Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2709

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
23-000386-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Telefoon afpakken, niet teruggeven, in de gracht gooien: diefstal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000386-17

datum uitspraak: 30 juli 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-088451-16 en 10-239712-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 juli 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 27 april 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2016 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of heeft weggemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging 1

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit stellende dat uit het dossier niet voldoende blijkt dat het de verdachte is geweest die de telefoon van aangever heeft afgepakt en weggegooid.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt.

Op 27 april 2016 staat aangever op de Prinsengracht te Amsterdam een gevecht te filmen, wanneer hij een man op hem af ziet rennen. Vervolgens ziet en voelt aangever dat deze man zijn telefoon uit zijn hand slaat, waarna deze op de grond valt. Aangever ziet dat de man de telefoon oppakt en in zijn broekzak stopt. Wanneer aangever zijn telefoon terugvraagt aan de man, gooit deze de telefoon in de gracht.2 In het proces-verbaal van bevindingen relateert verbalisant [verbalisant 1] eveneens dat hij een op een telefoon gelijkend voorwerp door de lucht ziet vliegen en in het water van de Prinsengracht ziet belanden. Korte tijd daarna meldt aangever zich bij verbalisant [verbalisant 2] en verklaart dat, terwijl hij wijst in de richting van de later aangehouden verdachte, de verdachte degene is geweest die zijn telefoon in het water heeft gegooid.3 De getuige [getuige] verklaart dat zij heeft gezien dat de telefoon van aangever werd afgepakt en, nadat aangever zijn telefoon terug had gevraagd, door de dader in het water was gegooid.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die, door de telefoon van aangever af te pakken, niet terug te geven en vervolgens in de gracht te gooien - en aldus als heer en meester over deze telefoon te beschikken - zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Het hof verwerpt dan ook het tot vrijspraak strekkende verweer en zal de diefstal van de telefoon bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 april 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in het voorgaande en in de bewijsmiddelen zijn vervat zoals deze hierboven zijn aangeduid.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor de diefstal van de telefoon veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte in hoger beroep zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De raadsman heeft betoogd dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het voor verdachte, die in februari 2018 is vrij gekomen uit detentie in België, moeilijk maakt zijn leven in Nederland weer op te pakken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op brutale wijze de telefoon van aangever toegeëigend. Door aldus te handelen heeft hij geen respect getoond voor het eigendomsrecht van een ander. De diefstal van een telefoon brengt bovendien veel overlast voor de gedupeerde met zich mee.

Mede gezien artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, acht het hof oplegging van een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf – gelet op de ouderdom van het feit, en het feit dat de verdachte ná dit feit niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie – geen aanleiding bestaat.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter gelegenheid van deze behandeling gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden afgewezen.

De raadsman heeft het hof eveneens verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Het hof stelt vast dat uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 2 juli 2018 noch anderszins is gebleken dat bovengenoemd vonnis thans onherroepelijk is en overweegt dat reeds om die reden de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 26 mei 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2016, parketnummer 10-239712-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. G. Oldekamp en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van

mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

30 juli 2018.

[…]

1 Wanneer hierna naar paginanummers wordt verwezen, wordt – tenzij anders vermeld - gedoeld op de pagina’s die deel uitmaken van een dossier van de politie eenheid Amsterdam, registratienummer PL1300-201609151, afgesloten op 29 mei 2016, aantal doorgenummerde pagina’s 1-23. Dit dossier bevat een verzameling processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren zijn opgemaakt, alsmede (eventueel) andere bescheiden.

2 Proces-verbaal van aangifte, houdende de verklaring van aangever [slachtoffer] d.d. 27 april 2016, p. 3.

3 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 27 april 2016, p. 9.

4 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 27 april 2016, p. 11.