Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2689

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
23/001460-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001460-18

datum uitspraak: 19 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 03-003641-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2018 en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

2:
hij op of omstreeks 25 december 2016 in de gemeente Leudal, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, stekende en/of (een) zwaaiende beweging(en) met een of meer mes(sen), in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, richting die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gemaakt en/of is met dat mes, in elk geval dat scherpe en/of puntige voorwerp, in de hand achter die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aangerend en/of heeft (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd : "Ik ga je vermoorden" en/of "Ik ga jullie slachten” en/of ”Degene die mij nadert, vermoord ik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt.

Bewijsoverweging

Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het onderdeel “meermalen stekende bewegingen met messen richting [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gemaakt” zoals vermeld in de tenlastelegging. De verdachte ontkent niet dat hij het mes heeft vastgehouden, maar hij ontkent wel dat hij met het mes stekende bewegingen richting [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gemaakt, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Zowel aangever [slachtoffer 2] als aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte naar buiten kwam rennen met messen en achter ze aan rende en daarbij stekende bewegingen naar hen maakte. De verklaring van aangevers wordt in zoverre ondersteund door de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige] dat hij heeft gezien dat de verdachte met een glinsterend voorwerp stekende bewegingen maakte naar de mannen die buiten stonden. Gelet op deze verklaringen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met één mes stekende bewegingen heeft gemaakt.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op 25 december 2016 in de gemeente Leudal, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, stekende bewegingen met een mes richting die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gemaakt en is met dat mes in de hand achter die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangerend.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Beroep op noodweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging op de grond dat hij heeft gehandeld in noodweer of noodweerexces. Zij heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende gesteld:

De verdachte was genoodzaakt zichzelf te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De verdachte is buiten door de aangevers geduwd en geslagen. De verdachte is zijn huis binnen gerend en was vervolgens genoodzaakt zijn huis te verlaten omdat zijn raam met stenen werd ingegooid. Meenemen van het mes was geboden omdat er op zijn minst sprake was van twee tegen één, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. De verdachte heeft zich, door naar zijn huis te gaan en de deur dicht te doen, onttrokken aan de situatie waarin is geduwd en geslagen, waardoor er op het moment dat hij binnen was geen sprake meer was van een wederrechtelijke aanranding. Het feit dat er daarna een steen tegen de ruit is gegooid, maakt niet dat de noodzaak bestond voor de verdachte om, voorzien van een mes, de woning weer te verlaten. Op het moment dat de verdachte de woning verliet was er geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangevers, dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waartegen verdediging geboden was. Nu de verdachte zich niet in een noodweersituatie heeft bevonden, faalt het beroep op noodweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof verwerpt het beroep op noodweerexces, reeds nu – zoals hierboven weergegeven – zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde feit 2 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich bij Reclassering Nederland meldt en dat hij actief meewerkt aan een zinvolle dagbesteding.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is met een mes achter de aangevers aangerend en heeft daarbij stekende bewegingen gemaakt. Dergelijke feiten brengen een gevoel van onveiligheid en onrust bij de slachtoffers en de maatschappij met zich mee, zoals mede blijkt uit de verklaring van de getuige [getuige].

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn nu er sinds het plegen van het feit meer dan zestien maanden zijn verstreken en dat als gevolg hiervan de straf van de verdachte dient te worden verminderd. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De door de Hoge Raad vastgestelde termijn van zestien maanden geldt per instantie zodat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu de zaak in hoger beroep voortvarend is behandeld.

Het hof houdt in strafverminderende zin rekening met het feit dat de aangevers een aanzienlijk aandeel hebben gehad in het ontstaan van de situatie. Tevens houdt het hof in het voordeel van de verdachte rekening met de positieve ontwikkelingen van de verdachte op persoonlijk vlak. De verdachte volgt een opleiding en heeft – hoewel pas relatief kort geleden en zonder familie in Nederland gekomen – geheel zelfstandig een bijbaan en woonruimte geregeld. Het hof ziet gelet op het voorgaande en de toepasselijkheid van artikel 63 Wetboek van Strafrecht reden om een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen van geringere duur dan in hoger beroep gevorderd en in eerste aanleg opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.M. Kengen en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juli 2018.

mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]