Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2705

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
200.206.590/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huuropzegging door curator, hoger beroep daartegen ontvankelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team III

zaaknummer : 200.206.590/01 KG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/617228 / KG ZA 16-1250 MV/TF

arrest van de meervoudige familiekamer van 31 juli 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. S. Jurkovich te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOEDHART AMSTERDAM B.V., in haar hoedanigheid van curator van

[appellante] ,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. E. van der Hoeden te Amstelveen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en de curator genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 7 december 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 11 november 2016, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen haar als eiseres en de curator als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met productie;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met productie.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende - uitvoerbaar bij voorraad -, de vorderingen van [appellante] zal toewijzen, alsmede de curator zal veroordelen in de kosten van beide instanties (met nakosten).

De curator heeft in principaal appel geconcludeerd tot - kort gezegd - bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties. In incidenteel appel heeft de curator geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en niet-ontvankelijk verklaring van [appellante] , althans tot afwijzing van de gevraagde voorzieningen, met veroordeling van de advocaten van [appellante] op grond van artikel 245 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in de proceskosten in beide instanties.

In incidenteel appel heeft [appellante] geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de curator in de kosten van het hoger beroep.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 20 december 2017 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellante] was daarbij niet aanwezig. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.21 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3
3. Beoordeling

3.1.

Het gaat in dit geding - kort gezegd - om de volgende kwestie.

3.1.1.

[appellante] – geboren [in] 1939 - huurt vanaf 1 oktober 1975 een woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Zij is meermaals getroffen door een CVA (Cerebro Vaculair Accident), laatstelijk begin juli 2016, waarvoor zij in de periode van 2 juli 2016 tot en met 18 juli 2016 opgenomen is geweest op de afdeling neurologie van het Amstelland Ziekenhuis te Amstelveen. Op 28 juli 2016 heeft haar behandelend neuroloog D.S. Knol een brief opgesteld voor haar huisarts, waarin wordt meegedeeld dat revalideren met als doel terugkeren in de thuissituatie niet haalbaar lijkt en in overleg met de curator is besloten dat opname in het verpleegtehuis voor langdurige zorg het meest passend is bij haar zorgbehoefte. Sinds 18 juli 2016 verblijft zij in de locatie [de locatie] van Woonzorgorganisatie Domus Magnus. In het leven van [appellante] speelt [X] een rol. Vast staat dat [X] regelmatig voor [appellante] heeft gezorgd. Partijen verschillen van mening of [X] met [appellante] heeft samengewoond in de woning.

3.1.2.

Bij beschikking van de kantonrechter Amsterdam van 17 december 2015 is een provisioneel bewind ingesteld ten behoeve van [appellante] en is [Y] als provisioneel bewindvoerder benoemd. Bij beschikking van 17 augustus 2016 heeft de kantonrechter het provisioneel bewind opgeheven en gelijktijdig een bewind over de goederen van [appellante] ingesteld. Met ingang van dezelfde datum is eveneens een mentorschap ingesteld over de niet-vermogensrechtelijke belangen van [appellante] en is de huidige curator tot bewindvoerder en mentor benoemd.

3.1.3.

Op 13 september 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de curator, de locatiemanager van [de locatie] , mevrouw [F] , de behandelend specialist ouderengeneeskunde, mevrouw [D] , en [appellante] over haar woon- en zorgsituatie. Bij brief van 15 september 2016 heeft de curator (toen nog uit hoofde van bewindvoerderschap) de kantonrechter om toestemming gevraagd de huurovereenkomst met betrekking tot de woning te mogen opzeggen. Op 19 september 2016 is deze toestemming verleend. Op 26 september 2016 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden in [de locatie] tussen [appellante] en de curator (destijds nog in haar hoedanigheid van bewindvoerder en mentor), waarbij ook mr. L.C. Trompetter, advocaat te Amsterdam, aanwezig was, over de woonsituatie van [appellante] . Bij aangetekende brief van 26 september 2016 heeft de curator - nog in haar hoedanigheid van bewindvoerder en mentor - de huurovereenkomst met betrekking tot de woning per 17 oktober 2016 opgezegd. De verhuurster is akkoord gegaan met deze opzegging. Bij brief van diezelfde datum heeft de curator [X] bericht dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning is opgezegd en hem gesommeerd de sleutels van de woning uiterlijk 5 oktober 2016 in te leveren.

3.1.4.

Bij beschikking van 27 september 2016 heeft de kantonrechter het bewind en mentorschap omgezet in een ondercuratelestelling en is de curator benoemd. [appellante] is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Dit hof heeft voormelde beschikking bij uitspraak van 19 december 2017 bekrachtigd.

3.1.5.

Bij e-mail van 4 oktober 2016 heeft [X] jegens de curator bezwaar gemaakt tegen de opzegging van de huurovereenkomst. Hij heeft geen gevolg gegeven aan de onder 3.1.3 genoemde sommatie. Bij brief van 14 oktober 2016 heeft de toenmalige advocaat van [appellante] (mr. E.J. Loos) aan de curator meegedeeld dat [appellante] niet kan instemmen met de huuropzegging en de rechtsgeldigheid daarvan betwist. De advocaat heeft dit op dezelfde dag ook schriftelijk aan de verhuurder meegedeeld.

3.1.6.

Bij vonnis van 14 oktober 2016 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam [X] veroordeeld tot ontruiming van de woning. Bij vonnis van 12 december 2016 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [X] – kort gezegd - om de curator te verbieden om van de ontruimingstitel gebruik te maken, afgewezen.

3.1.7.

Bij e-mail van 18 oktober 2016 aan mevrouw [D] heeft de curator verslag gedaan van hetgeen op 13 september 2016 aan de orde is gekomen. Zo schrijft zij: “…Op jouw vraag hoe het mevrouw [appellante] bevalt op de huidige woonplek, gaf mevrouw te kennen dat ze het naar haar zin heeft in [de locatie] . De mensen zijn lief voor haar. Er wordt gezamenlijk besloten dat mevrouw in [de locatie] blijft. Om haar welzijn te bevorderen, is besloten om enkele meubelen en kleine spullen uit haar woning te laten overkomen zodat ze zich meer thuis voelt. (…) Voor wat betreft de revalidatie gaf u te kennen dat er nog maar weinig vooruitgang wordt geboekt waarmee revalidatie ten einde loopt. (…) Zou je dit verslag willen bevestigen eventueel met jouw aanvullingen.” Mevrouw [D] heeft per e-mail van dezelfde dag laten weten dat zij zich kan vinden in de verslaglegging door de curator.

3.1.8.

In dit kort geding heeft [appellante] in eerste aanleg gevorderd 1) de curator op straffe van een dwangsom te veroordelen om de huuropzegging met betrekking tot de woning in te trekken, althans deze opzegging ongedaan te maken, althans binnen een jaar, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te beoordelen termijn, geen gevolg te geven aan die opzegging, 2) de curator op straffe van een dwangsom te verbieden om binnen een jaar na dagtekening van het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis, althans binnen een door de voorzieningen-rechter in goede justitie te beoordelen termijn over te gaan tot ontruiming en het leeg opleveren van de woning aan de verhuurster, en 3) de curator te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.1.9.

In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter - kort samengevat – geoordeeld dat [appellante] ontvankelijk is in haar vordering tot ongedaan making van de huuropzegging door de curator, nu zij op grond van artikel 1:381 lid 6 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bekwaam is in rechte op te treden tegen de curator in verband met een conflict over haar verzorging behandeling of begeleiding. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk geworden dat [appellante] vanwege haar lichamelijke/geestelijke toestand op de korte noch op de lange termijn terug kan naar haar eigen woning. Dat de curator de huur van de woning heeft opgezegd en deze leeg en ontruimd wil opleveren, is tegen deze achtergrond volgens de voorzieningenrechter gerechtvaardigd teneinde de (mogelijke) lasten niet verder te laten oplopen. De voorzieningenrechter heeft [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

3.2.

[appellante] is tegen deze beslissing in principaal appel gekomen onder aanvoering van drie grieven, die zich richten tegen het (inhoudelijk) oordeel van de voorzieningenrechter omtrent de gerechtvaardigdheid van de huuropzegging door de curator. Het incidenteel appel van de curator richt zich tegen de ontvankelijkverklaring van [appellante] in haar vorderingen tot ongedaan making van de rechtsgeldige huuropzegging (grief 1) alsmede tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de (voormalig) advocaat van [appellante] , mr. Loos, over een rechtsgeldige opdracht beschikt om voor [appellante] op te treden (grief 2). Op grond hiervan is de curator van mening dat de beslissing van de voorzieningenrechter om de advocaat van [appellante] niet in de proceskosten te veroordelen niet in stand behoort te blijven.

3.3.

Het hof zal allereerst grief 1 in incidenteel appel bespreken, nu deze het meest verstrekkend is. In die grief stelt de curator zich op het standpunt dat de voorzieningenrechter [appellante] niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar vordering tot intrekking of ongedaan making van de opzegging van de huurovereenkomst. De curator verwijst in dit verband naar artikel 1:438 lid 1 BW, en de toelichting daarop in Tekst en Commentaar van M.J.C. Koens, waarin uiteen gezet wordt dat bij verschil van mening tussen de rechthebbende en de bewindvoerder over het te voeren beheer aan de rechthebbende niet de mogelijkheid toekomt de rechter te adiëren; de wetgever heeft dit niet wenselijk geoordeeld, omdat dit niet spoort met het doel van het beschermingsbewind, te weten bescherming in vermogensrechtelijk opzicht van de rechthebbende tegen diens eigen onkunde. Tevens verwijst de curator naar de conclusie van Procureur-Generaal mr. Huydekoper voor het arrest van de Hoge Raad van 11 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY8145).

3.4.

[appellante] heeft met een beroep op artikel 1:381 lid 6 BW aangevoerd dat zij – als curanda – bevoegd (bekwaam) is in rechte op te treden tegen de curator in aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. De huuropzegging is – aldus [appellante] - onlosmakelijk verbonden met de verpleging en verzorging, en de onmogelijkheid om deze te laten plaatsvinden op de plaats waar [appellante] dat wil, namelijk thuis. [appellante] is dan ook bevoegd zelf een procedure tegen de curator te voeren.

3.5.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Zoals hiervoor in 3.1.3 uiteengezet is, heeft de curator weliswaar in haar hoedanigheid van bewindvoerder en mentor bij aangetekende brief van 26 september 2016 de huurovereenkomst met betrekking tot de woning per 17 oktober 2016 opgezegd, waarna de kantonrechter op 27 september 2016 het bewind en mentorschap heeft omgezet in een ondercuratelestelling. De curator wordt thans dan ook in haar hoedanigheid van curator aangesproken door [appellante] om de huuropzegging ongedaan te maken. Het artikel waarnaar de curator verwijst - artikel 1: 438 BW – heeft echter betrekking op bewind en is in het onderhavige geval dus niet van toepassing. Dat geldt ook voor de conclusie voor HR 11 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY8145). Deze conclusie heeft bovendien uitsluitend betrekking op beheersdaden, terwijl het opzeggen van een huurovereenkomst/het ongedaan maken van de opzegging een beschikkingshandeling betreft. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van [appellante] met verwijzing naar de regels, zoals die gelden voor het bewind, gaat dan ook niet op.

3.6.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:138 lid 6 BW is in zaken van curatele degene wiens curatele het betreft bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen. Het rechtsgevolg van handelingsonbekwaamheid van een onder curatele gestelde geldt derhalve in een “interne” situatie van een procedure van de onder curatele gestelde tegen haar curator niet, wanneer de curandus een procedure wil voeren tegen de curator in verband met een geschil over zijn verzorging, verpleging, behandeling of begeleiding. Alsdan is hij zelf ter zake procesbekwaam. Het voorgaande leidt ertoe dat [appellante] in de onderhavige procedure procesbevoegd en dus ontvankelijk is.

3.7.

De omstandigheid dat [appellante] wel ontvankelijk is in haar vorderingen in hoger beroep mag haar echter niet baten, nu haar grieven niet tot gegrondverklaring van het appel kunnen leiden. Het hof verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 4.4. en 4.5. van het bestreden vonnis, waarin de voorzieningenrechter uitvoerig gemotiveerd heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] vanwege haar beperkingen niet meer kon terugkeren naar de woning alsmede dat [appellante] bij het besluit dat zij niet meer kon terugkeren naar de woning - en als gevolg daarvan de huur kon worden opgezegd -, is betrokken en daarmee ook heeft ingestemd. Het hof maakt deze rechtsoverwegingen tot de zijne. Daarbij gaat het hof voorbij aan de stelling van [appellante] in hoger beroep dat het feit dat zij tegenover de curator heeft bevestigd dat zij niet terug kan naar haar eigen woning, op zichzelf niet zoveel waard is, omdat zij zal instemmen met de richting die de vraagsteller haar stuurt. Het ging bij het opzeggen van de huurovereenkomst niet om de vraag wat [appellante] nou precies zelf wilde, maar om de (on)mogelijkheid voor [appellante] om nog naar huis te kunnen terugkeren. Het hof is – evenals de voorzieningenrechter - van oordeel dat de curator, mede door overlegging van de hiervoor onder 3.1 genoemde stukken, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellante] vanwege haar lichamelijke/geestelijke toestand niet meer naar haar eigen woning kon terugkeren. Dat op geen enkel moment een deskundige met verstand van zorgverlening de woning van [appellante] heeft bekeken om zich een oordeel te vormen over de mogelijkheid om haar aldaar te verzorgen en te verplegen, zoals [appellante] thans stelt, doet dan ook niet ter zake, zeker nu [appellante] op haar beurt heeft nagelaten op enigerlei wijze – al dan niet door middel van het overleggen van objectief verifieerbare stukken - te onderbouwen dat een dergelijk onderzoek tot een voor [appellante] positief antwoord had geleid. Van de zijde van [appellante] zijn in hoger beroep geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd, die het hof tot een ander oordeel nopen.

3.8.

Vervolgens komt nog de tweede grief in incidenteel appel aan de orde. Hierin komt de curator op tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om de advocaat van [appellante] niet in de proceskosten te veroordelen. Volgens de curator is gesteld noch gebleken dat de advocaten van [appellante] in eerste aanleg (mr. Loos) dan wel in hoger beroep (mr. Jurkovich) over een machtiging van de kantonrechter beschikten om voor [appellante] in rechte op te treden. Aldus ontbreekt een rechtsgeldige opdracht aan de advocaten, zodat voormelde advocaten op grond van het bepaalde in artikel 245 Rv in de kosten van de eerste aanleg respectievelijk hoger beroep moeten worden veroordeeld.

3.9.

Het hof laat de vraag of de advocaten van [appellante] beschikten over een rechtsgeldige opdracht in het midden, nu artikel 245 Rv – noch enige andere wetsbepaling – een basis biedt voor veroordeling van de advocaat in de kosten van de procedure, ook al zou deze volstrekt nodeloos zijn gevoerd. Voor een veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure is al evenmin plaats, nu de curator daarbij geen enkel belang heeft. Dit zou neerkomen op vestzak/broekzak; de door de curator in deze procedure gemaakte kosten komen ten laste van [appellante] , waardoor [appellante] in feite aan zichzelf zou betalen. Het hof zal daarom zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep de proceskosten compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

4 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de proceskosten in principaal en incidenteel appel in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, A.R. Sturhoofd, en H.A. van den Berg, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018.