Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2663

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
000396-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering lijfsdwang ex art. 577c Sv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

AV-nummer: 000396-18

rolnummer: 23-004241-06

datum uitspraak: 3 juli 2018

BESCHIKKING

gegeven op de vordering van het openbaar ministerie van 12 april 2018, op grond van artikel 577c, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ingediend tegen de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboortedag] 1957,

laatst bekende verblijfadres: [adres].

Procesgang

Dit gerechtshof heeft bij arrest van 3 juni 2008 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 27.000.

Deze ontnemingsmaatregel is op 9 februari 2010 onherroepelijk geworden.

De advocaat-generaal heeft op 6 april 2018 een vordering 'Verlof tenuitvoerlegging lijfsdwang' ex artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering bij dit gerechtshof ingediend voor de duur van in totaal 150 dagen, vanwege het na gedeeltelijke betaling nog openstaande bedrag van in totaal € 25.476,27 (zaak A € 3.476,27 en zaak B € 22.000,00).

Het hof heeft op 19 juni 2018 ter gelegenheid van de behandeling van de vordering in openbare raadkamer de advocaat-generaal, mr. S.M.L.M. Spoor, gehoord. De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Beoordeling van de vordering

De advocaat-generaal heeft in raadkamer de vordering tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang gewijzigd in 120 dagen en geconcludeerd tot toewijzing daarvan.

Op basis van het onderzoek in raadkamer stelt het hof vast dat de veroordeelde niet heeft voldaan aan de verplichting die hem bij arrest is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en dat volledig verhaal op grond van de artikelen 574 tot en met 576 van het Wetboek van Strafvordering op diens vermogen niet mogelijk is gebleken. Gelet op de veroordeling mag de veroordeelde in staat worden geacht de opgelegde betalingsverplichting te kunnen voldoen.

Ter afbetaling van de ontnemingsmaatregel van in totaal € 27.000,00 (zaak A € 5.000,00 en zaak B € 22.000,00) is in zaak A ontvangen € 1.523,73, zodat thans een bedrag van € 25.476,27 open staat.

Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft de veroordeelde meermalen in de gelegenheid gesteld een passend afbetalingsvoorstel in te dienen. In dat verband heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen de veroordeelde en het CJIB en is een veelheid aan brieven door het CJIB aan de veroordeelde gestuurd. Dit heeft echter niet geleid tot het indienen van een afbetalingsvoorstel door de veroordeelde.

De veroordeelde is vanaf 21 maart 2017 ingeschreven op het adres [adres]. Het CJIB heeft de veroordeelde op dat adres aangeschreven, maar deze brief is op 20 oktober 2017 onbestelbaar retour gekomen met de mededeling dat het adres niet correct is. Het CJIB is evenmin anderszins met de veroordeelde in contact kunnen komen. Aldus heeft de veroordeelde zich onvindbaar gemaakt voor de incasso van de opgelegde ontnemingsmaatregel. Nu de veroordeelde niet is verschenen, is niet aannemelijk gemaakt dat hij buiten staat is aan de betalingsverplichting te voldoen en ook overigens acht het hof dit thans niet aannemelijk.

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat, op grond van het bepaalde in artikel 577c, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang kan worden verleend.

Het hof zal op vordering van het openbaar ministerie verlof verlenen tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang van 120 dagen.

Beslissing

Het hof:

Wijst de vordering tot verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang toe en stelt de duur van de lijfsdwang vast op 120 (honderdtwintig) dagen.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. R.M. Steinhaus en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, is ondertekend door de voorzitter en is uitgesproken op de openbare raadkamerzitting van dit gerechtshof van 3 juli 2018.