Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2656

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
23-001327-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling door vader van 16-jarige dochter door gember in vagina en anus te stoppen en haar een half uur te beletten dit te verwijderen (‘gingering up’, bekend in Ghanese cultuur). Hogere straf dan rechtbank en geëist door OM mede tbv generale preventie. Cultureel aspect alleen betrokken als verklaring hoe het kan dat dit handelen voor verdachte denkbaar was zodat dit niet op zichzelf duidt op een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001327-17

datum uitspraak: 23 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-654232-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1973,

adres: [adres 1] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte gedeeltelijk is vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde en in zoverre niet-ontvankelijk zou zijn in het hoger beroep, aangezien de onder 2 verweten mishandeling twee duidelijk verschillende feitencomplexen zou betreffen.

Aan de verdachte is onder 2 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zijn dochter [slachtoffer 1] op 21 september 2014 in Amsterdam opzettelijk heeft mishandeld door haar tegen het hoofd te slaan/stompen, dan wel door gember in haar vagina en/of anus in te brengen. Het hof beschouwt dit niet als een tenlastelegging waarin cumulatief – en derhalve gevoegd – twee strafbare feiten zijn opgenomen, nu geen sprake is van elkaar te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen feiten, gelet op de ten laste gelegde plaats, datum en de aard van de gedragingen. Dat de verdachte is vrijgesproken van het slaan en/of stompen van zijn dochter brengt daarom niet mee dat hij in dat onderdeel van zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen, gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, Sv.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is – voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen – aan de verdachte ten laste gelegd dat:

2:
hij op of omstreeks 21 september 2014 te Amsterdam zijn dochter [slachtoffer 1] opzettelijk heeft mishandeld door haar een of meermalen (met kracht) tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen en/of een of meermalen (met) zijn vinger(s) en/of (een) stuk/stukjes gember in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer 1] te stoppen en/of in te brengen en/of haar (gedurende een half uur) te beletten dat/die stukjes gember te verwijderen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof het bewezenverklaarde anders kwalificeert dan de rechtbank en een andere straf oplegt.

Bespreking van een bewijsverweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling. Hij heeft daartoe – kort weergegeven – aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 1] niet voor het bewijs gebruikt moet worden, nu deze verklaring als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt.

In weerwil van het betoog van de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] , zoals hierna weergegeven, zich ervoor leent als bewijsmiddel te worden gebruikt. De inhoud van die verklaring vindt in hoge mate en op verscheidene onderdelen daarvan steun in de overige bewijsmiddelen. Die overige bewijsmiddelen bestaan niet alleen uit verklaringen van de verdachte en getuigen, maar ook uit – de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteunende – resultaten van een doorzoeking, DNA- en RNA-onderzoek en een letselverklaring.

Weliswaar verschilt de inhoud van de verklaring van [slachtoffer 1] op detailniveau van enkele van de mededelingen die zij bij het informatieve gesprek heeft gedaan, maar consequent is zij in de boodschap dat haar vader gember bij haar heeft ingebracht, zodat er geen grond is aan de betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen. Voor dergelijke twijfel kan evenmin grond worden gevonden in de door de raadsman benoemde omstandigheid dat [slachtoffer 1] geen aangifte heeft willen doen, te minder omdat uit haar tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring blijkt van een grote loyaliteit jegens haar vader.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 21 september 2014 te Amsterdam zijn dochter [slachtoffer 1] opzettelijk heeft mishandeld door met zijn vinger gember in de vagina en de anus van die [slachtoffer 1] te stoppen en haar gedurende een half uur te beletten die gember te verwijderen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 24 september 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde p. 53-55).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1], die opgaf te zijn geboren op [geboortedatum 2] 1998 en als adres opgaf [adres 1] :

Op zondagmorgen 21 september 2014 kwam ik thuis tussen 10 en 11 uur. Mijn vader zat in de huiskamer. Ik groette hem vier maal. Hij reageerde niet, het enige dat hij zei was dat ik een prostituee was. Hij maakte een handgebaar waaruit ik opmaakte dat ik de woonkamer moest verlaten. Hij zei: “Clear off”. Ik ben naar mijn kamer gegaan. Ik werd wakker doordat hij mij aan mijn T-shirt omhoog trok bij mijn nek van achteren. We gingen naar de huiskamer en hij bleef me vasthouden bij mijn nek. Ik kon niet anders dan hem volgen. In de hal liet hij me los. Ik zag dat hij naar de badkamer ging. Hij kwam terug met blauwe handschoenen aan. Ik hoorde hem zeggen: “Ik ga gember in je vagina en anus doen”. Hij liep toen naar de keuken. Hij kwam terug en zette mij op de bank in de hal. Ik stond voorover gebukt en hij duwde mijn hoofd op de bank. Hij hield mijn handen op mijn rug. Hij deed mijn broek en onderbroek naar beneden. Hij probeerde gember in mijn anus te stoppen, maar dat lukte niet. Hij duwde mij op de bank. Hij pakte gember en deed het in mijn vagina. Met zijn vinger duwde hij het in mijn vagina. Daarbij kwam zijn hele vinger in mijn vagina. Hij deed ook gember in mijn anus. Mijn anus is klein en daarom deed het erg pijn. Hij deed zijn vinger in mijn anus. Ik was aan het huilen en schreeuwde: “Aaaaahh!”. Hij vroeg me daarna om naast hem te gaan zitten. Ik huilde nog steeds. Ik moest tv kijken, de autoraces. Daarbij zei hij dat ik het tegen niemand moest vertellen. Als ik het zou vertellen, bijvoorbeeld tegen mijn zusje of iemand van Jeugdzorg, dan zou hij het nogmaals doen en dan zou hij ook pepers toevoegen. Terwijl ik op de bank zat voor ongeveer 30 minuten, voelde ik veel pijn in mijn anus. Het was een brandende pijn. Na die tijd zei hij tegen mij naar de badkamer te gaan. In de badkamer heb ik mijn beste vriendin gebeld, [naam 1] . Ik heb haar verteld wat er was gebeurd. Ik waste me en maakte mijn anus schoon. Ik haalde een rond stukje gember uit mijn anus. Er kwam ook bloed uit mijn anus. Er zat bloed op het gember en ik verstopte het stukje gember.

Mijn vader vroeg mij om beltegoed te halen en hij gaf 20 euro. Ik ben naar buiten gegaan. Ik heb [naam 2] gebeld en haar alles verteld. Ik heb toen [naam 1] gebeld en ben naar haar toegegaan. Toen ben ik naar het politiebureau gegaan. De dokter kwam en heeft mij toen bemonsterd en mijn anus en vagina gecheckt.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 22 september 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde p. 18-25).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Ik woon op het adres [adres 1] [het hof begrijpt: te Amsterdam]. Mijn kinderen die in Amsterdam bij mij wonen heten [slachtoffer 1] en [getuige] (het hof begrijpt: [getuige] ) [slachtoffer 1] . Het afgelopen jaar kwam ik wel voor uitdagingen te staan met die meiden. Ze willen niet naar me luisteren. [slachtoffer 1] belde mij (het hof begrijpt: op 21 september 2014) rond elf uur en zei dat ze naar huis kwam. Een half uur later zag ik dat [slachtoffer 1] de deur opendeed. Zij probeerde tegen mij te praten, ik zat televisie te kijken en zei: “Ga maar naar je kamer”.

Rond vijf uur wilde ik bellen naar Ghana. Ik zei tegen [slachtoffer 1] dat zij beltegoed moest kopen. Ik zag om zes uur dat [slachtoffer 1] nog steeds niet terug was. Ze nam haar telefoon niet op. Ik heb [getuige] gevraagd haar te bellen. Rond acht uur belde [naam 2] mij. [naam 2] gaf aan dat [slachtoffer 1] haar had gebeld om te zeggen dat ik gember in haar geslachtsorganen had gedaan. [slachtoffer 1] had die dingen tegen [naam 2] gezegd. [slachtoffer 1] is niet meer naar huis gekomen.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 23 september 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (doorgenummerde p. 38-43).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige]:

Mijn zus [slachtoffer 1] [het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ] kwam zondag [het hof begrijpt: 21 september 2014] thuis. Ik was de hele dag aan het werk, tot 20.00 uur. Toen keek ik op mijn telefoon en ik zag dat ik gemiste oproepen van mijn vader [het hof begrijpt: de verdachte] had. Ik heb hem terug gebeld en hij vertelde mij dat [slachtoffer 1] thuis was gekomen maar dat ze ook weer weg was gegaan. Hij had haar geld gegeven voor de telefoon en toen is [slachtoffer 1] weer weggegaan. Ze is niet terug gekomen. Hij wist niet wat er mis was met [slachtoffer 1] . Ik heb toen gebeld met [slachtoffer 1] na het gesprek met mijn vader. Ze vertelde mij dat ze die zondag thuis was gekomen en dat vader haar had “gegingerd”. Hij heeft gember in haar vagina en anus gedaan. Dat heeft [slachtoffer 1] mij verteld.

4. Een proces-verbaal van doorzoeking met nummer 2014231905-7 van 22 september 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (doorgenummerde p. 13-14).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededelingen van evengenoemde verbalisant:

Op 22 september 2014 om 12.10 uur werd door mij, verbalisant, samen met collega’s binnengetreden in perceel [adres 1] . Het slachtoffer verklaarde dat haar vader in zowel haar vagina als in haar anus een stuk gember had gestopt. Eén van deze stukjes heeft zij verwijderd en in de badkamer verstopt.

Bij de zoeking vonden collega’s een stukje gember van ongeveer 1 cm bij 1 cm, links op de grond, onder de wastafel. Zij zagen dat er rode vlekjes op zaten. In de keuken, rechts naast het gasfornuis, stonden 5 grijze bakken op elkaar gestapeld. In de derde grijze bak van onder werden 2 gemberwortels aangetroffen en een stukje gemberwortel van ongeveer 5 cm lang, waarvan kennelijk aan één uiteinde een stuk was afgebroken.

5. Een deskundigenverslag, zijnde een geneeskundige verklaring van de forensisch geneeskundige [naam 3] , van 21 september 2014 (doorgenummerde p. 10).

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van evengenoemde forensisch geneeskundige:

Medische informatie betreffende: [slachtoffer 1] (geboortedatum: [geboortedatum 1] -1998)

Datum/tijd maken letselbeschrijving: 21-09-2014 [te] 21.10 [uur]

Letsels

Vaginaal: geen bijzonderheden. Wat dik slijm.

Anus: uitwendig geen bijzonderheden. Bij introductie scoop: enkele verse slijmvlies letsels links

en achterzijde.

Ook wondje tussen vagina en anus.

6. Een deskundigenverslag, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 februari 2015, getiteld “Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een aangifte van een zedenmisdrijf gepleegd in Amsterdam op 21 september 2014” met het zaaknummer 2014.11.04.022 (aanvraag 002), opgemaakt door [naam 4] (los opgenomen in het dossier).

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededelingen van evengenoemde deskundige:

Kenmerk aanvrager: 2014231905

Onderzoek naar biologische sporen

Het stuk gember AAEW8496NL is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is verspreid over het stuk gember bloed aangetroffen. Deze bemonstering is als AAEW8496NL#01 veiliggesteld voor een DNA- en RNA-onderzoek. De gehele buitenzijde van het stuk gember is bemonsterd. Deze bemonstering is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is bloed aangetroffen. Deze bemonstering is als AAEW8496NL#02 veiliggesteld voor een DNA- en RNA-onderzoek. Tot slot is het gehele stuk gember zelf als AAEW8496NL#03 veiliggesteld voor een DNA- en RNA-onderzoek.

DNA-onderzoek

Onderstaand materiaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

▪ AAEW8496NL#01 bemonstering van bloed op het stuk gember

▪ AAEW8496NL#02 bemonstering (met bloed) van de buitenzijde van het gehele stuk gember

▪ AAEW8496NL#03 gehele stuk gember

▪ RAAW5416NL referentiemonster wangslijmvlies van het slachtoffer [slachtoffer 1] (geboren

op [geboortedatum 2] 1998)

Van het referentiemonster wangslijmvlies RAAW5416NL van het slachtoffer [slachtoffer 1] is een

DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Van de sporen AAEW8496NL#01 tot en met #03 zijn (onvolledige) DNA-profielen verkregen van een vrouw. Deze (onvolledige) DNA-profielen matchen met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 1] (RAAW5416NL). Dit betekent dat het DNA in/op deze sporen afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer 1] . De matchkans van het DNA-profiel van spoor AAEW8496NL#03 is kleiner dan één op één miljard.

7. Een deskundigenverslag, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 april 2015, getiteld “Aanvullend DNA-onderzoek en RNA-onderzoek naar aanleiding van een aangifte van een zedenmisdrijf gepleegd in Amsterdam op 21 september 2014” met het zaaknummer 2014.11.04.022 (aanvraag 003), opgemaakt door [naam 4] (los opgenomen in het dossier).

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededelingen van evengenoemde deskundige:

Kenmerk aanvrager: 2014231905

In deze zaak zijn een aanvullend DNA-onderzoek en RNA-onderzoek uitgevoerd.

Aanvullend DNA-onderzoek

Van de bemonsteringen AAEW8496NL#01 en #02 zijn bij het aanvullend DNA-onderzoek meer informatieve DNA-profielen verkregen waardoor nu ook voor deze profielen een statistische berekening van de matchkans mogelijk is. De verkregen DNA-profielen matchen met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 1] (RAAW5416NL). Dit betekent dat het DNA in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer 1] . De matchkans van de DNA-profielen van de bemonsteringen AAEW8496NL#01 en #02 is kleiner dan één op één miljard.

RNA-onderzoek

Op basis van de resultaten van het DNA- en RNA-onderzoek aan de bemonstering AAEW8496#01 van het stuk gember wordt geconcludeerd dat deze bemonstering bloed, huidcellen en vaginale cellen bevat die afkomstig kunnen zijn van het slachtoffer [slachtoffer 1] .

Op basis van de resultaten van het DNA- en RNA-onderzoek aan de sporen AAEW8496NL#02 en #03 van het stuk gember wordt geconcludeerd dat deze sporen huidcellen en vaginale cellen bevatten die afkomstig kunnen zijn van het slachtoffer [slachtoffer 1] .

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn kind.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechtbank opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zijn toentertijd minderjarige dochter mishandeld door gember in haar anus en vagina in te brengen en haar gedurende een half uur te beletten die gember te verwijderen, waardoor zij hevige pijn heeft gevoeld en (licht) letsel heeft bekomen. De verdachte heeft daarmee op een sadistische wijze zeer ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn dochter. Met zijn handelen heeft de verdachte bovendien het vertrouwen dat zijn dochter in hem zou moeten kunnen stellen op grove wijze beschaamd. Tegelijk heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de veiligheid die zij in haar ouderlijk huis zou moeten ervaren. Dat het NFI-rapport van 9 januari 2015 inhoudt dat uit literatuuronderzoek is gebleken dat in de Ghanese cultuur/traditie gemberwortel ook wordt gebruikt om kinderen en adolescenten te straffen (“gingering up”), betrekt het hof in die zin in zijn oordeelsvorming dat het ervoor een verklaring biedt dat dit gedrag van de verdachte voor hem denkbaar was en dat daarin op zichzelf geen aanwijzing hoeft te worden gezien voor het bestaan van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte. Deze verklaring voor het gedrag van de verdachte doet geen afbreuk aan de verwijtbaarheid daarvan of aan de buitengewone ernst van de inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Aan de ernst van het handelen van de verdachte draagt bij dat zijn dochter nog niet zo lang bij hem in Nederland woonde en zich mede daardoor ten opzichte van hem in een afhankelijkheidsrelatie bevond.

De verdachte heeft na de door hem begane mishandeling op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. Hij heeft zijn minderjarige dochter aan haar lot overgelaten, waardoor zij aangewezen raakte op haar vrienden en op hulporganisaties. In die houding is tot op heden niets veranderd, ook niet nadat zijn dochter – op een van moed getuigende wijze – mede via haar slachtofferverklaring bij de rechtbank toenadering heeft geprobeerd te zoeken en zich daarin nota bene begripvol heeft getoond over het handelen van haar vader. De verdachte heeft daar niets tegenover gesteld.

De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt – ook vanuit het oogpunt van generale preventie: voor dergelijke manieren van straffen is (ook) in Nederland absoluut geen plaats – de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Naar het oordeel van het hof zal dan ook niet volstaan kunnen worden met de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen. Die combinatie van straffen doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit. Desalniettemin zal het hof de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Het volgende is daartoe redengevend.

Uit het rapport van 28 januari 2015 dat omtrent de verdachte door psycholoog [naam 5] is opgemaakt komt naar voren dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een non-verbaal cognitief functioneren op een licht verstandelijk beperkt niveau. De door de psycholoog waargenomen persoonlijkheidsdynamiek typeert zich met name door inflexibiliteit, rigiditeit en starheid in denken en de compromisloosheid die hieruit volgt, vloeit deels voort uit zijn intellectuele beperkingen, maar is grotendeels cultureel bepaald.

Het reclasseringsadvies van 17 december 2014 geeft een vergelijkbaar beeld van de verdachte. Daarin is voorts vermeld dat de verdachte moeite heeft met het opvoeden van zijn dochters. Het ontbreekt hem daartoe aan cognitieve vaardigheden. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat onmacht aan de basis ligt van het handelen van de verdachte. Voorts heeft het hof onder ogen gezien dat de verdachte een fulltime baan heeft, die hij zou verliezen als hij langdurig gedetineerd zou raken.

In het voorgaande ziet het hof aanleiding een lichtere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te kiezen. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden. Immers, de verdachte is op 22 september 2014 in verzekering gesteld, terwijl er eerst op 4 april 2017 vonnis is gewezen. Het hof zal de duur van op te leggen taakstraf daarom terugbrengen tot 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- ondergoed (goednummer 4834796).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. C.N. Dalebout en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. O.F. Qane, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juli 2018.

[...]

.