Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2661

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
23-000637-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling, gelet op de aard van het letsel (gebroken kaak), de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en de duur van het herstel. Alternatieve scenario niet aannemelijk. Bespreking opzetverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000637-17

datum uitspraak: 23 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-125785-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

ter terechtzitting opgegeven adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 23 april 2016 te Beverwijk, althans op een plaats op de snelweg tussen Amsterdam en Beverwijk, althans in Nederland aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen in het gezicht te stompen/slaan;

subsidiair:

hij op of omstreeks 23 april 2016 te Beverwijk, althans op een plaats op de snelweg tussen Amsterdam en Beverwijk. althans in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld door deze meermalen in het gezicht te stompen/slaan en/of bij de keel te pakken en/of meermalen (met kracht) het hoofd van die [slachtoffer] tegen een raam te slaan/duwen, ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bespreking van in hoger beroep gevoerd verweer

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de aangeefster [slachtoffer] op 23 april 2016 niet heeft geslagen en dat het bij haar vastgestelde letsel het gevolg is van het abrupt remmen door de verdachte, waardoor zij met de onderkant van haar kin tegen het dashboard terecht is gekomen. Voorts zou hij haar van zich af hebben geduwd toen zij tijdens het rijden aan het stuur probeerde te trekken en hem in zijn gezicht wilde slaan. De bloedspetters op de ruit van het bijrijdersportier zijn volgens de verdachte niet veroorzaakt door een door hem toegebrachte vuistslag, maar doordat de aangeefster door het gesloten raam naar buiten heeft proberen te spugen. De raadsvrouw heeft, gebaseerd op die verklaring, bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat de bij aangeefster geconstateerde verwondingen geen zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opleveren en dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van een dergelijk letsel, omdat één vuistslag in de gegeven omstandigheden geen aanmerkelijke kans op het ontstaan daarvan in het leven heeft geroepen.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsvrouw en overweegt dienaangaande als volgt.

De verdachte en zijn toenmalige vriendin, aangeefster [slachtoffer] , reden op 23 april 2016 als bestuurder respectievelijk passagier in haar auto van Amsterdam in de richting van Beverwijk. Al rijdend kregen zij een handgemeen. Daarbij is de aangeefster gewond geraakt. De verdachte heeft de aangeefster vervolgens naar het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk gebracht. Nadat zij daar omstreeks 04.26 uur was aangekomen, is zij naar binnen gebracht door het ziekenhuispersoneel. Daar gaf zij aan de dienstdoende arts van de spoedeisende eerste hulp te kennen door haar vriend met de vuist in het gezicht te zijn geslagen. Kort daarna heeft zij tegen ter plaatse gekomen politieambtenaren opnieuw verklaard dat haar vriend haar had geslagen. Nog in het ziekenhuis heeft zij (omstreeks 08.15 uur) aangifte tegen de verdachte gedaan en daarbij verklaard dat zij in de auto door de verdachte meermalen hard in het gezicht is geslagen met een gebalde vuist en dat zij als gevolg hiervan onder andere een gebroken kaak heeft opgelopen. In een verklaring van 28 april 2016 heeft zij toegelicht dat de verdachte erg hard heeft geslagen.

Het hof ziet geen reden om aan de juistheid van deze verklaringen van de aangeefster te twijfelen. Die vinden immers steun in de medische verklaring van de arts [naam] , waarin is vermeld dat bij haar bezoek aan de spoedeisende eerste hulp is vastgesteld dat zij forse bulten op het behaarde hoofd en een forse onderkaakfractuur had. Die breuk bevond zich aan de linkerzijde van haar kaak. Bovendien maakte de aangeefster op het ziekenhuispersoneel een angstige indruk en was zij zeer emotioneel ten tijde van haar aangifte. Daarbij komt dat de aangeefster op 8 februari 2018 tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat zij bij haar aangifte en op 28 april 2016 de waarheid heeft gesproken. Nu de relatie met de verdachte op dat moment, nadat deze eerder was verbroken, weer was hersteld, is niet aannemelijk dat zij tegenover de raadsheer-commissaris belastender over de verdachte heeft verklaard dan op grond van de waarheid noodzakelijk was. Dat de aangeefster op 8 februari 2018 een verklaring heeft afgelegd die op (niet-cruciale) onderdelen afwijkt van hetgeen zij heeft verklaard in april 2016 (toen het voorval haar nog vers in het geheugen lag), leidt niet tot een ander oordeel.

Het door de verdachte opgeworpen alternatieve scenario, te weten dat het letsel is ontstaan doordat de aangeefster na stevig remmen met het gezicht op het dashboard is terechtgekomen, acht het hof niet aannemelijk. In het bijzonder is daarbij in aanmerking genomen dat

( a) op de foto’s die van het interieur van de auto zijn gemaakt op het dashboard geen bloedsporen te zien zijn, terwijl de aangeefster als gevolg van hetgeen in de auto is voorgevallen hevig heeft gebloed,

( b) het ernstigste letsel van de aangeefster zich aan de linkerzijde van haar gezicht – de onderkaak – bevindt en niet aan de voorzijde daarvan,

( c) de lezing van de verdachte geen verklaring biedt voor de forse bulten die de aangeefster op het behaarde gedeelte van haar hoofd bleek te hebben,

( d) de aangeefster tegenover de raadsheer-commissaris onder ede heeft verklaard dat het letsel dat zij heeft bekomen niet het gevolg is geweest van krachtig remmen door de verdachte en haar ‘naar voren schieten’ in de auto en

( e) het gegeven dat de verdachte onmiddellijk uit het ziekenhuis is vertrokken, welhaast onmiddellijk nadat zijn vriendin, met wie hij vier jaar een relatie had, door het ziekenhuispersoneel het pand was binnengeloodst, minder goed kan worden geplaatst in een scenario waarin de verdachte haar onbedoeld fors letsel heeft toegebracht en van hem dus de nodige aan schuldbewustheid gekoppelde zorgzaamheid en bezorgdheid kon worden verwacht.

Het hof is verder van oordeel dat het letsel dat de aangeefster heeft bekomen, gezien de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en de duur van het herstel, moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr. Het hof heeft er daarbij mede acht op geslagen dat

- sprake was van een open gedislokeerde mandibula fractuur, te weten dat de linker onderkaak van de aangeefster op zodanige wijze was gebroken dat het achterste gedeelte daarvan een halve centimeter hoger in de mond is komen te liggen dan het voorste, en dat zij daarvan veel pijn heeft ondervonden en wel in die mate dat zij morfine toegediend heeft gekregen;

- operatief ingrijpen noodzakelijk is geweest voor het herstel van de fractuur waarbij de kaak is vastgezet met een plaatje dat zich daar ten tijde van het verhoor van de aangeefster op 8 februari 2018 nog altijd bevond;

- bij deze operatie tevens de tanden zijn rechtgezet;

- met het volledig herstel een periode van vier tot zes weken gemoeid is geweest;

- de aangeefster drie tot vier weken louter vloeibaar voedsel heeft kunnen nuttigen;

- zij daarnaast forse bulten op het hoofd heeft opgelopen.

Ten slotte is het hof van oordeel dat het meer dan vier keer heel hard en met gebalde vuist tegen het gezicht – een kwetsbaar deel van het lichaam – stompen een gedraging is die naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel in het leven roept. Het aangaande die aanmerkelijke kans door de raadsvrouw ingenomen standpunt mist doel, reeds omdat het is gebaseerd op de onjuiste aanname dat de verdachte de aangeefster slechts éénmaal met de vuist heeft geslagen. Voorts zijn de gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm daarvan zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat hij met zijn handelen op zijn minst de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard; van contra-indicaties is het hof in dit verband niet gebleken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 april 2016 op een plaats op de snelweg tussen Amsterdam en Beverwijk aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen in het gezicht te stompen.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

I.

Een proces-verbaal van aangifte van 23 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde p. 19-20).

Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 23 april 2016 te 08.15 uur door aangeefster [slachtoffer] ten overstaan van de genoemde verbalisant afgelegde verklaring:

Ik doe aangifte van zware mishandeling gepleegd door mijn vriend [verdachte] ,

geboren [geboortedag] 1986. De mishandeling is gepleegd op zaterdag 23 april 2016, tussen 4.00

uur en 4.25 uur. De mishandeling heeft plaatsgevonden in mijn auto. Het gebeurde al rijdend.

Het gebeurde in mijn auto, een Lexus CT 200H. [verdachte] reed. We hadden het over een ex van mij en toen gebeurde het. Uit het niets begon hij mij in het gezicht te stompen. Hij deed dit met zijn vuist; met één vuist want hij reed ook gewoon door. Hij stompte mij meerdere keren in het

gezicht. Mijn hele auto zat onder het bloed. Het letsel dat ik heb is een gebroken kaak. Verder heb ik een opgezwollen gezicht, blauwe plekken en striemen in mijn hals. Ik heb veel pijn en krijg morfine.

II.

Een proces-verbaal van bevindingen van 23 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde p. 1-7).

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als bevindingen en/of verrichtingen van evengenoemde verbalisanten:

Op zaterdag 23 april 2016, omstreeks 04.43 uur, kregen wij opdracht om te gaan naar de [adres 2] . Dit zou het Rode Kruis Ziekenhuis betreffen. Wij zijn ter plaatse gegaan en het ziekenhuis ingelopen. Wij zijn naar de behandelkamer 13 gelopen en zagen daar een vrouw op een verpleegbed liggen. Wij zagen dat haar gezicht bebloed was. Wij zagen dat er een bloedvlek rond haar mond zat. Wij zagen dat zij een kras in haar hals had. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , vroeg de vrouw wat er was gebeurd. Wij hoorden haar zeggen: “Ik heb ruzie gehad met mijn vriend, hij heeft mij geslagen” Ik, verbalisant [verbalisant 2] , vroeg de vrouw wie haar vriend was. Wij hoorden haar hierop antwoorden: “ [verdachte] , [verdachte] ”. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag tijdens dit gesprek dat de vrouw haar tanden scheef in haar mond stonden. Ik zag op een aantal plekken alleen maar bloed en geen tanden.
Ik, verbalisant, [verbalisant 3] , kreeg van een medewerker van het ziekenhuis de gegevens van de vrouw. De vrouw werd mij bekend als [slachtoffer] .

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , hoorde [slachtoffer] verklaren: “ [verdachte] heeft hij meer dan vier keer met een vuist in mijn gezicht geslagen”.

[slachtoffer] was ten tijde van deze verklaring erg versuft en had veel pijn.

III.

Een proces-verbaal van bevindingen, met fotobijlage, van 23 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde p. 12-13).

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als bevindingen en/of verrichtingen van evengenoemde verbalisant:

Op 23 april 2016 ben ik naar het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk gereden. Daar lag [slachtoffer] . Ik had de opdracht gekregen de aangifte op te nemen. Ik kwam daar omstreeks 8.10 uur aan. Een verpleegster wees mij de kamer waar [slachtoffer] lag. [slachtoffer] was bij kennis, maar kwam versuft bij mij over. Ik hoorde haar zeggen dat zij morfine kreeg tegen de pijn. Haar gezicht was gezwollen. Ik hoorde haar zeggen dat haar kaak gebroken was. Ik zag dat zij de linkerzijde van haar onderlip naar beneden trok. Ik kon haar rij tanden aan de onderzijde zien. Ik zag dat de rij tanden aan de linker onderzijde versprong; halverwege haar kaak, naar achteren toe, kwam haar kaak ongeveer een halve centimeter omhoog. [slachtoffer] was heel stellig in het doen van aangifte. Af en toe zag ik haar ogen waterig worden van emotie. Dan was zij even stil en wachtte zij even met haar antwoorden. Bij het afronden van het gesprek zag ik dat er tranen over de wangen van [slachtoffer] rolden.

IV.

Een proces-verbaal van verhoor van 28 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde p. 26-28).

Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 28 april 2016 door de verbalisant gestelde vragen (V) en in antwoord (A) daarop als de door aangeefster [slachtoffer] ten overstaan van die verbalisant afgelegde verklaring:

V : Wil jij nog eenmaal vertellen wat er afgelopen zaterdagochtend is gebeurd?

A: Volgens mij hebben we wat gedronken op het Rembrandtplein (het hof begrijpt: te Amsterdam). Rond 04.00 uur gingen we weer richting huis. Onderweg naar huis kregen we ruzie om helemaal niks. Hij begon me heel hard te slaan. Hierbij kan ik me niet alles meer herinneren. Ik weet nog wel dat hij met zijn rechter gebalde vuist zo hard sloeg dat ik helemaal onder het bloed kwam te zitten. Ik voelde heel veel pijn aan mijn gezicht en wist meteen dat het goed mis was.

V : Wat voor letsel heb jij aan de mishandeling overgehouden?

A: Een gebroken kaak, meerdere bulten op mijn hoofd en waarschijnlijk een

hersenschudding.

V.

Een proces-verbaal van bevindingen van 29 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde p. 29-30).

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als bevindingen en/of verrichtingen van evengenoemde verbalisant:

Op 29 april 2016 heb ik, verbalisant [verbalisant 4] , videobeelden uitgekeken van beveiligingscamera’s van het Rode Kruis ziekenhuis te Beverwijk. De videobeelden zijn aangeleverd op een USB-stick. Hierop zijn de videobeelden van de twee navolgende beveiligingscamera’s beschikbaar:

Camera 1, 23 april 2016, 04:25:19 uur:

Ik zie dat een personenauto, merk Lexus, type CT200, kleur wit, nader te noemen als VTG1,

voor de entree van het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk wordt geparkeerd. Hierbij zie ik

direct de bestuurder van het voertuig uitstappen. De bestuurder bleek uit nader onderzoek volledig te zijn genaamd: [verdachte] .

Camera 1, 23 april 2016, 04:26:25 uur:

Met behulp van aangesneld ziekenhuispersoneel zie ik de bijrijder uit het voertuig stappen. De bijrijder bleek uit nader onderzoek volledig te zijn genaamd: [slachtoffer] .

Camera 2, 23 april 2016. 04:26:36 uur:

Ik zie dat [slachtoffer] , ondersteund door ziekenhuispersoneel, middels de draaideur het

ziekenhuis betreedt. Ik zie dat zij hierbij moeite heeft met lopen. Ik zie dat zij strompelt. Ik

zie dat ze een bebloed gezicht heeft.

Camera 1, 23 april 2016, 04:27:34 uur:

Ik zie [verdachte] het Rode Kruis Ziekenhuis verlaten.

VI.

Een geschrift, te weten een medische verklaring van 23 april 2016, opgemaakt door de arts [naam] (doorgenummerde p. 24-25).

Dit geschrift houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van evengenoemde arts:

Betreft: [slachtoffer]

Bovengenoemde patiënte werd op 23-04-2016 omstreeks 04:27 [uur] gezien op de Spoedeisende Hulp van het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk.

Anamnese: Patiënte is door vriend geslagen in het gezicht met zijn vuist

Lichamelijk onderzoek:

- Pijnlijke jonge vrouw, oogt angstig

- Forse bulten over het behaard hoofd

Aanvullend onderzoek:

CT aangezicht en kaak: Fors mandibula fractuur

Conclusie:

28-jarige vrouw met gedislokeerde open mandibula fractuur

VII.

Een proces-verbaal van 8 februari 2018, opgemaakt door mr. J.W.H.G. Loyson, raadsheer-commissaris

belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 februari 2018 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Het klopt dat ik in 2016 aangifte heb gedaan bij de politie in Beverwijk van zware mishandeling door de heer [verdachte] . Ik hoor u zeggen dat dit 23 april 2016 is geweest. Ik heb toen de waarheid gesproken. Ik heb één dag in het ziekenhuis gelegen. Ik ben een paar dagen later, ik hoor u zeggen 28 april 2016, op het politiebureau in Beverwijk geweest om een verklaring af te leggen en ook daar heb ik de waarheid gesproken. Toen wij [het hof begrijpt: op 23 april 2016] vanuit Amsterdam teruggingen naar Beverwijk, reed [verdachte] . We kregen ruzie in de auto. We waren [toen] al op de snelweg. In het ziekenhuis heb ik tegen de dames bij de balie gezegd dat [verdachte] dit had gedaan. Hij rende toen weg. Op dat moment was het einde relatie. Later is die relatie weer goed gekomen. Ik heb tot op de dag van vandaag een relatie met hem. Dat [verdachte] zegt dat hij mij niet heeft geslagen en dat het letsel bij mij is ontstaan ten gevolge van het krachtig remmen van hem en het naar voren schieten van mij is de auto, dan zeg ik u dat klopt dan niet. Ik ben geopereerd aan mijn kaak. Er zit een plaatje in. Ik heb drie à vier weken niet goed kunnen eten. Alleen vloeibaar voedsel kon ik eten. Na vier à zes weken was ik weer volledig hersteld. Met de operatie hebben ze mijn tanden weer rechtgezet, in die zin dat ik daarna niet meer naar de tandarts hoefde.

VIII.

Een proces-verbaal van verhoor van 26 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde p. 42-46).

Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 26 mei 2016 door de verdachte ten overstaan van de genoemde verbalisant afgelegde verklaring:

[slachtoffer] en ik hebben vier jaar een relatie. Wij gingen stappen [het hof begrijpt: op 23 april 2016] . We zouden samen naar Amsterdam gaan. Op de terugweg kregen wij een discussie. Dat liep uit de hand. Toen zijn wij naar het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk gegaan en ik heb daarbij hard gereden; zij was de hele tijd aan het schreeuwen over de pijn. Toen wij bij het ziekenhuis aankwamen heb ik haar geholpen met uitstappen. Toen ben ik weggegaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin tijdens een autorit op agressieve wijze meermalen in het gezicht en tegen het hoofd gestompt, waardoor zij een gebroken kaak en andere nare verwondingen heeft opgelopen. De kaakbreuk moest operatief worden hersteld en vervolgens heeft zij daarvan nog wekenlang groot ongemak ervaren; zo heeft zij lange tijd slechts vloeibaar voedsel tot zich kunnen nemen. Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Voor haar moet het geweldsincident een buitengewoon beangstigende situatie zijn geweest. Gebleken is dat zij (mede) ten gevolge daarvan nog geruime tijd met angst heeft gekampt. In strafverzwarende zin wordt meegewogen dat de verdachte tot op de dag van vandaag geen enkele vorm van verantwoordelijkheid voor zijn gedrag heeft genomen.

De verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 juni 2018 eerder onherroepelijk veroordeeld, onder meer tot een gevangenisstraf van 4 weken wegens een mishandeling die (ook) zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. In dit licht en gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen aan recidivisten plegen te worden opgelegd, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met (ten minste) een duur als door de politierechter opgelegd niet ongerechtvaardigd. Toch zal het hof die straf hier niet opleggen. Daartoe zijn redengevend de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen en die in strafmatigende zin worden meegewogen. Het hof acht het wel van belang dat de verdachte op niet mis te verstane wijze krijgt ingeprent dat hij zich in de toekomst verre moet houden van het plegen van (gewelds)misdrijven. Daarom zal hem een voorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden worden opgelegd. Daarnaast zal hem een taakstraf worden opgelegd. Daarmee worden de strafdoelen van vergelding en generale preventie gediend.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Hieruit spreekt dat het hof de duur van de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf niet toereikend vindt om het strafdoel van speciale preventie adequaat te kunnen dienen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. J.J.I. de Jong en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. O.F. Qane, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juli 2018.

[…]