten, moesten sleutels worden aangemaakt en werden er prijzen doorgegeven. Uit de bewijsmiddelen met betrekking tot diverse gestolen auto’s blijkt dat dit in korte tijd gebeurde. Binnen enkele dagen waren de auto’s veelal voorzien van valse kentekenplaten en werd er onderhandeld met een klant over de prijs.

De verdachte heeft contact onderhouden met [verdachte 1], die een sleutelrol in die organisatie speelde. Daarnaast heeft hij meermalen telefonisch gesproken met [betrokkene 1]. De gesprekken stonden telkens blijkens hun inhoud in het teken van de kernactiviteiten van de organisatie.

Het georganiseerde verband waarin de verdachte als schakel heeft geopereerd heeft als zodanig een entiteit gevormd die ontregelend is geweest voor het maatschappelijk en economisch leven.

De verdachte heeft zich gedurende het opsporingsonderzoek en tijdens de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg overwegend op zijn zwijgrecht beroepen. Pas ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij zijn strafbare betrokkenheid bij één geval van diefstal erkend.

Op elke vraag van het hof over de gang van zaken bij die diefstal, gericht op verkenning van eventuele, in de tenlastelegging opgenomen, kwalificerende omstandigheden, heeft de verdachte er het zwijgen toe gedaan. Dat geldt ook voor de vragen die hem zijn gesteld in de sleutel van de ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie. De verdachte heeft gezegd feit 4 te bekennen, mede naar aanleiding van de herkenningen door de verbalisanten en om dit hoofdstuk af te kunnen sluiten. De verdachte heeft op geen enkel moment gezegd door spijt of wroeging het plegen van de diefstal te hebben bekend. Met deze proceshouding heeft de verdachte geen blijk gegeven van enig inzicht in de ernst van de door hem gepleegde feiten. Daar komt bij dat hij, op vragen over zijn omvangrijke strafblad waarop voertuigcriminaliteit domineert, niet verder kwam dan het antwoord dat hij niet weet waarom hij telkens auto’s steelt. Dit antwoord doet vrezen voor het gedrag van de verdachte in de toekomst.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 juni 2018 blijkt dat hij zeer vaak door de strafrechter onherroepelijk is veroordeeld voor gekwalificeerde vermogensdelicten, waaronder autodiefstallen . De eerste veroordeling daarvoor dateert uit 1996; de verdachte was toen net zeventien jaar oud. Sindsdien is er sprake geweest van een lange reeks van veroordelingen voor met name (gekwalificeerde) vermogensdelicten. Op 19 december 2013 is de verdachte nog wegens medeplegen van een aantal autodiefstallen en overtreding van de Opiumwet door dit hof veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf. Niet al te lange tijd nadat dat arrest was gewezen, is de verdachte weer verder gegaan, in de vorm van de drie autodiefstallen en deelneming aan de criminele organisatie, zoals dat in deze zaak wordt bewezen verklaard. De justitiële documentatie van de verdachte laat een opwaartse trend zien waar het de opgelegde straffen betreft. Deze nieuwe strafzaak maakt duidelijk dat de verdachte hiervoor geen enkele gevoeligheid heeft gehad. Hij is heel hardleers en trekt zich niets van de talrijke eerdere veroordelingen aan.

Met de op te leggen straf beoogt het hof allereerst tot uitdrukking te brengen dat de aanzienlijke schade die de verdachte aan anderen heeft toegebracht wordt vergolden. Daarbij betrekt het hof de brutaliteit en het raffinement waarvan de door de verdachte gehanteerde werkwijze getuigt. In samenhang daarmee heeft de op te leggen straf tot doel om de verdachte ervan te weerhouden om op de door hem ingeslagen weg door te gaan. Dat is met de relatief milde straffen die hem tot nu toe zijn opgelegd, niet gelukt. Daarnaast dient de straf in het algemeen een signaal te zijn dat het bij voortduring stelen van auto’s en het participeren in een organisatie gericht op het verhandelen van die auto’s, tot een stevige reactie van de strafrechter leiden.

Al het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten en aan de persoon van de verdachte. De schaal waarop de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bewezen verklaarde misdrijven en het georganiseerde verband waarbinnen deze feiten zijn gepleegd alsmede de hardnekkigheid waarmee hij dit type feiten steeds weer pleegt, vergen een aanzienlijk krachtiger reactie van de strafrechter.

Dat houdt voorts in dat met de omstandigheden die door de raadsman naar voren zijn gebracht niet in strafmatigende zin rekening kan worden gehouden. De verdachte heeft meegedeeld te zijn hersteld van een ernstige ziekte waarmee hij gedurende deze strafzaak is geconfronteerd en in verband waarmee de voorlopige hechtenis door het hof is geschorst. Hierin is, gelet op het volledige herstel, geen grond gelegen om af te zien van het opleggen van een straf, die inhoudt dat de verdachte alsnog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet ondergaan.

Het hof is van oordeel dat als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden dient te gelden. Er is echter sprake van enige overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, die zich heeft voorgedaan in de hoger beroepsfase. De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 28 april 2016 geschorst. Dat is ruim een maand na de vonnisdatum, te weten 11 maart 2016. Het hof ziet in de beperkte duur van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gedurende de appelfase onvoldoende aanleiding om als maatstaf de strenge norm van 16 maanden voor de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn te hanteren. Uitgaand van de maatstaf van 24 maanden is, nu het hof op 3 augustus 2018 arrest wijst, sprake van een overschrijding van ruim viereneenhalve maand. Dit rechtvaardigt toepassing van een strafvermindering van een maand.

Dit resulteert in oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeventien maanden met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.

Vordering van de benadeelde partij [eigenaar Volkswagen Golf]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.377,88, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.633,71, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag, dat overeenkomt met het door de rechtbank vastgestelde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.

Voor het overige (de reparatie van de bougiekabels en de immateriële schade) is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij Volkswagen Golf]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 959,17, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 140 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [eigenaar Volkswagen Golf]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [eigenaar Volkswagen Golf] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.633,71 (duizend zeshonderddrieëndertig euro en eenenzeventig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [eigenaar Volkswagen Golf], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.633,71 (duizend zeshonderddrieëndertig euro en eenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 juli 2014.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij Volkswagen Golf]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij Volkswagen Golf] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. E. Mijnsberge en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 augustus 2018.