Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2690

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
23/001429-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001429-17

datum uitspraak: 19 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 april 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-720092-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2018 overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:


zij op of omstreeks 12 mei 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, merk/registratiekenteken [kenteken 1] danwel [kenteken 1]), daarmede rijdende over een toegangsweg naar een rotonde op de Rinse Hofstraweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, die rotonde op te rijden: - zonder zich er vooraf in voldoende mate van te vergewissen, dat de rotonde vrij was van verkeer en/of - zonder in staat te zijn het door haar bestuurde motorrijtuig voortdurend onder controle te houden, immers is zij aldaar die rotonde opgereden op een moment dat een vrachtauto (tankwagen, merk/registratiekenteken [kenteken 2] danwel [kenteken 2]) al ter hoogte van haar oprit op de rotonde reed, en/of (vervolgens) heeft zij -ten einde een botsing te voorkomen- in plaats van het rempedaal, het gaspedaal ingetrapt, ten gevolge waarvan de snelheid van het door haar bestuurde motorrijtuig zodanig toenam, dat zij daarmee is opgebotst of aangereden tegen de achterzijde van die vrachtauto, waardoor aan een inzittende van dat door haar bestuurde motorrijtuig (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, (te weten een polsfractuur en een contusio aan de nek), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:

zij op of omstreeks 12 mei 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, merk/registratiekenteken [kenteken 1] danwel [kenteken 1]), met dat motorrijtuig rijdende over een toegangsweg naar een rotonde op de Rinse Hofstraweg en/of op een rotonde op de Rinse Hofstraweg, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gereden, door toen daar die rotonde op te rijden

-zonder zich er vooraf in voldoende mate van te vergewissen dat de rotonde vrij was van andere voertuigen en/of

-zonder in staat te zijn het door haar bestuurde motorrijtuig voortdurend onder controle te houden,

immers is zij aldaar die rotonde opgereden op een moment dat een vrachtauto (tankwagen, merk/registratiekenteken [kenteken 2] danwel [kenteken 2]) al ter hoogte van haar oprit op de rotonde reed, en/of heeft zij (vervolgens) –ten einde een botsing te voorkomen- in plaats van het rempedaal, het gaspedaal ingetrapt,

tengevolge waarvan de snelheid van het door haar bestuurde motorrijtuig zodanig toenam, dat zij daarmee is opgebotst of aangereden tegen de achterzijde van die vrachtauto,

waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] (die inzittende was van dat die door haar bestuurde motorrijtuig) zwaar lichamelijk letsel, (te weten een polsfractuur en/of een contusie aan de nek), heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.


meer subsidiair:


zij op of omstreeks 12 mei 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto, merk/registratiekenteken [kenteken 1] danwel [kenteken 1]), daarmede rijdende over een toegangsweg naar een rotonde op de Rinse Hofstraweg, aldaar die rotonde is opgereden op een moment dat een vrachtauto (tankwagen, merk/registratiekenteken [kenteken 2] danwel [kenteken 2]) al ter hoogte van haar oprit op die rotonde reed, en/of (vervolgens) heeft zij -ten einde een botsing te voorkomen- in plaats van het rempedaal, het gaspedaal ingetrapt, ten gevolge waarvan de snelheid van het door haar bestuurde motorrijtuig zodanig toenam, dat zij daarmee is opgebotst of aangereden tegen de achterzijde van die vrachtauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle haar tenlastegelegde feiten omdat de verdachte al op de rotonde aanwezig was en zij aldaar in paniek is geraakt van het uitzwenken van de vrachtwagen. Tevens heeft de raadsman naar voren gebracht dat het letsel van [slachtoffer] niet aan de verdachte kan worden toegerekend omdat [slachtoffer] haar veiligheidsgordel niet droeg tijdens de aanrijding.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) van toepassing is op de plaats waarop deze aanrijding heeft plaatsgevonden, hoewel dit deel van Schiphol geen openbare weg is. In dit artikel wordt immers gesproken van ‘verkeer’ en niet van ‘weg’ in de zin van de WVW.

Vast staat dat de verdachte met de door haar bestuurde bedrijfsauto op de rotonde tegen een zich eveneens op die rotonde bevindende tankauto is aangereden. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij op het moment dat ze de rotonde opreed en de tankauto naderde in paniek is geraakt en abusievelijk het gaspedaal heeft ingetrapt in plaats van het rempedaal. Het hof stelt voorop dat een verkeersdeelnemer die een rotonde nadert en oprijdt de nodige voorzichtigheid en oplettendheid dient te betrachten. Door het gaspedaal in te trappen in plaats van het rempedaal en onvoldoende afstand van de tankwagen te houden, heeft de verdachte niet de benodigde zorgvuldigheid en voorzichtigheid betracht. Naar het oordeel van het hof dient zulks te leiden tot het oordeel dat in het onderhavig geval gesprake was van aanmerkelijk onvoorzichtig rijden door de verdachte. Ten gevolge daarvan is aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toegebracht, te weten een gebroken pols. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer vijf maanden na het ongeval nog steeds onder behandeling van een fysiotherapeut liep, mede voor het door het ongeval veroorzaakte letsel.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, kan het door het slachtoffer opgelopen zwaar lichamelijk letsel redelijkerwijs als gevolg van de door de verdachte veroorzaakte aanrijding aan haar worden toegerekend. Daaraan kan niet afdoen dat het slachtoffer geen gebruik maakte van een veiligheidsgordel (vgl. HR 11 december 2001, NJ 2002, 62).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

zij op 12 mei 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto, registratiekenteken [kenteken 1]), daarmede rijdende over een toegangsweg naar een rotonde op de Rinse Hofstraweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig die rotonde op te rijden:

- zonder zich er vooraf in voldoende mate van te vergewissen, dat de rotonde vrij was van verkeer

- zonder in staat te zijn het door haar bestuurde motorrijtuig voortdurend onder controle te houden

immers is zij aldaar die rotonde opgereden op een moment dat een vrachtauto (tankwagen registratiekenteken KL 4402) al ter hoogte van haar oprit op de rotonde reed, en vervolgens heeft zij – teneinde een botsing te voorkomen – in plaats van het rempedaal, het gaspedaal ingetrapt, ten gevolge waarvan de snelheid van het door haar bestuurde motorrijtuig zodanig toenam, dat zij daarmee tegen de achterzijde van die vrachtauto is aangereden, waardoor aan een inzittende van dat door haar bestuurde motorrijtuig (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een polsfractuur, werd toegebracht.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair ten laste gelegde bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren met een proeftijd van 1 jaar en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van zes maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen door een rotonde op te rijden zonder zich er in voldoende mate van te vergewissen dat de rotonde vrij was van verkeer, nu er al een ander voertuig op die rotonde reed en zij vervolgens in plaats van afstand te houden in paniek het gaspedaal heeft ingedrukt. De verdachte heeft verklaard in de auto te zijn gestapt, terwijl zij wist dat ze daar door zenuwen niet goed toe in staat was. Dat zij toch is gaan rijden en daarbij een ongeluk heeft veroorzaakt, rekent het hof haar aan. Gelet op het feit en de ernstige gevolgen die daarbij voor het slachtoffer zijn ontstaan, acht het hof in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden. In het voordeel van de verdachte heeft het hof meegewogen dat blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 juni 2018, zij niet eerder en evenmin sedertdien in aanraking is gekomen met politie of justitie. Gelet hierop en in aanmerking genomen het tijdsverloop ziet het hof aanleiding om te volstaan met straffen als door de advocaat-generaal gevorderd, namelijk een geheel voorwaardelijke taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke rijontzegging van na te melden duur.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, maar heeft op 1 maart 2018 middels een wensenformulier laten weten dat zij – zoals ook al had medegedeeld in eerste aanleg – afziet van haar vordering tot schadevergoeding. Om die reden is de vordering thans niet meer aan de orde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. P.F.E. Geerlings en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juli 2018.

mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]