Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2688

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
23/004343-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing TUL en met aanvulling van de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004343-17

datum uitspraak: 19 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741195-17 en 13-085458-16 (TUL), 13-237290-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2018 overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof ten aanzien van feit 1 de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zal aanvullen met de door de verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring en ten aanzien van feit 3 een in hoger beroep gevoerd verweer zal bespreken.

Aanvulling bewijsmiddelen feit 1

De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2018.

“Over de inbraak hoeven wij het niet meer te hebben. Het klopt ook dat ik daar met twee anderen was. Het was niet echt het plan, ik ben nu niet meer bezig met dat soort dingen. Het is niet goed dat ik het heb gedaan, ik was niet op de hoogte dat er mensen binnen waren. Het was midden in nacht en ik was meegevraagd. Ik kon niet slapen. We hebben aangebeld en er werd niet opengedaan”.

Bespreking van een gevoerd verweer

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde bepleit en heeft hiertoe aangevoerd dat de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs vanwege inconsistenties en innerlijke tegenstrijdigheden in de verklaringen.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat mogelijke inconsistenties in verklaringen niet zonder meer met zich mee brengen dat alle onderdelen van de afgelegde verklaringen en dus de desbetreffende verklaringen in hun geheel, wegens onbetrouwbaarheid terzijde moeten worden gesteld. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] ondersteunen elkaar vanaf het begin op essentiële onderdelen. De mogelijke en aangevoerde inconsistenties weerhouden het hof niet de overtuiging te bekomen dat zij naar waarheid hebben verklaard. Hun verklaringen kunnen voor het bewijs worden gebruikt.

Oplegging van straf

De meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3, en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot 100 dagen jeugddetentie, waarvan 32 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren, met bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de oplegging van de vrijheidsbenemende straf heeft het hof het volgende in het bijzonder laten meewegen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak waarbij de verdachte midden in de nacht met zijn mededaders naar een woning is gegaan, aldaar naar boven is geklommen en een raam heeft geforceerd van de slaapkamer waar de 10-jarige zoon van aangeefster lag te slapen. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid en privacy van het gezin van de aangeefster. Ook heeft de verdachte zich tot twee keer toe begeven in een gebied waarvan hij beide keren wist dat hij daar niet mocht komen. Door zo te handelen heeft de verdachte laten zien zich niets aan te trekken van een ambtelijk bevel. Ten slotte heeft de verdachte door het gooien van een steen een raam van de woning van de ouders van zijn vriendin vernield. Door het plegen van dit feit heeft hij de bewoners van voorgemelde woning schade berokkend.

Ter terechtzitting hebben de verdachte en deskundigen van de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdbescherming Regio Amsterdam verklaard over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte op dit moment door omstandigheden die buiten de macht van de verdachte liggen niet naar school gaat, maar dat de verdachte wel positieve stappen heeft gezet met betrekking tot de inrichting van zijn dagbesteding en dat hij zich coöperatief opstelt ten aanzien van de hulpverlening. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard te willen breken met zijn voormalige levenswijze, waar het plegen van strafbare feiten onderdeel van uitmaakte.

Bij de oplegging van de straf heeft het hof voorts acht geslagen op de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door first offenders.

Het hof heeft als strafverzwarende omstandigheid meegewogen dat de verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan vermogensdelicten.

Gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de recidive van de verdachte acht het hof een vrijheidsbenemende straf, zoals door de advocaat-generaal is geëist, passend en geboden. Vanwege de ernst van de feiten komt geen andere straf dan een jeugddetentie met een onvoorwaardelijk deel in aanmerking. Om de verdachte te weerhouden van recidive en te ondersteunen in het voortzetten van de positieve lijn die hij lijkt te hebben ingezet, zal het hof een deel van de straf in voorwaardelijke vorm met bijzondere voorwaarden opleggen. Gelet echter op de gewijzigde omstandigheden zal het hof de bijzondere voorwaarden enigszins aanpassen ten opzichte van het vonnis van de rechtbank.

Vordering tenuitvoerlegging 13/237290-15

Met het openbaar ministerie en de raadsman ziet het hof aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging met nummer 13/237290-15 af te wijzen.

Vordering tenuitvoerlegging 13/085458-16

Met het openbaar ministerie en de raadsman ziet het hof aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging met nummer 13/085458-16 af te wijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 184, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de vorderingen tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 32 (tweeëndertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd op en door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de Jeugdbescherming Regio Amsterdam.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal mee werken aan behandeling door de Bascule.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal meewerken aan begeleid wonen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zorg zal dragen voor het hebben van een zinvolle dagbesteding, en daartoe zal deelnemen aan het programma Werk, Participatie en Inkomen.

Geeft opdracht aan de Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering tenuitvoerlegging 13/237290-15

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 18 augustus 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 20 april 2017, parketnummer 13-237290-15, voorwaardelijk opgelegde geldboete ter hoogte van € 115,00 subsidiair 2 dagen jeugddetentie.

Vordering tenuitvoerlegging 13/085458-16

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 18 augustus 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 20 april 2017, parketnummer 13-085458-16, voorwaardelijk opgelegde geldboete ter hoogte van € 115,00 subsidiair 2 dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.M. Kengen en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juli 2018.

mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]