Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:2624

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
200.098.951/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:357, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 10 oktober 2017. Verdere afhandeling. Schatting door het hof van de kosten van verweer die de assurantietussenpersoon dient te vergoeden. Alsnog toewijzing van de desbetreffende vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.098.951/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 438017 / HA ZA 09-2959

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 juli 2018

inzake

1 HUVASS BEHEER B.V.,

2. [x] ADVIESGROEP B.V.,

beiden gevestigd te Sint Odiliënberg,

appellanten,

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam,

tegen

VERENIGDE ASSURANTIEBEDRIJVEN NEDERLAND B.V.,

tevens handelend onder de naam BAVAM,

gevestigd te Rijswijk,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F. van der Woude te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Huvass, [x] Adviesgroep, gezamenlijk Huvass c.s. en Bavam genoemd.

Op 10 oktober 2017 is in dit geding een derde tussenarrest gewezen. Voor het verloop van de procedure tot aan die datum verwijst het hof naar dat arrest.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- akte na tussenarrest, met producties van Huvass c.s.; en

- antwoordakte na tussenarrest van Bavam.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1.

Het gaat in dit geding, samengevat weergegeven, om het volgende. Door tussenkomst van de vennootschap onder firma [x] Assurantiën (hierna: de vof) is ten behoeve van het echtpaar [Persoon 1 en 2] (hierna: [Persoon 1 en 2]) in 1997 een zogenaamde Vliegwiel kapitaalovereenkomst gesloten en in 1998 een lijfrenteverzekering. Verder is door tussenkomst van de vof in 1998, kort gezegd, een beleggingshypotheek tot stand gekomen. [Persoon 1 en 2] hebben bij brief van 27 juni 2007 Huvass als de rechtsopvolgster van de vof aansprakelijk gesteld voor de in 1997 en 1998 gegeven adviezen. Zij hebben een procedure tegen Huvass aangespannen waarin door het hof den Bosch op 26 januari 2016 eindarrest is gewezen (ECLI:NL:GHSHE:2016:189). De onderhavige procedure ziet op de vraag of de aanspraken van [Persoon 1 en 2] tot schadevergoeding zijn verzekerd onder de met Bavam gesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering.

2.2.

In het eerste tussenarrest is het hof tot het oordeel gekomen dat de verzekeringsvoorwaarden van 1 januari 2007 van toepassing waren op het moment dat de aansprakelijkstelling door Huvass werd ontvangen. Clausule 163 zoals opgenomen in de verzekeringsvoorwaarden heeft tot gevolg dat de dekking voor de aanspraken van [Persoon 1 en 2] beoordeeld moet worden aan de hand van de voorwaarden die van kracht waren op het moment van de beweerde fouten in 1997 en 1998. Dat betreft de verzekeringsvoorwaarden volgens het overgelegde model 1992 en de clausules die in 1997 en 1998 van toepassing waren.

2.3.

Aan de hand van de voorwaarden die in 1997 en 1998 van toepassing waren, is het hof in het derde tussenarrest tot het oordeel gekomen dat Bavam aan Huvass c.s. gedeeltelijk dekking dient te verlenen voor de aanspraken die door [Persoon 1 en 2] zijn ingesteld. Het betreft de dekking voor de verweerkosten die zijn gemaakt tegen de vorderingen van [Persoon 1 en 2] voor zover die betrekking hebben op het sluiten van de lijfrenteverzekering. Ten aanzien van de vorderingen van [Persoon 1 en 2] die zijn ingesteld in verband met de Vliegwiel kapitaalovereenkomst en de beleggingshypotheek is geoordeeld dat die aanspraken niet zijn verzekerd. Huvass c.s. zijn bij het derde tussenarrest in de gelegenheid gesteld de genoemde gemaakte verweerkosten te specificeren en te onderbouwen.

2.4.

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenarresten. Huvass c.s. hebben het hof verzocht terug te komen van een of meer beslissingen, maar daarvoor is geen reden aanwezig. Niet is gebleken dat de beslissingen berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.

2.5.

Ten aanzien van de onderbouwing van de kosten van verweer hebben Huvass c.s. alle declaraties van hun advocaat overgelegd van in totaal een bedrag van € 139.764,61 inclusief btw. Het is volgens Huvass c.s. niet meer te achterhalen welk deel van dit bedrag betrekking heeft op het verweer tegen de claim van [Persoon 1 en 2] die ziet op de lijfrenteverzekering. Huvass c.s. stellen voor om uit pragmatische oogpunt een bedrag van € 25.000 aan te houden.

2.6.

Bavam stelt op haar beurt voor de gedekte schade vast te stellen op een bedrag van € 15.000. Volgens haar heeft niet meer dan 10% van de werkzaamheden betrekking gehad op de verweer tegen de gedekte claim

2.7.

Het hof constateert dat partijen het erover eens zijn dat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om op basis daarvan de exacte gemaakte kosten van verweer te kunnen vaststellen, zodat alleen de mogelijkheid resteert van een vaststelling aan de hand van een (beredeneerde) schatting. Die wijze van vaststelling zal het hof dan ook volgen.

2.8.

De benadering van Bavam acht het hof te beperkt. Haar redenering gaat ervan uit dat alleen de kosten die waren gemoeid met het opstellen van de specifieke pagina’s in de processtukken die betrekking hebben op de lijfrenteverzekering als gedekte verweerskosten kunnen worden beschouwd. Ook voor de meer algemene kosten, bijvoorbeeld die verband houden met de beschouwingen in de processtukken over de feiten en het juridisch kader, geldt dat die (mede) zijn gemaakt in verband met de claim over de lijfrenteverzekering. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van de door Huvass c.s. gegeven inschatting van de kosten en zal een bedrag van € 25.000 toewijzen.

2.9.

De slotsom is dat het hoger beroep deels terecht is ingesteld. In de memorie van grieven is gevorderd dat Bavam wordt veroordeeld verzekeringsdekking te verlenen. Uit de akte na tussenarrest leidt het hof af dat die eis in zoverre is gewijzigd dat thans – uitgaande van de beslissingen in het derde tussenarrest – veroordeling wordt gevorderd van het genoemde bedrag van € 25.000. Dat bedrag zal worden toegewezen. Bij die stand van zaken dient het vonnis waarvan beroep te worden vernietigd. De uitkomst van de zaak is dat partijen over en weer deels in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld. De proceskosten zullen in beide instanties tussen partijen worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Bavam € 25.000 aan Huvass c.s. te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest;

compenseert de proceskosten in beide instanties tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.F. Aalders en J.M. de Jongh en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018.