Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2666

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
23-003714-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk aanwezig hebben hennepplanten. Verdachte heeft deel van bedrijfsruimte verhuurd t..b.v. hennepplantage. Vrijspraak diefstal elektriciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003714-17

datum uitspraak: 24 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 12 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-710057-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

10 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 26 december 2014 tot en met 16 januari 2015, te Velsen-Noord, in de gemeente Velsen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad (in het pand [adres 2])(ongeveer) 974 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij in of omstreeks de periode van 26 december 2014 tot en met 16 januari 2015, te Velsen-Noord, in de gemeente Velsen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit het pand [adres 2])heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan "[bedrijf]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit 2

Het hof acht met de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte de afzonderlijke bestanddelen van het onder 2 ten laste gelegde heeft vervuld. Hooguit kan de betrokkenheid van de verdachte worden aangemerkt als medeplichtigheid, maar dat is niet ten laste gelegd.

De verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 is ten laste gelegd.

Bewijsoverweging te aanzien van feit 1

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 is ten laste gelegd. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte slechts zijn bedrijfsruimte ter beschikking heeft gesteld en dat hij derhalve niet als teler kan worden aangemerkt. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de beschikkingsmacht had over de hennepplanten, zodat evenmin bewezen kan worden verklaard dat hij de hennepplanten opzettelijk aanwezig heeft gehad, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier blijkt dat in de kelder van het bedrijfspand dat door de verdachte werd gehuurd een hennepkwekerij is aangetroffen met 974 hennepplanten. De verdachte heeft verklaard dat hij in zijn winkel werd aangesproken door een man die een deel van het bedrijfspand wilde huren om daar wat te verkopen. De verdachte wist dat de man in die ruimte een hennepkwekerij zou opstarten. Overeengekomen was dat de verdachte de kelder zou verhuren voor duizend euro per maand. Later zou hij gaan delen in de opbrengst. De verdachte heeft verklaard dat hij de ruimte waarin de kwekerij werd aangetroffen een half jaar heeft verhuurd en dat op de kelderdeur een slot zat waarvan hij geen sleutel had.

Het hof is van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat de hennepplanten zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en dat hij de planten derhalve opzettelijk aanwezig heeft gehad. Dat de verdachte niet beschikte over de sleutel van de kelderdeur daar naar het oordeel van het hof niet aan af, nu hij de overeenkomst is aangegaan om daar financieel voordeel bij te behalen, de hennepkwekerij zich bevond in het bedrijfspand dat hij huurde en waarin hij een winkel exploiteerde en de verdachte aan de opbouw en exploitatie van de kwekerij geen einde heeft gemaakt hoewel hij dat als huurder van de bedrijfsruimte in zijn macht had.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 26 december 2014 tot en met 16 januari 2015, te Velsen-Noord, in de gemeente Velsen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in het pand [adres 2], 974 hennepplanten.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van hennep, een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Het hof rekent dit de verdachte aan. Het hof heeft aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgemerkt. Aangezien het hof de verdachte vrijspreekt van de diefstal van elektriciteit, wordt een lagere straf opgelegd dan door de advocaat-generaal geëist.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 juni 2018 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P. den Otter, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M.E. Hinskens - van Neck, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juli 2018.

Mrs. R.P. den Otter en M.F.J.M. de Werd zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]